[{{mminutes}}:{{sseconds}}] X
Пользователь приглашает вас присоединиться к открытой игре игре с друзьями .
Обычный нидерландский
(10)       Используют 34 человека

Комментарии

Nowhereman42nd 4 февраля 2017
"дети не хотели стола"

Вот такое выражение нашёл гугл-переводчик в первом предложении.
Uncle_Sam 8 июля 2011
Действительно, не то. Исправил :)
teacherIgor 8 июля 2011
kinderhals,.een

Мне кажется, что здесь что-то не то.
LadyIrina 28 июня 2011
Голландская раскладка клавиатуры
Написать тут
Описание:
Аналог "обычного" на нидерландском языке.
Автор:
Uncle_Sam
Создан:
28 июня 2011 в 17:51 (текущая версия от 9 мая 2017 в 11:04)
Публичный:
Нет
Тип словаря:
Тексты
Цельные тексты, разделяемые пустой строкой (единственный текст на словарь также допускается).
Информация:
09.05.17 тексты словаря перезалиты. Спасибо Phemmer за новые тексты
Содержание:
1 Hij ging rustig door met het tellen van de schroeven. Op de doos stond dat het er honderd moesten zijn. Toen Tine bleef schreeuwen, schakelde Hugo de boormachine uit. Met beide handen wreef hij het aangekoekte stof uit zijn ogen. De vuile vegen vormden een streepjespatroon op zijn wangen.
2 Hugo schudde het hoofd toen hij zijn vrouw zo blootsvoets door het stugge gras zag rennen. Straks trapte ze nog in een glasscherf en kreeg hij daar weer de schuld van. Op het ogenblik dat ze zich bezeerde, zou hij eerst vloeken en daarna verband en ontsmettingsmiddel halen.
3 Vrouwen hielden van dat soort van onderdanigheid. Een gewapende vrede was altijd leefbaarder dan een uitputtende oorlog. Toch kon hij niet echt klagen. Veel andere mannen hadden het slechter getroffen. Leen was op haar achtendertigste nog steeds een aantrekkelijke meid.
4 Ze wist dat papa haar dan met rust liet. Hugo herkende het gekrijs. Leen zou dat varkentje wel wassen, dacht hij. Hij nam zijn boormachine en drukte de knop in. Joris reikte hem een schroef aan. Hugo knipoogde naar zijn zoon. Zoveel herrie om een tak. Zij hadden wel wat beters te doen.
5 Het decor zag er in ieder geval erg romantisch uit: gezandstraalde bakstenen, antieke pannen, witgekalkte muren en de geur van duizend varkens bij de buurman. Welke overwerkte sterveling droomt vandaag de dag niet van een eigen stulpje op het platteland? O tempora, o mores.
6 Na veel dreigementen en smeekbeden was ze er eindelijk in geslaagd het scheenbeen uit Tines handen te wrikken. Het rafelige bot lag voor haar op de grond. Tine zat met roodomrande ogen te mokken. Joris telde onverstoorbaar schroeven. Het scheenbeen interesseerde hem niet.
7 Hij kwam twee schroeven tekort en deze anomalie eiste al zijn aandacht op. Leen glimlachte naar Hannelore. De vrouw van Vermast was duidelijk in de war. De gedachte dat iemand in haar tuin begraven lag, vervulde haar met afgrijzen. Volgens Hannelore stond zij op het punt in te storten.
8 Van In staakte de opgraving. Versavel had gelijk. Dit was een klus voor de experts van de gerechtelijke politie. Hij klom voorzichtig uit de put. De uigele schedel glansde in het felle zonlicht. Van In vroeg zich af of iemand ooit zijn doodshoofd op die manier zou bekijken.
9 Het erf leek plotseling op het parkeerterrein van een goedbeklante supermarkt. Na het uitwisselen van de obligate beleefdheidsformules ging Leo aan de slag. De Nikon zoemde als een bij boven een jasmijnenveld. De kleine, bolle gerechtsfotograaf maakte veertig opnamen in minder dan tien minuten.
10 Daarna daalde de wetsdokter af in het graf. Alexander De Jaegher was een bekende Bruggeling. Dat dacht hij tenminste. De wetsdokter hield er een druk sociaal leven op na. Hij was voorzitter van diverse culturele verenigingen en promotor van een lokale carnavalsvereniging.
11 De Jaegher zocht naar erkenning in een milieu dat het zijne niet was. Zijn reputatie als arts stelde niet veel voor. Vijftien jaar geleden was hij na een ernstige beroepsfout bijna geroyeerd uit de Orde der Geneesheren. Een baan bij het parket leek op dat moment een zinvol alternatief.
12 Versavel keek de andere kant op. Van sporenonderzoek had de wetsdokter na al die jaren nog altijd geen kaas gegeten. Een dergelijke onprofessionele aanpak had al vaker belangrijk bewijsmateriaal onbruikbaar gemaakt. Geen wonder dat het publiek geen vertrouwen meer had in de werking van het gerecht.
13 Tot overmaat van ramp zat er geen prik meer in. Dat kon ook niet anders. Het glas stond al ruim een kwartier in de brandende zon. Hannelore kon de pot op met haar dieet. Hij stak zijn hand op. De ober reageerde alert. Behalve Van In en Versavel zat er immers niemand op het terras.
14 Het ding vloekte met de rest van het interieur als een hamburger in een driesterrenrestaurant. Vandaele was een man van de oude stempel, wat echter niet betekende dat hij de moderne technologie schuwde. Als leerling van Machiavelli maakte hij gebruik van ieder middel dat zijn doel kon dienen.
15 Hij kende de man al heel lang. Als jonge agent had hij hem ooit met een halfnaakte knaap op de achterbank van een geparkeerde auto betrapt. Na wat heen en weergepraat hadden ze de zaak als volwassen mensen geregeld. Vandaele had hem tienduizend frank betaald en daarmee was de kous af.
16 Hij wist dat als hij het smeergeld niet aanvaardde en toch een proces verbaal opstelde, Vandaele gewoon iemand van het parket zou omkopen. In beide gevallen was de uitkomst voor de pedofiel dezelfde. Voor Baert scheelde het tienduizend frank en dat geld kon hij in die tijd best gebruiken.
17 Waarom was hij anders halsoverkop naar zijn werkkamer gevlucht toen Baert hem van de vondst op de hoogte had gebracht? Dat de oude echt in de war was, bewees de smoes van het dringende telefoontje naar zijn nicht. Die smoes was even doorzichtig als het negligé van Melissa.
18 Baert glunderde ongegeneerd. Morgen kreeg Melissa haar breedbeeldtelevisie. Wanneer hij straks thuiskwam en haar het goede nieuws vertelde, zou ze spontaan uit de kleren gaan. Misschien trok ze dan wel het kanten niemendalletje aan dat hij haar met Kerstmis cadeau had gedaan.
19 De laatste zonnestralen scheerden rakelings langs een stapelwolk. Het diffuse licht kleurde de witgekalkte muren van hun persoonlijke aards paradijs korengeel, alsof iemand een polaroidbril voor de zon had geschoven. Als ze het weerbericht mochten geloven, was dit de laatste zomerse dag.
20 Slecht nieuws heeft zo zijn voordelen. Als het echt verpletterend is, wordt men er stil van. Van In vormde deze keer geen uitzondering op die regel. Hij hapte naar lucht, probeerde een verwensing te formuleren en toen hij daar niet in slaagde, liep hij mokkend de deur uit.
21 Na al die jaren van betrekkelijke rust bonkte de gejaagdheid in zijn onderbuik als een neushoorn in een te krappe kist. Hij probeerde die pijn te blussen met een slok lauwe thee. Linda reikte hem een beboterd sneetje toast aan. Twee spiegeleieren kisten in een vettige braadpan.
22 Linda Aerts was vroeger een mooie vrouw geweest. Nu was ze vijfendertig, volslank en getekend door overmatig alcoholverbruik. Tien jaar geleden regeerde ze nog als de ongekroonde koningin van het Brugse nachtleven. Er was geen man die haar nooit had begeerd, maar Linda wilde zich aan niemand binden.
23 Hij negeerde de regerende koningin en dat kon zij moeilijk verteren. Binnen veertien dagen deelde Linda het bed van de overwinnaar. Ze trouwden halsoverkop en het feest duurde tot William zijn laatste stuiver erdoor had gejaagd. De dag waarop dat gebeurde, vermoordde hij haar jeugd.
24 Spiegels waren haar ergste vijanden geworden. Bij iedere blik onthulden die immers twee beurse borsten, een accordeonbuik en snelgroeiende moedervlekken met stug zwart haar in het midden. Haar lot leek wreder dan dat van Dorian Gray en had wellicht zelfs Oscar Wilde tot enig medelijden bewogen.
25 William begon te trillen als een stationair draaiende dieselmotor. Linda wist dat hij binnen de kortste keren zou uitbarsten als een vulkaan. Daarom trok ze zich strategisch terug naar de keukendeur. Dat was geen moment te vroeg. Ze stond nog in de deuropening toen hij het bord eieren greep.
26 Dat deed William altijd als hij over de rooie ging. Linda grabbelde tussen de voorraad sigaretten, stak twee pakjes Marlboro in de zak van haar kamerjas en rende de trap op. Over een uur was de storm geluwd en dan kon ze terug naar beneden. Linda sloot de slaapkamerdeur af en luisterde.
27 Hij kwam zelfs niet op de deur bonken. Ze ontkurkte zenuwachtig de fles Elixir en dronk. William ging aan de keukentafel zitten. Voor hem stond een ingelijste foto van zijn moeder. In de linkerbovenhoek herinnerde een rouwlint aan de tragedie die hem zestien dagen geleden had getroffen.
28 Nergens was een bel te bespeuren. Hugo Vermast stond in de dakgoot van zijn boerderij. Hij was druk bezig met het slopen van een zwartgeblakerde schoorsteen. Zijn schreeuwerige transistorradio vermoordde het geritsel van de bladeren en het gezang van een moedige lijster.
29 Toen was de koning in Brugge op bezoek geweest. Iedereen die de vorst wilde begroeten, mocht die dag wegblijven uit de school. Vermast beantwoordde de groet van de commissaris met een enthousiast armgebaar. Straks valt hij nog uit de goot, dacht Van In met enig leedvermaak.
30 De zogenaamde vrije opvoeding was een hersenspinsel van een handvol dolgedraaide artsen. Dokter Benjamin McLane Spock was er zo eentje geweest. Een paar decennia na het verschijnen van zijn eerste boek had de man er spijt van gekregen dat hij het leven van miljoenen jonge gezinnen had verknoeid.
31 Zijn theorie had legioenen ettertjes gebaard. Dokter Spock. Jezus. Voor Van In bestond alleen de echte Mister Spock. Die kon tenminste zeggen: beat them up, Scotty. Het interieur van de keuken bestond uit een bonte verzameling gebloemd aardewerk, droogbloemen en slordig gebeitst meubilair.
32 Het jongetje was net geen autist en bijgevolg werd het neurotische meisje meteen tot wonderkind gebombardeerd. Vermast haalde een derde kopje uit de keukenkast, pakte de theepot en schonk de koppen vol. Het goedje stonk naar wasgoed. Van In had het kunnen weten, maar nu was het te laat.
33 Ze liet zich met een zucht neerploffen in een stoel, waardoor de jurk hoog naar boven schoof. De meeste vrouwen kruisen dan kuis hun benen, maar zij deed geen moeite om haar sneeuwwitte slipje aan het oog van de commissaris te onttrekken. Van In was ervan overtuigd dat ze dat met opzet deed.
34 Vermast deed gelukkig de deur dicht, wat minstens veertig decibel scheelde. Hij verzocht Van In plaats te nemen op een rustieke bank, waarvan het overtrek, net als bij de rest van het meubilair het geval was, in een lamentabele staat verkeerde. De dochter mocht zich blijkbaar op alles afreageren.
35 Zonder de beschermende verflaag leken die nu op stukken verdroogde ontbijtkoek. Het mocht een wonder heten dat het huis overeind bleef staan. De toestand van de plankenvloer tartte elke verbeelding. Grillig gevormde gangen wezen op de onverdroten ijver van een kolonie houtwormen.
36 Namaaktinnen borden, een verroest smeedijzeren haardstel, een luchter in de vorm van een karrenwiel en diverse landbouwwerktuigen aan de muren moesten een bucolische sfeer creëren. Wat Van In echter het meest ergerde, was het onherkenbaar verminkte speelgoed dat overal rondslingerde.
37 Het kantoor was ondergebracht in het ouderlijk huis van Benedict Vervoort. De woonkamer was tot lokettenhal omgevormd, een groot woord voor een betralied hok waarin niemand zat. Toch was dit een multifunctioneel bedrijf. Onroerend goed vormde slechts een gedeelte van het dienstenpakket.
38 Hier kon de modale boer ook met cash en waardepapieren terecht. Die informatie haalde Van In uit de diverse handgeschreven affiches die het kantoor opfleurden. Hij werd begroet door een oudere vrouw, de jongste bediende zoals dat heet. Ze leek sprekend op Audrey Hepburn, maar dan zonder schmink.
39 Van In droomde niet. Dit was het West Vlaamse platteland, waar in banale huizen fortuinen werden verdiend en waar een beslijkte Mercedes voor de deur het enige zichtbare teken van luxe vormde. Benedict Vervoort had het zelfs niet nodig gevonden het vale bloemetjesbehang te laten vervangen.
40 Op Sicilië ging het gros van de maffiosi minder opvallend gekleed. Van In drukte hem de hand. De dikke, met ringen omkranste vingers van de jonge zakenman voelden klef aan. De aftershave waarmee hij zich kwistig had besprenkeld, stonk naar wc eend, een geur die Van In amper kon harden.
41 In de asbak smeulde een Marlboro. De vijf centimeter lange aspunt zat als versteend vast aan de filter. In de kamer stonk het naar zuur zweet, goedkope deodorant en ongewassen kleren. Er heerste een wanorde waarop menig tiener jaloers was geweest. Gelukkig waren de gordijnen dicht.
42 Linda droeg een satijnen nachthemd. De gladde stof accentueerde genadeloos iedere vetrol om haar lenden. Haar slappe borsten deinden mee op het ritme van haar zware ademhaling. De telefoon rinkelde al meer dan een uur met tussenpozen van telkens tien minuten. Linda droomde van een begrafenisstoet.
43 De lijkwagen, een zwarte Chevrolet met verchroomde bumpers, sneed als een prehistorische batmobiel door de joelende menigte. Linda bereed een witte hengst. De massa verdrong zich achter de dranghekken. Iedereen probeerde een glimp op te vangen van haar. Er werden leuzen gescandeerd.
44 Ze paradeerde met opgeheven hoofd in het zog van de Chevrolet en genoot van het spektakel. In de lijkwagen stond een glazen kist. Het deksel lag bedolven onder knoestige seringen. William lag op een pluche matras. Zijn hoofd rustte op een geborduurd kussen met kwastjes aan de vier hoeken.
45 De rouwstoet naderde het centrum van de stad. Het plein voor de bank stond afgeladen vol. Toen Linda de teugels vierde, week de menigte eerbiedig uiteen. Ze reed langs de bank en keek opzij. Het gebouw, een kooi van staal en spiegelglas, reflecteerde haar beeltenis. Ze was naakt.
46 Plotseling sprong een nar voor het paard. Hij greep de teugels beet en graaide begerig naar haar dijen. De belletjes aan zijn zotskap overstemden het rumoer. Linda probeerde de dwerg af te weren. Ze gaf het paard de sporen. De witte hengst sidderde en sloeg op hol. Linda viel op de straatstenen.
47 Of de heren lijden aan geheugenverlies en vragen om morgen terug te bellen of ze melden via hun telefoonbeantwoorder dat ze met vakantie zijn. Geen wonder dat het een half weekloon kost om een kroon te laten herstellen. Vroeger kreeg je voor die prijs een klomp goud in je bek.
48 Hannelore was verzot op de geroosterde lendenbiefstuk die men daar serveerde en Van In beschikte over een valabel excuus om ongestraft een fles medoc soldaat te maken. Het kleine, idyllische plein, volgens kenners een van de meest romantische plekjes van Brugge, gonsde van de bedrijvigheid.
49 Obers met lange voorschoten voerden professioneel hun nummertje op. De toeristen knikten goedkeurend. In Brugge voelen de vreemdelingen zich immers echt thuis. Hier worden ze op hun wenken bediend. Zelfs wanneer ze lastig doen, staan de onvermoeibare obers hen in hun landstaal te woord.
50 Het kleine terras van de Heer Halewijn zat stampvol. In tegenstelling tot de andere kroegen en restaurants op het plein werd er overwegend Brugs gesproken. Hier geen bierhijsende Duitsers, kakelende Fransen, Engelse Chunnel vaarders, ongemanierde Amerikanen of op etenslucht jagende Nederlanders.
51 Iedereen op het terras die het gesprek had gevolgd, schoot in de lach. Van In keek als een gestrafte puppy. Hannelore sloeg troostend haar arm om zijn schouder en gaf hem een klinkende zoen. Heel wat mannen hadden zich met plezier een pink afgehakt om nu in zijn stoel te zitten.
52 Pas nadat hij de laatste sliert chocolademousse van zijn lepel had gelikt, nam hij de draad van het gesprek weer op. Hij vertelde haar wat hij had ontdekt over de boerderij van Vermast. Van In was een talentvolle speurder die al menige ophefmakende misdaad had opgelost.
53 Hij heeft het nieuws in de krant gelezen en is in paniek geraakt. Waarschijnlijk is hij bang voor represailles van onze kant. Hij had het lijk nooit op mijn terrein mogen begraven. Dat was de afspraak niet. Aerts weet verduiveld goed dat ik hem voor zijn diensten ruimschoots heb vergoed.
54 De Cleopatra was toen een derderangsbar waar gepensioneerde Brusselse hoeren van een welverdiende rust kwamen genieten. De cliënteel bestond uit een handvol gefrustreerde handelsreizigers die dachten dat ze voor een fles lauwe mousserende wijn een ticket naar het paradijs konden kopen.
55 Provoost stond bekend om zijn radde tong. In de rechtbank was hij een superieur wezen, een man die gevreesd werd om zijn scherpe replieken. Dat zei men toch. Oog in oog met Vandaele leek hij een schooljongen die de onderwijzer niet durft tegen te spreken. De oude Vandaele kende zijn pupil.
56 En het is allemaal zo lang geleden. Aerts is spoorloos. Maar wie zal hem ooit geloven als hij zijn mond voorbij praat? Het is het woord van een pooier tegenover dat van jou. Dit is België, Yves. In dit land wordt niemand veroordeeld zonder dat zijn schuld onomstotelijk is vastgesteld.
57 Roken mocht hij al lang niet meer. Een leger van zwarte kankercellen had zijn longen veroverd en maakte zich nu klaar om de rest van zijn lichaam in te palmen. Binnen afzienbare tijd was hij dood, maar zijn naam moest voortleven. Daar kon een stomme moord niets aan veranderen.
58 Wat was immers mooier dan te sterven door een hartinfarct op een subtropisch strand? William Aerts liep probleemloos door de paspoortcontrole. Hij zag eruit als een doorsnee zakenman: sportief pak, lichtgewicht Delsey koffer en een exemplaar van de Financieel Economische Tijd onder de arm.
59 Meer dan vijftien jaar had Aerts naar dit moment verlangd. Hij had eindelijk een excuus om dit kloteland te ontvluchten. Gedaan met Linda, het zeurende nijlpaard. En wat de pedofiel betrof: die zou hem nooit meer vernederen. Vandaag was hij een vrij man. De timing was niet perfect.
60 Marc, de loketbediende, probeerde mevrouw Aerts te sussen. Achter haar stonden immers nog drie klanten. Een van hen was mijnheer Ostijn en die hield niet van relletjes. Hilaire Ostijn was de voorzitter van de plaatselijke middenstandsvereniging en een van de beste klanten van het filiaal.
61 Vroeger had hij dit probleem in een handomdraai opgelost. Hij had haar tienduizend frank gegeven en daarmee was het probleem van de baan geweest. Vandaag de dag had een gewone bankbediende die bevoegdheid niet meer. Wie niets had, kreeg niets. De nieuwe regel was onverbiddelijk.
62 Ostijn deed alsof hij haar niet kende. De bankbediende wist evenwel dat zowel zijn baas als Ostijn de Cleopatra frequenteerde. Hij nam het geld uit de la en tikte het bedrag in. Op dat ogenblik zwaaide de deur open. De snelheid waarmee Albert Denolf reageerde, was verbluffend.
63 Telebankieren was niet aan hem besteed. Marc zuchtte onhoorbaar. De transacties van Ostijn zouden zeker meer dan een kwartier in beslag nemen. Die routine werd echter plotseling onderbroken door glasgerinkel. Ostijn reageerde zoals iedere rechtgeaarde kapitalist dat zou doen.
64 Hij wees naar een knus bankstel dat vlakbij het raam stond. In tegenstelling met daarstraks had Van In nu een prachtig uitzicht op een zorgvuldig onderhouden rotstuin met in het midden een klaterende fontein. Fonteinen waren in. Iedereen die zichzelf respecteerde had er een.
65 Hij nam een taxi naar de haven. In zijn broekzak stak een portefeuille met daarin vijftig briefjes van honderd dollar en vier miljoen lire in grote coupures. Ondanks de ondraaglijke hitte had hij tijdens de treinreis van Rome naar Napels zijn hand niet uit zijn zak gehaald.
66 Havens stinken altijd, maar in Napels haalt de stank van rottende vis en verdampende urine het van de meer geaccepteerde geur van stookolie en teer. Dat ongemak nam Aerts er noodgedwongen bij. Als alles meeviel, kon hij over een uur inschepen. De ferry naar Palermo zat stampvol.
67 De man was gevaarlijk en daar moest iets aan gedaan worden. In de salon pakte Vandaele een fles Exshaw uit het barkastje en bediende zich royaal van de twintig jaar oude cognac. Daarna raadpleegde hij zijn agenda en toetste het nummer in van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
68 Hannelore liet hem zwijgend begaan. Ze trakteerde zich op een extra glas moezelwijn en vocht in stilte tegen de verterende drang naar een trek. Ze hadden allebei een zware dag achter de rug. Van In duwde slordig een halve sigaret uit in de asbak. Hannelore werd bijna gek toen ze de peuk zag smeulen.
69 Tegen onredelijkheid stond hij machteloos. Het prangende gevoel dat zijn keel werd dichtgeknepen en de woede die door zijn slokdarm raasde, confronteerden hem met een verleden waarvan hij dacht dat het dood en begraven was. Hij sprong op en beende met opeengeklemde kaken naar de keuken.
70 De honderden toeristen hadden genoten van hun trip naar Sicilië. Niemand besteedde aandacht aan de vreemde vogel die op het achterdek naar het kielzog staarde. Aerts had de stuurman vijfhonderd dollar betaald om clandestien te kunnen meereizen. Zijn naam prijkte niet op de passagierslijst.
71 Misschien had ik beter... Eigenlijk weet ik het niet meer, Pieter. Vandaag de dag spreekt iedereen over erfelijkheid en genenonderzoek. De bladen staan er vol van. En je hebt gelijk. Vroeger heb ik er zelf hartelijk om gelachen, maar gisteren stortte die zekerheid als een kaartenhuis ineen.
72 Morgen ging ze met haar vriendinnen paardrijden. De trut had het recht niet haar dat plezier te ontzeggen. Leen deed het licht uit en liep naar beneden. Op de trap trok ze haar jurk uit en ze kwam topless de woonkamer binnen. Hugo had twee kledingstukken moeten prijsgeven.
73 Op het vlak van relaties had hij natuurlijk alleen ervaring met vrouwen, maar in de afgelopen vijfentwintig jaar had hij met vallen en opstaan geleerd dat een vrouw een aantal dingen niet accepteert. Je minnares voor een etentje inviteren en je vrouw laten koken was er een van.
74 De brigadier deed geen moeite om de schrale groet van zijn overste te beantwoorden. Van In ging achter zijn bureau zitten, haalde een pak papier uit een van de laden en begon driftig notities te maken. Normaal gebruikte hij die truc alleen als de oude onverwacht op bezoek kwam.
75 Vandaag was het toevallig een van die uitgelaten dagen. Meer dan vijftig advocaten vierden vrolijk de opening van het nieuwe gerechtelijke jaar. Het bier vloeide rijkelijk en de anekdotes werden met het uur gewaagder. Toen Hannelore binnenkwam, kon ze rekenen op een luidruchtig onthaal.
76 Het regende complimentjes. Die schudde ze van zich af als een bobtail die na een bui de woonkamer binnen komt gestoven. Hannelore bestelde een kop thee, installeerde zich op het zonnige terras, want dat was er ook, en genoot van het romantische uitzicht op de Brugse molens.
77 De najaarswarmte deed haar goed. Ze strekte de benen en sloot even de ogen. Niemand lette op Leo Vanmaele, die haar een paar minuten later vervoegde. Voor hem was het de eerste keer dat hij het heilige der heiligen betrad. De bar was immers niet toegankelijk voor het lagere personeel.
78 In de bloeitijd van de baancafés was dat wel even anders geweest. Toen draaiden die etablissementen de hele dag op volle toeren. Iedere handelsreiziger die zichzelf respecteerde kwam er geregeld zijn verkoopsuccessen vieren met een halve fles mousserende wijn en een meisje op zijn schoot.
79 Voor ze aanbelden, gluurde Van In door het raam naar binnen. In het halfduister ontwaarde hij een rustieke, eikenhouten tapkast, hoge barkrukken en de obligate fauteuils met ingezakte kussens. Er stond ook een glimmende jukebox. Die zag je niet veel meer. Linda zat in de keuken toen de bel rinkelde.
80 Dat kon gezellig worden. Ze slofte naar de achterdeur. Versavel had Van In horen roepen. Hij hield op met bellen en repte zich om de hoek. Van In gebaarde dat hij moest komen. Linda maakte de deur open en liet de heren van de politie binnen. De keuken leek op een slagveld.
81 Van In kalmeerde pas toen hij drie sigaretten had gerookt. Om de vijf minuten riep hij de agenten op die voor de Cleopatra hadden postgevat. Hij besteedde nauwelijks aandacht aan de boodschap die Hannelore had doorgefaxt. Hij moest en zou dat kreng krijgen. Drie kwartier later was het zover.
82 Van In wreef zich vergenoegd in de handen. Het kon hem niet schelen dat ze haar tot in Maldegem hadden achtervolgd en dat het heel wat moeite had gekost om haar klem te rijden. Dat ze een agent tegen de vlakte had gemept, klonk hem zelfs als muziek in de oren. Het maakte haar zaak alleen maar erger.
83 Dit feestmenu was haar manier om hem te bedanken voor de geleverde inspanningen. Hannelore wierp een blik op de keukenklok. Over twintig minuten kwam hij thuis. Ze zette de pan op het vuur en liet de stukjes vlees aanbraden. Daarna voegde ze er de room en de groene peper aan toe.
84 Wisselvallig weer is even onlosmakelijk verbonden met België als frieten en chocolade. De bomen bogen hun kruin alsof deze loze voorbode van een nakende herfst hun bladertooi bedreigde. Hier en daar tekende een flauwe rookpluim boven een geïsoleerde hoeve zich af tegen de gewatteerde hemel.
85 Brys volgde de mode. Hij had het ministeriële kenteken door zijn privénummerplaat laten vervangen, een tactiek die de meeste hoogwaardigheidsbekleders vandaag de dag toepasten. Op die manier vielen de excellenties minder op wanneer ze met honderd tachtig per uur over de autosnelweg scheurden.
86 Provoost trok zijn jas uit en volgde zijn gastheer zwijgend naar de salon. In de open haard knetterden vier blokken eikenhout. De kostbare brandstof deed het vuur zachtjes loeien. Brys stelde zich heel wat gereserveerder op. Meer dan een formele handdruk kon er niet van af.
87 Meester Lodewijk leefde in het verleden. De tijd dat een minister een procureur generaal onder druk kon zetten, was definitief voorbij. De schandalen van het voorbije jaar hadden een onuitwisbare stempel op de justitie gedrukt. Dat kon hij meester Lodewijk natuurlijk niet vertellen.
88 Dat had mijnheer de advocaat nu niet moeten zeggen. Vandaele rochelde als een oude mijnwerker. Daar had de sigaar niets mee te maken. Het waren de zenuwen die hem parten speelden. Dat Aerts het lijk tegen alle afspraken in op zijn grond had begraven, wilde hij door de vingers zien.
89 Linda leek op een natte kangoeroe. Ze begon als een bezetene door haar cel te hossen en uitte de meest afgrijselijke verwensingen. Van In zat veilig aan de andere kant van de deur. Hij rookte de ene sigaret na de andere. Het was slechts een kwestie van tijd voor ze het point of no return bereikte.
90 Dit was de enige nacht die hij kreeg om haar op de knieën te dwingen. Van In stak een sigaret op, opende het luikje en blies een wolk rook naar binnen. Hun blikken kruisten elkaar gedurende enkele seconden. De prikkelende geur van de sigarettenrook deed Linda ontwaken uit haar lethargie.
91 Van In bleef rook in haar cel blazen en glimlachte. Die grijns was de druppel die de emmer deed overlopen. Linda stormde op de deur af, een scherpgepunte vinger in de aanslag. Van In zette een pas achteruit, ging in zijn stoel zitten en luisterde naar het gebonk op de deur.
92 Ze vond het prettig dat Van In haar tutoyeerde. Ondanks de roddels die over de commissaris circuleerden, vond ze hem best een toffe kerel. Van In haalde diep adem. Hij nam niet graag een jonge agente in vertrouwen. Veel keus had hij echter niet. Het was kwart over vier.
93 Haar zelfvertrouwen had een flinke knauw gekregen. De gedwongen onthouding begon zijn tol te eisen en de drankduivel zette meedogenloos zijn laatste offensief in. Als Van In haar nu had verteld dat ze voor zes maanden de gevangenis in ging, had ze hem onvoorwaardelijk geloofd.
94 Het begrip was in de jaren zeventig uitgevonden, toen gijzelingen om de haverklap het televisiescherm teisterden. Psychologen hadden geconstateerd dat bij gijzelingen na verloop van tijd een soort vriendschappelijke band ontstaat tussen de gegijzelden en de gijzelnemers.
95 Het plein baadde in een onaards licht. De open vlakte, bezaaid met smeedijzeren lantaarns, deed hem denken aan een schilderij van Delvaux. Die associatie klonk zo gek nog niet, want vroeger stond hier het station en de naakte vrouw sliep nu haar roes uit in een cel om de hoek.
96 Een koele oostenwind deed hem huiveren. Van In stopte zijn handen diep in zijn zakken en trotseerde met gebogen rug de koude herfstbries. Hij had in zijn leven al menige nacht overwonnen en geleerd dat wie het tot vijf uur uithield niet direct naar huis wilde. Daarom trok hij naar de Eiermarkt.
97 Hij nam een slok. Mario kende zijn stiel. Het drankje verfriste zijn gedachten. Vraag één: hoe zou Hannelore straks op zijn nachtelijke escapade reageren? Vraag twee: in wat voor wespennest was hij verzeild geraakt? Het antwoord op vraag één kreeg hij binnenkort. Vraag twee baarde hem meer zorgen.
98 Lodewijk Vandaele, een van Brugges meest gerespecteerde burgers, had tot in 1986 een luxebordeel gehad, waar het kruim van West Vlaanderen ooit een nummertje had gemaakt. Een dag na de ontdekking van Herbert was William Aerts, een handlanger van Vandaele, met de noorderzon verdwenen.
99 Wat was het eigenlijke doel van de vzw? En welke rol speelde Benedict Vervoort, de makelaar met de allures van een verwaterde maffioso? Van In noteerde die bedenkingen op de achterkant van een bierviltje. Op die manier was hij er zeker van dat hij zich morgen de dag van gisteren zou herinneren.
100 De volksjury, tien miljoen man sterk, pikte het niet langer dat argumenten doorslaggevender waren dan emoties. Niet onterecht trouwens. In het verleden was meermaals gebleken dat die argumenten alleen het belang van de bezittende klasse dienden. Voor de gewone man gold de letter van de wet.
101 Hij stond op en spoelde de ondrinkbare koffie door de gootsteen. Hannelore bekeek het vodje papier. Mannen waren in principe vunzige wezens. Ze wist dat er in de zogenaamde hogere kringen af en toe een paar zwarte schapen werden gesignaleerd, maar dit register wees op een kudde.
102 Dat ze namen had genoemd, was te herstellen. Het publiek lag er niet van wakker dat de hooggeplaatsten in dit land af en toe een scheve schaats reden. Een rechtszaak zat er niet in en de pers hoefde hij evenmin te vrezen. De cliënten van de Love behoorden tot het kruim van de Brugse burgerij.
103 Geen enkele hoofdredacteur zou het in zijn hoofd halen de namen van de betrokkenen in een artikel op te nemen. Vandaag de dag was een schandaal om het schandaal niet meer voldoende om koppen te laten rollen. Zonder bewijzen bleef haar verhaal een gerucht en met geruchten viel te leven.
104 Linda Aerts had klacht ingediend bij de rijkswacht. Ze beschuldigde Van In van mishandeling en van poging tot verkrachting. Omdat Van In er niet was, belde hij Hannelore. Tevergeefs. Substituut Martens was op dit ogenblik onbereikbaar, zei de telefonist met een zeker leedvermaak.
105 Versavel drong niet aan. Hij legde zich neer bij het feit dat iedereen onder de rang van officier bij die diensten altijd en overal wordt afgescheept. Net op het ogenblik dat hij inhaakte, kwam Van In binnen. Hij zag eruit als Perseus die zich op de confrontatie met de Medusa heeft voorbereid.
106 Denk toch eens na, Guido. Onze vriend Vandaele richt samen met enkele intimi een vzw op. Het doel van de vereniging is het steunen van de kansarme medemens. Na de moord op Herbert schenkt Vandaele een bouwvallige boerderij aan de vzw, een gift die hij kan aftrekken van zijn belastingen.
107 Als dat niet stinkt, weet ik het ook niet meer. Jaarlijks besteden ze meer dan twaalf miljoen aan drukwerk, twintig miljoen aan buitenlandse reizen voor kansarmen en een kleine tien miljoen aan de opleiding van minderbegaafden. Dat kan toch geen enkel zinnig mens geloven.
108 Na twee weken gaan we pas echt aan de slag. Een team van specialisten licht de problemen door en stelt passende oplossingen voor. Die worden voorgelegd aan onze cliënten. Na een grondige evaluatie wordt daaruit een strategie gedistilleerd die de reïntegratie van onze cliënten waarborgt.
109 Ilse wierp een vluchtige blik op de sierlijke letters: professor dokter Pieter Vansande, psychiater. Versavel had ook vijftig van die kaartjes op zak. Die hadden ze in het station laten printen. Daar stond een automaat en voor tweehonderd frank kon je het ding alles laten drukken.
110 Die had Van In voor een paar uur geleend, met de bedoeling bij het bezoek aan de Zorghe een beetje geloofwaardig over te komen. Van In liet de koppeling langzaam los en gaf slordig gas. De nerveuze Italiaan reageerde navenant. De Alfa liet zijn concurrenten ver achter zich.
111 De tafel was gedekt. Het glaswerk schitterde en het linnen geurde naar een bekend wasmiddel. Toch hing er een zekere spanning in de lucht. Die werd gevisualiseerd toen Hannelore de voordeur dichtklapte. De obligate kaars trilde in de fles, de vlam flakkerde onheilspellend.
112 Maar vanavond was ze moe en prikkelbaar. Ze sprong op. De opspattende wijn had haar jurk bevlekt. Ze liep naar de gootsteen en maakte een handdoek nat onder de kraan. Van In bleef een paar seconden stokstijf zitten. Tot zijn grote verwondering voelde hij de furie wegebben.
113 Tot zijn trouwste klanten behoorde Lodewijk Vandaele. Brouwers kende de oude aannemer als een man die altijd kreeg wat hij wilde en daarvoor geen enkel middel schuwde. Hij parkeerde zijn roestige Renault langs een zijweg van de Damse Vaart en legde de laatste driehonderd meter te voet af.
114 Nog voor het geklingel was uitgestorven, maakte Virginie, de pensioengerechtigde huishoudster van Vandaele, de deur open. Dat was geen geringe prestatie voor een besje dat kromliep van de reuma. Ze verwelkomde de late gast met een tandeloze glimlach en zei dat mijnheer hem in de veranda verwachtte.
115 De bezuinigingen die het stadsbestuur vorig jaar had doorgevoerd, eisten ook hier hun tol. Het onderhoud van het gebouw was tot een minimum herleid. Alleen de lokalen waar het publiek over de vloer kwam, werden nog regelmatig schoongemaakt. Niet dat het Van In wat kon schelen.
116 Persoonlijk vond hij dat de vuile waas op de ruiten hun kantoor een zekere privacy verleende. Van buitenaf was het zo immers niet meer te zien of hier gewerkt werd of niet. Zoals gewoonlijk zette Versavel de koffie. Van In lag lui in zijn stoel, met zijn voeten op het bureau.
117 Maar Morpheus had hem slechts enkele uren vergetelheid gegund. Om halfvier was hij badend in zijn eigen zweet wakker geschrokken. De rest van de nacht had hij liggen woelen en piekeren. De aanklacht van Linda Aerts hing als het zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Het zwaard was er ook echt.
118 In tegenstelling tot wat bij veel andere restauraties het geval is, had Provoost kosten noch moeite gespaard om het ouderlijk huis in zijn oude glorie te herstellen. Behalve de professioneel afgeborstelde gevel had hij ook de binnenkant grondig laten opknappen en aankleden.
119 Yves Provoost had juffrouw Calmeyn van zijn vader geërfd, net als de rest van het meubilair. Eudoxie Calmeyn had er veertig jaar trouwe dienst op zitten. Normaal ging ze over zes maanden met pensioen. Ze was een vrouw van de oude stempel: plichtsbewust, efficiënt en loyaal.
120 Van In bestudeerde haar vioolachtige contouren. Juffrouw Calmeyn droeg een grijze rok, die tot halverwege haar kuiten reikte, een ondoorschijnende witte blouse en dikke, vleeskleurige nylons. Haar platte nonnenschoenen maakten een naargeestig geluid in de hoge, smalle ruimte.
121 Hannelore wees naar een futuristisch gestylede sofa. Die werd bijna aan het zicht onttrokken door een bos kamerplanten. Tussen het groen van de ficussen en de varens zag Van In twee voeten uitsteken. Om de enkels zaten stalen handboeien van het soort dat door de politie wordt gebruikt.
122 Dat lukte amper. Nu Van In er was, oefende het lijk een morbide aantrekkingskracht op haar uit. Aan de universiteit had ze ooit een lijkschouwing bijgewoond. Toen was ze gebleven om haar mannelijke medestudenten geen excuus te verschaffen haar de rest van het jaar uit te lachen.
123 Of gebruikte ze haar bevoegdheid als een excuus om te voldoen aan wat ze zelf als ziekelijke nieuwsgierigheid ervoer? Zo constateerde ze onwillekeurig dat het begrip rigor mortis niet op alle mannelijke lichaamsdelen van toepassing is. Van gehangenen werd nochtans gezegd dat.
124 Provoost was dikker dan zijn dure maatpakken lieten vermoeden. Zelfs nu hij neerlag, stak zijn buikje nog boven zijn borstkas uit, wat bewees dat de dode advocaat zich nooit aan fitnessapparaten had uitgesloofd. Hannelore mocht er niet aan denken dat Van In er vroeger zelf zo had uitgezien.
125 Van In scharrelde in een hoop verfomfaaide kleren. Die lagen uit het zicht tussen een gitzwarte archiefkast en een terracottapot, waarin een reusachtige cactus weerbarstig zijn onnatuurlijke biotoop trotseerde. Van In raapte een van de kledingstukken op. Provoost had duidelijk smaak.
126 Zonder dat sjaaltje was zijn stijlvolle outfit immers niet compleet. Lag het aan de scheve leuning van de postmoderne sofa of maakte de overledene een laatste stuiptrekking? De klap waarmee de benen van Provoost op de grond bonkten, was akelig om te horen en trok het lichaam op zijn zij.
127 Hannelore slaakte een gilletje. Ze klampte zich vast aan Van In. Haar lichaam gloeide. Van In keek over haar schouder naar Provoost, die in een groteske houding half uit de sofa hing. Hannelore kneep hem bijna fijn, zo hard drukte ze zich tegen hem aan. Het was een eigenaardig gevoel.
128 Net als ieder mannetjesdier voelde Van In de behoefte zijn terrein duidelijk af te bakenen. Om alle twijfels weg te nemen, nam hij haar hand vast. Dat gebaar was voldoende om De Jaegher op zijn plichten te wijzen. De wetsdokter verontschuldigde zich en ging aan de slag.
129 Op die manier probeerde De Jaegher het tijdstip te bepalen waarop het slachtoffer was overleden. De betrouwbaarheid van deze methode is afhankelijk van een aantal parameters en het resultaat van de meting moet door een specialist geïnterpreteerd worden. In dit geval ging het om een schoolvoorbeeld.
130 Zelfs De Jaegher moest in staat zijn een behoorlijk accurate diagnose te stellen. Volgens Van In kon Provoost niet langer dan twaalf uur dood zijn. Leo maakte een foto van de geboeide handen. Daarna riep De Jaegher de hulp in van de mannen van de technische recherche om de handboeien te verwijderen.
131 Voor hem waren de sfeer op de plaats van de misdaad en de reacties van de betrokkenen belangrijker dan het geknoei met de fingerprintspray en het systematisch schoonzuigen van het tatort. Materiële bewijzen waren noodzakelijk om een dader die weigerde te bekennen te laten veroordelen.
132 De Jaegher zocht zijn spullen bij elkaar. Van In vond het hypocriet hem de hand te drukken en liep dus stilletjes de kamer uit. Het werd tijd dat hij de rest van het huis verkende. In de gang leidde een steile trap naar de eerste verdieping. Die interesseerde hem meer. Hij liep naar boven.
133 Voor een schets van een stapel beurs fruit op een porseleinen schaal werd al gauw honderdduizend frank neergeteld. Op de overloop, die twee keer zo groot was als zijn eigen slaapkamer, pronkte een overdadig versierd Hollands spiegelkabinet, een meubel dat eigenlijk in een museum thuishoorde.
134 De eerste verdieping telde twee ruime slaapkamers en een badkamer in Engelse stijl met veel mahoniehout en andere onpraktische faciliteiten. De kamer aan de straatkant fungeerde duidelijk als logeerkamer. Het rook er muf. De lakens op het strak opgemaakte bed oogden een beetje vergeeld.
135 Ze bewezen in ieder geval dat Provoost interesse had voor beide seksen. Aan de hand van wat hij zag, probeerde Van In zich een beeld te vormen van de man die beneden op de sofa lag. Yves Provoost was een gerespecteerde advocaat die zijn klanten voornamelijk dankte aan de faam van zijn voorvaderen.
136 Samen met de naam had hij eveneens een omvangrijk familiefortuin verworven. Zelfs zonder diploma had hij er een flamboyante levensstijl op na kunnen houden. Van In onderwierp de kamer aan een nauwkeurig onderzoek. In de kleerkast hingen diverse pakken, alle van onberispelijke kwaliteit.
137 Van In schrok hevig. Hij draaide zich om en probeerde onschuldig te glimlachen. De secretaresse van wijlen Yves Provoost liet zich daardoor niet vermurwen. Ze keek hem dreigend aan. In haar blik sluimerde het vuur van een tropische storm. Hannelore bleef op de achtergrond.
138 Binnen de bank was hij behoorlijk onschendbaar. Indien Verhelst zich echter met internationale transacties ging bemoeien, nam hij een niet te onderschatten risico. Bovendien was de kans relatief klein dat de mensen van de Romeinse bank op zijn verzoek om informatie zouden ingaan.
139 In de tweede lade ligt een torenhoge stapel van die dingen, allemaal netjes opgevouwen. Iemand die een knevel nodig heeft, loopt niet naar de slaapkamer om daar heel gedisciplineerd en zonder rommel te maken een zijden sjaaltje van de stapel weg te grissen. Nee, dat lijkt me te vergezocht.
140 De zestien miljoen stond nog altijd op de rekening van Aerts in Rome. Brouwers probeerde in de huid van zijn prooi te kruipen. Aerts was een listig heerschap, had Vandaele gezegd. Er moest bijgevolg een verband bestaan tussen de stad Rome en de schuilplaats van de voortvluchtige.
141 Ze denken dat de oplossing van een probleem recht evenredig is met de complexiteit ervan. Niets is minder waar. Complexiteit is niets anders dan een verzameling van eenvoudige elementen. Jos Brouwers wist dat een correcte analyse van een probleem meestal de helft van de oplossing ervan vormde.
142 Dat dankte hij aan de wiskundeknobbel die hij van zijn vader had geërfd. Brouwers senior had zijn hele loopbaan als lagere bediende voor een bank gewerkt. Niemand had hem ooit een rekenmachine zien gebruiken. Zijn ultieme droom was dat zijn zoon ooit burgerlijk ingenieur zou worden.
143 Jos Brouwers zag zich genoodzaakt zijn studies te onderbreken. Hij solliciteerde bij de rijkswacht, onderging de harde opleiding en onderwierp zich aan de vernederingen en de willekeur van zijn oversten. Gedurende meer dan tien jaar had hij zijn loon afgestaan aan zijn moeder.
144 Toen ze eenmaal hun diploma op zak hadden, lieten ze hem links liggen. Ze waren beschaamd dat hun oudste broer slechts rijkswachter was geworden. Maar ieder drama heeft zijn keerpunt. De Grieken noemen het de catharsis. Brouwers zelf prefereerde het moderner klinkende woord turning point.
145 Voor de onderdelen rijkdom en vrijheid was hij cum laude geslaagd. Prestige en invloed genoot hij in welbepaalde kringen, en daar nam hij genoegen mee. Brouwers nam een passer, ging na wat de schaal was van de kaart en trok een cirkel met een straal van vijfhonderd kilometer om Rome.
146 Hoofdcommissaris De Kee belde om het halfuur. Hij eiste dat Van In zich onmiddellijk zou melden zodra hij kwam opdagen. Versavel deed zijn best. Hij had iedereen gebeld. Juffrouw Calmeyn verzekerde hem dat de commissaris en mevrouw de procureur al meer dan een uur geleden waren vertrokken.
147 Als hij geen sporen wil nalaten, is hij verplicht het geld persoonlijk af te halen. Daarom heeft hij een half miljoen cash opgevraagd. Dat geld heeft hij nodig om te overleven tijdens de afkoelingsperiode. Aerts rekent erop dat het gerecht hem over een paar maanden vergeten is.
148 Bij het op een na laatste reisagentschap had hij geluk gehad. Brouwers had zijn smoes met veel verve gebracht. Zijn schoonbroer William Aerts had hem een appartementenhotel op Malta aanbevolen. Dat adres was jammer genoeg zoek geraakt en zijn zwager was momenteel onbereikbaar.
149 Volgens het reisagentschap dateerde zijn eerste reis naar Malta van 1988. De rekening bij de Banco Condottiere heeft hij een jaar later geopend. Volgens mij heeft Aerts zijn vlucht al een hele tijd voorbereid. Het zou me niet verwonderen dat hij op Malta iemand heeft leren kennen.
150 Na een lange, warme zomer droeg september de belofte van een vroege winter in zich. Daarom sloeg Van In de richting van de kust in. Met een beetje geluk vonden ze daar nog wat zon. De hele rit zei Versavel geen woord. Hij staarde voor zich uit alsof ze naar het eind van de wereld reden.
151 Van een grijze herfstlucht was daar niets te merken. De badplaats pronkte onder een azuurblauwe hemel. Op de dijk woei een aangename zeebries. De mensen leken hier vriendelijker dan in het bestofte Brugge. De lucht was er zuiver en het ruisen van de zee liet zelfs Versavel niet onberoerd.
152 Een garnaalschuit voer de haven binnen, met in zijn zog een zwerm schreeuwende meeuwen. Voorbij het gebouw van de reddingsdiensten sloegen ze linksaf in de richting van het Oosterstaketsel. Aan het eind van de pier stond een houten loods die als café restaurant fungeerde.
153 Het terras zat stampvol. Tientallen wandelaars waren er neergestreken en genoten van de late herfstzon. Van In bemachtigde in extremis een tafeltje omdat vier kakelende Duitsers het maar niet eens werden over de prijs van de sangria. Daar profiteerde hij ongegeneerd van.
154 Samen overliepen ze de namen. De magistraten kwamen niet in aanmerking. Restten een tiental politici, een ex kolonel van de rijkswacht, vier industriëlen, een geestelijke, twee hoge functionarissen van Financiën, Vervoort en De Jaegher. Van In wist dat de lijst verre van volledig was.
155 De man die ze in de Sint Jacobsstraat had aangesproken, bood haar vijfduizend frank aan als ze voor een uurtje met hem mee wilde gaan. Dat bewees dat haar metamorfose geslaagd was. Carine bekeek zich in het spiegelglas van een etalage. Ze vond van zichzelf dat ze er behoorlijk sexy uitzag.
156 Die leken onnatuurlijk groot achter de bolle glazen van een dure designbril. Zijn hoge voorhoofd typeerde hem als een echte bureaucraat. Vroeger stond die premature kaalheid symbool voor een zekere wijsheid. Nu wist men wel beter. Mannen waren kaal omdat hun vader dat ook was geweest.
157 Het was een beproefde tactiek die bijna altijd werkte. In Vlaanderen was eten en drinken de goedkoopste vorm van corruptie. Van In herkende het patroon. Hij dacht aan Linda Aerts. Hij begreep waarom ze onderuit was gegaan. Een nacht in een politiecel was een griezelige ervaring.
158 Vanmaele nestelde zich in een van de nieuwe, verstelbare bureaustoelen. Hij vond het prettig de hoogte van de stoel te regelen wanneer hij er al in zat. Daar kreeg hij kriebelingen in zijn buik van, net als op de kermis. Maar zelfs op de laagste stand raakten zijn voeten amper de vloer.
159 Onlangs had hij op de televisie een film gezien waarin een gevangene op een bed met springveren werd vastgemaakt. Een man in een doktersjas overgoot de sukkelaar met water en bewerkte hem daarna met elektroden. Op de achtergrond klonk muziek van Schubert. Van In dacht onwillekeurig aan Linda Aerts.
160 Een paar seconden later rolde een donderslag over de daken. Midden op de dag werd het plotseling nacht. Myriaden wolken verduisterden de stad. Het aangekondigde onweer brak in volle hevigheid los. De regen viel met bakken uit de lucht. Versavel schoot naar het raam en klapte het dicht.
161 Het toestel taxiede over het hobbelige tarmac en parkeerde op honderd vijftig meter van het moderne luchthavengebouw. Jos Brouwers wachtte tot de lading op zon beluste toeristen was uitgestapt. Een oververmoeide stewardess maande hem tot spoed aan. Brouwers reageerde knorrig.
162 Het was niet de eerste keer dat hij een vliegtuig nam. Ze hoefde niet iedere passagier over dezelfde kam te scheren. De eerste hitte overviel hem als een droog saunabad. Niet voor lang echter. Na twee minuten stroomde het zweet in dunne beekjes tussen zijn schouderbladen.
163 Daar kon zelfs een warme bries niets aan verhelpen. De douaneformaliteiten verliepen vlot. Het eiland schreeuwde immers om toeristen. Het duurde amper een kwartier voor de bende ongeduldige vakantiegangers in kleurige busjes werd afgevoerd. Brouwers liep door de koele hal.
164 De bediende van het autoverhuurbedrijf compenseerde het gebrek aan ruimte met een brede glimlach. Brouwers koos voor een compacte Suzuki. Toen hij daarmee wegreed, wuifde de vriendelijke Avis bediende hem uit. Brouwers had in een gidsje gelezen dat Maltezers dol waren op cash.
165 De tweebaansweg was breed en de bewegwijzering was voortreffelijk voor een mediterraan gebied. Daarna ging het een stuk moeizamer. Het stratenpatroon van Valletta was chaotisch en het verkeer kon je het best vergelijken met dat van Athene. Brouwers had in België een plattegrond van de stad gekocht.
166 Die had hij thuis grondig bestudeerd. Dat bleek verloren moeite, want hij raakte binnen de korste tijd toch in de knoei. Vooral het links rijden speelde hem parten. Gelukkig reageerden de autochtonen hoffelijk wanneer hij een bocht te ruim nam of te veel naar rechts uitweek.
167 Jonathan Brooks had met tegenzin de gouden handdruk geaccepteerd die de regering van Hare Majesteit hem had aangeboden. Zes maanden na het incident had hij zich als privé detective in Valletta gevestigd. Die keuze was niet toevallig. Malta maakte tot voor kort nog deel uit van het Gemenebest.
168 Carine was bekaf en verkleumd toen ze het domein opreed. Ilse Vanquathem bekeek Carine vanachter het raam van haar kantoor. Vrouwen in nood vonden steeds vlugger de weg naar de Zorghe en dat scheelde een pak op haar jaarlijkse bonus. Deze keer had de Voorzienigheid haar een prachtexemplaar gestuurd.
169 Het beeld van een mongooltje spookte ook al achtenveertig uur ononderbroken door zijn hoofd. Natuurlijk had hij moeten bellen, maar toen Versavel na hun bezoek aan de familie Vermast in elkaar was gestort, had hij zijn vriend naar huis gebracht en ze waren tot diep in de nacht blijven praten.
170 Een fleurig opgetuigd koetsje scheerde rakelings voorbij de landrover. Een stel van middelbare leeftijd wuifde enthousiast naar de roekeloze automobilist zoals alleen toeristen dat kunnen. De koetsier dreunde plichtsgetrouw zijn lesje af, maar daar had het paar geen oren naar.
171 Dat scheelde minstens tien graden. Beide mannen liepen onder de grote toegangspoort door. De stad was omringd met hoge vestingmuren die de mediterrane hitte opslorpten als oude woestijncactussen. In de gedempte slotgracht speelden diepgebruinde tieners een flitsend spelletje voetbal.
172 Hij zag eruit als een tevreden herenboer die zijn schaapjes al jaren op het droge heeft. Toen Brouwers hem in het West Vlaams uitlegde dat hij een landgenoot zocht, nodigde Plets hen met een gastvrij gebaar uit binnen te komen. Brooks wist dat de Vlaming met een Maltese was gehuwd.
173 Ze hadden elkaar twintig jaar geleden leren kennen op een juwelenbeurs in Milaan. Plets was destijds inkoper voor een befaamd Antwerpse bijoutier geweest. Zijn toekomstige verloofde leidde de Maltese delegatie en presenteerde er voor de eerste keer een exquise collectie zelfontworpen juwelen.
174 Na zestien maanden van schriftelijke en telefonische hofmakerij hadden ze elkaar in de winter van 1979 eeuwige trouw beloofd. Nu controleerden ze een vijftiental juwelierszaken op het eiland. Het snelgroeiende toerisme had het ondernemende echtpaar geen windeieren gelegd.
175 Zijn vrouw zorgde ondertussen voor de refreshments. Jane zette een dienblad neer op de tafel en liet als een voorbeeldige gastvrouw de rest aan haar man over. Ze zag er erg lief uit in haar lange, kobaltkleurige jurk, die heel subtiel een aantal overtollige rondingen camoufleerde.
176 Haar grijze ogen keken verstandig en de prachtige juwelen waarmee ze zich had getooid, rinkelden bij de minste beweging. Plets haalde een beslagen fles witte wijn uit de ijsemmer en bediende zijn gasten. Brooks leunde lui achterover en proefde van de voortreffelijke wijn.
177 Plets reageerde eveneens verstoord. Hij antwoordde niet, maar hief zijn glas. Secondelang keek hij door de parelende wijn naar de diepblauwe hemel. Het caleidoscopische effect van de dansende kleuren leek hem meer in beslag te nemen dan de vraag die zijn gast hem had gesteld.
178 Baert reageerde als een parkinsonpatiënt. Hij wilde iets doen wat maar niet wilde lukken. Toen hij er eindelijk in slaagde uit zijn stoel te komen, vloog de deur met een klap open. Van In dacht even dat hij op een filmset was aanbeland waar de regisseur net cut geschreeuwd heeft.
179 Tot overmaat van ramp was de deur tussen de receptie en de hal van geperst karton. Een flinke peuter kon die met gemak forceren. En als dat niet lukte, kon hij eerst een riotgun uit de wapenkamer halen, want die bevond zich naast de receptie en buiten de beveiligde zone.
180 Dat alles dacht Van In, toen hij langs de geklasseerde gevel van het aanpalende Pandreitje liep. Het oude gevangenisgebouw was vijf jaar geleden gesloopt en het braakliggende terrein was na een eindeloos politiek gekrakeel in een troosteloos parkeerterrein getransformeerd.
181 De geïmproviseerde ingreep had het uitzicht van het park geen goed gedaan. De vroede vaderen hadden net zo goed een elektriciteitscentrale op de Burg kunnen neerpoten. Deze disharmonie tussen natuur en commercie bood echter ook een voordeel: toeristen meden de plek als de pest.
182 Het ging er gemoedelijk aan toe. Van In vond het prettig om even tussen echte mensen te verpozen. Een spastische jongeman begroette hem met een brede grijns. Zijn gezicht zat onder de chocoladesaus en daar genoot hij zichtbaar van. Van In koos een tafel in de hoek van het terras.
183 Het valt niet te achterhalen waar die dingen vandaan komen. Ze vormen alleen het bewijs dat Herbert een transseksueel was en dat werpt een nieuw licht op de zaak. Tot gisteren namen we aan dat Herbert een man was. Zijn relatie met de orgieën in de Love leek onduidelijk.
184 Een vermoorde man hoorde in dat schema niet thuis. Voor de zoveelste keer moest hij toegeven dat er met de intuïtie van Van In niet te spotten viel. De commissaris had van in den beginne het juiste spoor gevolgd. De moord op Herbert stond rechtstreeks in verband met de fuiven in de Love.
185 Dat beviel hem niet. Hij eiste stampvoetend een tweede ijsje. Betaalde naastenliefde was duidelijk een ersatzoplossing. Toch bewonderde Van In het geduld waarmee de hulpverleners met de jongeren omgingen. Als hij gelovig was geweest, had hij nu een gebed gezegd en God om een gezonde baby gesmeekt.
186 Dokter De Jaegher was een goede vriend die af en toe een scheve schaats reed. Op zich was dat geen drama. De meeste mannen gingen wel eens vreemd. Vervelend was wel dat de naam van de dokter op de lijst prijkte die Van In op een ongeoorloofde manier had verkregen. De Kee stond voor een dilemma.
187 Dat wilde De Kee niet. Niemand hoefde nu nog te weten dat hij tien jaar geleden een jonge agente zwanger had gemaakt en dat De Jaegher de vrucht van die kortstondige lust vakkundig had verwijderd. Van In wachtte achter de deur tot de grote klok in de gang elf uur aanwees.
188 Alles stond of hing weer netjes op zijn plaats: het ingelijste universitaire diploma, de foto van De Kee met de koning, het kunstwerkje dat De Kee van de Belgische voetbalbond cadeau had gekregen, een ets van het stadhuis en het baseballpetje met het logo van de American Police Federation.
189 Mijn eerste bekommernis gaat uit naar het welzijn van mijn manschappen. Daarom vond ik het mijn plicht een aantal delicate knelpunten met je te bespreken. Maar nu onze strategieën op elkaar afgestemd zijn, kijk ik met spanning uit naar de ontknoping van beide zaken. Gerechtigheid moet geschieden.
190 Heb me om tien uur bij Ilse aangemeld. Ze was zeer enthousiast, vroeg of ik eerst een cameratest wilde ondergaan, voor we vanavond echt aan de slag konden. Ze vond dat ik een heel mooi lichaam had en dat ik niet per se naakt hoefde te poseren. Ilse leidde me naar een heuse studio.
191 Hij mat de tijd in seconden, reeg die aaneen tot minuten en vervloekte de kleine wijzer van zijn polshorloge, die als een immobiele menhir de wetten van de mechanica trotseerde. William had twee dagen in een euforie geleefd, twee dagen die niet langer dan een nanoseconde hadden geduurd.
192 De Engelsman verkeerde in een opperbeste stemming. Hij had de nacht immers doorgebracht met zijn vriendin Penelope. Brouwers had haar gisteren ontmoet in de lounge van het King George Hotel. Vanaf dat moment wist hij waarom Brooks per se op het eiland wilde overnachten.
193 Amand had beloofd hem op de hoogte te houden. Waar bleef hij godverdomme? Aerts dronk zijn glas in een teug leeg. Waarom had Vandaele een huurmoordenaar op hem afgestuurd, vroeg hij zich wanhopig af. Waarschijnlijk had Provoost zijn mond voorbij gepraat toen het lijk was opgegraven.
194 Hij nam de fles en schonk zich een tweede borrel in. Hij probeerde helder na te denken. Als Vandaele een doodvonnis had uitgesproken, had vluchten geen zin meer. Brouwers zou hem vroeg of laat toch te pakken krijgen. In het milieu werd de ex rijkswachter niet voor niets de pitbull genoemd.
195 Toen ik hem de foto van Aerts toonde, sprak hij plotseling over Vlamingen. Hij vroeg evenmin waarom we Aerts zochten. Merkwaardig voor een man die zelden landgenoten op bezoek krijgt. Secundo: vanaf het moment dat Amand wist waarom we hier waren, liet hij de bediening aan een ober over.
196 Lodewijk Vandaele verwierf het goed voor een appel en een ei en maakte er een discreet bordeel van. Bij gebrek aan inspiratie doopte hij zijn tent Cleopatra. Linda Aerts had ooit in schoonheid kunnen wedijveren met de gelijknamige Egyptische prinses. Nu leek ze op een opgeblazen mummie.
197 Overvolle asbakken bevuilden de lucht met microscopisch kleine partikels. De kattenbak was in weken niet ververst en verspreidde een pregnante geur die haar de keel dichtsnoerde. Hannelore dacht aan de lessen prenatale gymnastiek en probeerde oppervlakkig adem te halen.
198 Ze maakte een onhandige beweging. Het ging allemaal razendsnel. Plotseling stond haar nylon kamerjas in lichterlaaie. Ze sprong op als een impala die de geur van een naderende leeuw heeft opgesnoven. Hannelore daarentegen bleef verbouwereerd zitten. Linda sloeg als een bezetene om zich heen.
199 Het is merkwaardig hoe traag toeschouwers soms op een noodsituatie reageren. Het kostte Hannelore een flinke dosis wilskracht om die verlammende betovering te doorbreken. Ze veerde op, vulde een vuile pan met water en bluste de brand. Van In zou lachen wanneer zij hem straks het verhaal vertelde.
200 Daaronder droeg ze een minuscuul slipje dat als een witte driehoek tussen de vetplooien opbolde. Een van haar dijen was ernstig verbrand. Op die plaats vormden zich brandblaren. Een strook huid van tien bij twintig centimeter leek op een slordig aangebrachte strook behangselpapier.
201 Linda wees naar boven. In de kuip van de douche lag een stapel stinkend wasgoed. Hannelore schopte het vuile linnen opzij en duwde Linda naar binnen. Daarna besproeide ze de brandwonde met ijskoud water. Linda gilde hartverscheurend, maar daar trok Hannelore zich niets van aan.
202 Ze had al haar kracht nodig om haar patiënt in bedwang te houden. Tien minuten later was ze bijna even doorweekt als Linda, die voortdurend schreeuwde dat het genoeg was. Ze stopte pas met krijsen toen Hannelore de kraan dichtdraaide. De badkamer stond half onder water.
203 De rijzende zon kleurde de oude stad met de tinten van het palet van een impressionistisch schilder in. William Aerts negeerde het idyllische schouwspel en stuurde de opgefokte Toyota over de steile helling in de richting van Valletta. Gisteren was Brouwers onverrichter zake vertrokken.
204 Pas toen hij vanmorgen in Het Laatste Nieuws het uitgebreide verslag over de moord op Yves Provoost had gelezen (de krant bereikte het eiland met enkele dagen vertraging), nam hij het drieste besluit terug te keren naar België. Dat was volgens hem de enige manier om zijn hachje te redden.
205 Volgens het strafwetboek kan een verdachte pas tot een gevangenisstraf veroordeeld worden als hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet hij bijvoorbeeld geestelijk gezond zijn. Deze regel wordt door vele advocaten handig aangegrepen om hun cliënten uit de gevangenis te houden.
206 Zonder uitstel van betaling was hij ongetwijfeld failliet gegaan. Vandaele had een minnelijke schikking voorgesteld op voorwaarde dat hij het lijk zou begraven. In normale omstandigheden zou de rechtbank die argumentatie volgen en eerder geneigd zijn de opdrachtgever aan te pakken dan de loopjongen.
207 Hij beperkte zich tot koffie en twee sigaretten. De boterhammen met kwark, die Hannelore vanmorgen voor hem had ingepakt, lagen ongeopend in de papiermand. De koffie was slap en de sigaretten deden hem hoesten. De toekomst zag er somber uit. Hij zat met twee moordzaken opgezadeld.
208 En dan was er nog Baert, die hem de hele voormiddag op de zenuwen had gewerkt met ellenlange uiteenzettingen over misdaadanalyse. Wat hem echter het meest verontrustte, was het verbod van De Kee om bij de ondervraging van Linda Aerts aanwezig te zijn en de onwettige afwezigheid van Carine Neels.
209 Van In overwoog twee mogelijkheden. Hij kon zich bezatten of een kijkje gaan nemen bij zijn undercoveragente. De grote klok in de kantine vrat de minuten langzaam op. Het was pas halfeen. Nog vier uur in het gezelschap van Baert doorbrengen leek Van In een onmogelijke opdracht.
210 De verbinding Steenstraat Wollestraat was intact gebleven, maar parkeren was er ten strengste verboden. Een jonge agent gebaarde dat Hannelore moest doorrijden, een bevel dat ze ostentatief negeerde. Aan het frietkraam bestudeerde een Frans echtpaar van middelbare leeftijd luidkakelend de menukaart.
211 Naast hen waren een paar Japanners neergestreken en die fungeerden als lokvogels voor de rest van de groep. Binnen de tien seconden zaten Van In en Hannelore midden in een roedel kwebbelende Aziaten. Gelukkig verstonden de gele broeders de onzin niet die Hannelore uitkraamde.
212 Een laag muurtje met dito hek vormde een symbolische afsluiting tussen een keurig onderhouden voortuin en het trottoir. Hannelore parkeerde de Twingo in de berm naast het kanaal. Het lawaai van een afwateringssluis een eind verderop leek op het geraas van een Ardense cascade.
213 Door de glas in loodramen konden zij hem niet zien, als ze hun neus tenminste niet tegen het glas aandrukten. Voor alle zekerheid sloop meester Buffel voorzichtig naar de gang. Hij was argwanend geworden sinds hij vorig jaar door een stel mooipraters voor vijftigduizend frank was opgelicht.
214 Hoewel er geen sprake meer was van seksueel contact, probeerde de pedofiel zijn volwassen vriend psychisch toch aan zich te binden. Dat verschafte hem twee bronnen van genot. Als zijn pupil huwde, voelde de pedofiel zich superieur aan de echtgenote, die hij als een tweede keus beschouwde.
215 Tijdens de vakantie konden de kinderen twee keer in de week op de school terecht voor een spelnamiddag. Dat kwam goed uit voor de ouders en bovendien beschikte de school over een grote tuin. Eigenlijk was het een soort van wildernis waar de jongens naar hartenlust konden stoeien.
216 De moordenaar van Provoost had zichzelf verraden door het ritueel te herhalen dat hij als kind had ondergaan. Het getuigenis van Buffel was authentiek. Geen enkele krant had immers vermeld hoe Provoost was vermoord. Ze hoefden alleen nog Dirk of Dani Desmedt op te sporen en ze hadden de moordenaar.
217 De drank daarentegen, twee flessen witte wijn en drie Duvels, eiste nu zijn tol. Het gezoem van de wekker activeerde een ploeg koppige bouwvakkers die met voorhamers de binnenkant van zijn schedel bewerkten. Hannelore duwde hem uit het bed en draaide zich op haar andere zij.
218 Vannacht had Van In haar in een romantische bui een ontbijt op bed beloofd en dat was ze niet vergeten. Als een kreupele hond stuntelde Van In de trap af. In de keuken gooide hij twee bruistabletten in een glas water en stopte hij een paar sneetjes brood in de broodrooster.
219 Hij zag er belachelijk uit in een pyjama waarvan de broek ontbrak. Om zijn heupen floreerden de pondjes weer als champignons na een zwoele regenbui. Zelfs met een stuk in de kraag en een hoofd dat smeekte om afgehakt te worden, vond hij dat erg. De broodrooster kwam net als Van In moeilijk op gang.
220 Het duurde ruim vijf seconden voor Van In de draagwijdte van die boodschap kon inschatten. In de keuken bleef het mechanisme van de broodrooster haperen. De geur van verschroeide toast verspreidde zich door het huis. Van In spoelde de band terug en luisterde opnieuw naar de noodoproep.
221 De kans dat je in een wriemelende massa een bekend gezicht herkent, is tamelijk klein. Hij schrok dan ook toen hij aan de balie van Air Malta Brouwers een geanimeerd gesprek zag voeren met een volslanke stewardess. Er moest iets misgelopen zijn bij Amand waardoor de oude vos lont geroken had.
222 Aerts raakte niet in paniek, maar zocht koortsachtig naar een oplossing. Hij kocht een krant en ging naast twee rugzaktoeristen op de grond zitten. Vanuit die positie hield hij Brouwers scherp in het oog. Het meisje achter de balie tikte de gegevens in die Brouwers haar verstrekte.
223 Aerts zag haar knikken. Waarschijnlijk verscheen op dat moment zijn naam op het scherm. Toen het meisje Brouwers vijf minuten later een ticket overhandigde, wist hij dat zijn vermoeden klopte. Straks zaten ze samen in hetzelfde toestel. Een andere vlucht nemen leek zinloos.
224 Als hij een andere ontsnappingsroute verzon, verhoogde hij de kans dat de exrijkswachter hem zou isoleren en afmaken. Op een vliegtuig was Aerts relatief veilig en in Zaventem zou hij zich onmiddellijk aanmelden bij de luchthavenbrigade, een plan waarvan Brouwers niet op de hoogte was.
225 Het duurde nog een halfuur voor ze inscheepten en dat was ruim voldoende voor een practical joke. Aerts stond op en liep doodgemoedereerd naar de dichtstbijzijnde telefooncel. Via de internationale inlichtingendienst informeerde hij naar het nummer van de rijkswacht in Zaventem.
226 De man moest zogezegd wegens dringende zaken in Malta blijven. Aerts was natuurlijk niet op dat voorstel ingegaan, maar hij vond het toch verdacht dat diezelfde zakenman later dan toch een ticket had gekocht. Aerts gaf Dupain het vluchtnummer en een korte beschrijving van Brouwers.
227 Haar mond was kurkdroog. Ze wilde opstaan. Toen dat niet lukte, bukte ze zich voorover. Haar armen werden gehinderd door een rinkelende ketting. Paniek is een redeloos monster dat je plotseling overvalt. Carine rukte aan haar boeien en probeerde zich wanhopig los te rukken.
228 Maar wat kan jou dat schelen? Je zit in de nesten en met de twintigduizend frank die je vanavond verdient, kan je een deel van je schulden afbetalen of jezelf eens lekker laten verwennen, voegde ze er met een knipoog aan toe. De vzw probeert mensen in moeilijkheden te helpen.
229 Een mooie meid als jij hoeft haar geld niet met schoonmaken te verdienen. Wij, van de vzw, gaan ervan uit dat de gemakkelijkste weg om je doel te bereiken de beste is. Carine was eerst van plan geweest bij Van In verslag uit te brengen en hem te vertellen dat in de Zorghe niets aan de hand was.
230 Die beslissing had Carine zich nu al duizend keer beklaagd. De fotograaf die gisteren discreet op de achtergrond was gebleven, had haar nu geboeid en geblinddoekt. Daarna waren de anderen gekomen. Carine had geschreeuwd toen ze voor de eerste keer werd opengescheurd. Daarna ging het makkelijker.
231 Na een tijdje voelde ze niets meer. Er was alleen het gehijg van pompende lijven en een sompig geluid, dat leek op het geploeter van voetstappen in een drassige weide. De mannen namen haar in stilte. Na de vierde hield ze op met tellen. Haar schaambeen gloeide van het gebonk.
232 Toen dropen ze plotseling af. Ze hoorde een deur dichtslaan. Er werd gelachen. Het geroezemoes zwol aan tot het even sterk werd als het gezoem van een vlucht opgejaagde horzels. Ze kreeg het overal koud. Het leek alsof iemand een ijsblok tussen haar benen had geramd. De kilte droop van haar dijen.
233 Een halfuur later ging de deur weer open. Voor Carine was een eeuwigheid verstreken. Toen ze de geur van wceend herkende, begon ze te snikken. De man maakte haar boeien los en dwong haar op handen en knieën te gaan zitten. De verkrachters schoven nogmaals gretig aan en de nachtmerrie begon opnieuw.
234 Achttien politiemensen doorzochten de Zorghe van de kelder tot de zolder. Een computerdeskundige van de gerechtelijke politie ontfermde zich over de boekhouding van de vzw. Ilse Vanquathem bekeek het gebeuren vanop een afstand. Toen Van In haar ondervroeg, weigerde ze een verklaring af te leggen.
235 De rijkswachters onderschepten een vermeende drughandelaar en arresteerden een man die door de politie werd opgespoord. Het toeval wilde dat beide mannen op hetzelfde vliegtuig zaten. De potentiële dealer, genaamd Jos Brouwers, werd na anderhalf uur bij gebrek aan bewijzen weer vrijgelaten.
236 Een stervormige flits op het scherm verschrompelde tot een onooglijk punt. Het werd stil in de woonkamer. Vandaele zat onderuitgezakt in een fauteuil. Zijn vermoeide benen rustten op een poef van rood Marokkaans leer. Ieder geluid dat het geruis van de bomen verstoorde, deed hem opschrikken.
237 Wanneer de zweer straks openbarstte, zou Brys gelyncht worden door de publieke opinie. Aerts had hij zelf ter dood veroordeeld. Vandaele troostte zich met het beeld van hun jonge lijven, een herinnering die hem al meer dan dertig jaar in moeilijke momenten troost en verlichting verschafte.
238 Vandaele voelde alleen de pijn. Vreedzaam sterven was een voorrecht dat alleen voorbehouden was aan de rechtvaardigen. Een goede dood was hem niet gegund, hoezeer hij daar ook naar verlangde. Vandaele hees zich moeizaam uit de fauteuil. De Davidoff smeulde onschuldig verder in een overvolle asbak.
239 Maar voor muziek was nu geen tijd meer. Daarvoor was het veel te laat. Met kunst en cultuur viel niets te verdienen, had zijn vader hem steeds voorgehouden. Hij wilde dat zijn zoon hem zou opvolgen als hoofd van het familiebedrijf. Lodewijk Vandaele had de wil van zijn vader getrotseerd.
240 De jongeren hadden nood aan ontplooiing, culturele bagage en een liefdevolle leraar. Maar de buitenwereld had hem nooit begrepen. Kinderen mocht je niet aanraken, niet liefkozen. Dat was niet goed voor hen, zei men. Toch had geen enkele van zijn pupillen daar een trauma aan overgehouden.
241 Het onbegrip had van Vandaele de karikatuur gemaakt die hij nu was geworden. Het idealisme van weleer was veranderd in een bloeddorstig roofdier dat zijn ziel had opgevreten. De telefoon bleef obstinaat rinkelen. In plaats van zijn knie te masseren, streelde Vandaele de klep van zijn piano.
242 De dunne stof van haar jasje bood nauwelijks bescherming tegen de sluipende najaarskilte. Hoewel de bedrieglijke middagtemperaturen de illusie van een late zomer creëerden, viel de avond behoorlijk tegen. Bovendien had het verblijf in het stofferige archieflokaal haar geen goed gedaan.
243 Hij had gefaald en dat betekende dat Vandaele hem nooit meer zou inhuren. Het geld zou klaarliggen, had de oude beloofd. De ex rijkswachter zette zijn kraag op en beende over het gazon naar de voordeur. Tussen de kieren van de gesloten overgordijnen sijpelden gelige slierten licht naar buiten.
244 Brouwers belde aan. Een gure wind sneed door zijn broekspijpen. De afgevallen bladeren ritselden op de grond. Hij wachtte geduldig tot Vandaele de deur kwam openmaken. Toen dat niet gebeurde, liep Brouwers naar het raam. Hij roffelde met zijn vingertoppen op het venster.
245 De toetsen zaten onder een vieze smurrie. Brouwers kokhalsde toen hij in de donkerrode bloedplas stukjes zwart weefsel ontdekte. Het gezicht van de oude pedofiel was verwrongen van de pijn. Vandaele was dood. Hij had zijn rotte longen uitgebraakt en was gestikt in zijn eigen viezigheid.
246 Het voorbije jaar had het gerechtelijk apparaat flinke klappen geïncasseerd. Als Van In gelijk had en hoofdinspecteur Baert was verantwoordelijk voor de moord op Yves Provoost, zou dat het imago van zijn korps niet ten goede komen. De Kee had het steevast over mijn mannen.
247 William Aerts werd geboeid en onder begeleiding van twee stoere gendarmes in gevechtskledij naar binnen gebracht. Pas toen Van In de nodige documenten had ondertekend, ontdeden ze Aerts van zijn boeien. Van In bedankte de rijkswachters en loodste Aerts naar een verhoorkamer op de derde verdieping.
248 Zoals alle ruimtes waarin mensen ondervraagd worden, blonk ook deze kamer niet uit door een knusse inrichting. Er stonden een metalen tafel, drie stoelen en een mechanische schrijfmachine. De compacte Sony bandopnemer en een thermoskan koffie zorgden voor een modern tintje.
249 Daarna leunde hij achterover en gebaarde Aerts dat hij van wal kon steken. Het eerste deel van het verhaal was weinig relevant. Aerts had de Cleopatra overgenomen van Vandaele en er een luxehoerentent van gemaakt. Belangrijke gasten kregen echter een speciale behandeling in de Love.
250 Dat euforische gevoel ligt aan de basis van ieder totalitair regime. Maar als rechtgeaard democraat zag Van In zich verplicht zijn eigen grenzen te verkennen. Alleen wie de verleiding van de dictatuur heeft geproefd, kan weerstand bieden aan de lokroep van uiterst rechts.
251 De confrontatie met het verleden maakte hem depressief. Provoost en Brys hadden zijn hele leven gedomineerd. Als kind al mocht hij hun vuile klussen opknappen en op de middelbare school lieten ze geen gelegenheid onbenut om hem te kleineren. Steek nog eens een scheet in brand, William.
252 Toen Aerts op zijn achttiende besloot naar de universiteit te gaan, lieten ze hem vallen als een baksteen. Kinderen van arbeiders dienden de kost te verdienen met hun handen, hoonden ze. Na een rampzalig semester trok Aerts naar Amsterdam en belandde er in het drugmilieu.
253 Vier jaar later keerde hij als een rijk man naar Brugge terug, waar hij zijn fortuin verbraste. Nu mochten anderen scheten in brand steken, insecten vreten of in hun blote bast over het marktplein draven. In die periode ontmoette hij Linda en samen beproefden ze hun geluk in de Cleopatra.
254 Recherchewerk bestaat uit een combinatie van routine en procedures, een aanpak die meestal weinig resultaat oplevert. De grote doorbraak in een onderzoek is bijna altijd het gevolg van een onvoorziene omstandigheid, een spontane bekentenis, een onverwachte wending of louter mazzel.
255 De bekentenis van Aerts was een geschenk uit de hemel. Provoost had Dani vermoord, waardoor Van In over een moordenaar, een motief en een getuige beschikte. Aerts zou profiteren van verzachtende omstandigheden. Een handige advocaat zou hem zonder al te grote kunstgrepen vrij krijgen.
256 En dat beviel Van In niet. Hij had de indruk dat Aerts zijn vel probeerde te redden en alleen die dingen losliet die in zijn kraam pasten. De verdwijning van Carine Neels baarde hem meer zorgen. Hij was er bijna zeker van dat ze door het misdadige netwerk van Vandaele was opgeslokt.
257 Een geïmproviseerde huiszoeking in de Zorghe had niets opgeleverd. Meer nog, de overhaaste actie had overduidelijk iedereen in het milieu gealarmeerd. En dan was er nog Baert. Uiteindelijk was hij de enige, echte moordenaar en voor politiemensen golden geen verzachtende omstandigheden.
258 Het interieur leek op een plaatje uit een handboek voor binnenhuisarchitecten. Hannelore trok voorzichtig de laden van de grenen commode open en woelde door de lingerie van de verdwenen agente. Hoewel mevrouw Neels het nut van de zoekactie niet inzag, sloeg ze het tafereel aandachtig gade.
259 Hij liep naar de koelkast en nam een Duvel. Twee bekentenissen op een dag waren meer dan hij kon verwerken. Met die van Aerts had hij geen moeite. De man had alles netjes op papier gezet en dat relaas zou hij straks rustig bestuderen. Het geval Baert leek hem veel tragischer.
260 Alle instrumenten lagen netjes op een rij. Het was immers niet de eerste keer dat hij in een snuff movie optrad. In de kelder lag Carine Neels vastgekluisterd aan de spijlen van een ouderwets bed. Ze was naakt. Benedict Vervoort plaatste zijn camera op een statief en maakte een proefopname.
261 Ze kromp ineen. Het licht scheen door de blinddoek heen. Johan Brys duwde de kleine serveerboy voor zich uit. Vervoort hield de deur voor hem open. De minister was naakt, op de lederen kap na. Op de serveerboy lagen de messen, tangen en priemen die hij straks zou gebruiken.
262 Toen iemand de blinddoek losknoopte, knipperde ze even met de ogen. Ze verstijfde bij het zien van de lederen kap die op minder dan dertig centimeter boven haar gezicht zweefde. Haar hartslag stokte. Ze wilde schreeuwen, maar toen dat niet lukte, sloot ze opnieuw de ogen.
263 De magere vent had altijd veel tijd nodig. Hij vroeg zich af wie achter het masker schuilging. Brys richtte zich op. Carine sloeg voorzichtig haar oogleden op. Pas nu bemerkte ze de serveerboy met de folterwerktuigen. Haar geschreeuw ging door merg en been. Het publiek mompelde goedkeurend.
264 Vervoort zoomde in op Carines linkerborst, schudde het hoofd en gebaarde Brys dat hij moest wachten. Hij nam een ijsblokje en wreef ermee over haar borst, zodat de tepel mooi recht kwam te staan. Brys knikte goedkeurend. Hij had het scenario vooraf samen met Vervoort doorgenomen.
265 Hij richtte zijn pistool in een vloeiende beweging op de gemaskerde man en vuurde drie schoten af. De eerste kogel trof Brys in het rechteroog, de tweede verbrijzelde zijn schouder en de derde maakte een keurig gaatje in het achterhoofd van Vervoort, die toevallig in de vuurlijn stond.
266 Tien seconden later overspoelde een eerste golf politieagenten de boerderij van Catrysse. Een paar toeschouwers maakten van de verwarring gebruik om op de vlucht te slaan. Na een korte achtervolging werden ze echter ingerekend. Hannelore trok haar jasje uit en ontfermde zich over Carine.
267 Het land stond in rep en roer nu bekend was geraakt dat de minister van Buitenlandse Zaken neergeschoten was tijdens de opname van een snuff movie. Aerts besefte dat het spel verloren was. Justitie zou hem niet laten gaan eer iedere verklaring daaromtrent honderd keer was geverifieerd.
268 In die volgorde. Maar Gerda zou niet meer naar huis terugkeren. Twee weken geleden had ze haar koffers gepakt. Ze was het beu steeds in zijn schaduw te staan, had ze gezegd. De verloren tijd kon nooit meer worden ingehaald. Gerda vond dat ze eindelijk recht had op een eigen leven.
269 De reis naar de Caraïben was een leugen, iets wat hij Vandaele had wijsgemaakt omdat hij liever doodviel dan toe te geven dat zijn huwelijk was mislukt. Brouwers dacht aan het stel op Malta. Hij zag de koets opnieuw voorbijrijden. De man schonk een glas in voor zijn vrouw.
270 Zijn laatste gedachte ging naar de toekomstige eigenaars van de villa. Die zouden de woonkamer opnieuw moeten behangen, want op het behang zouden overal sporen te vinden zijn van zijn opengespatte hersenen. Brouwers stierf even banaal als hij geleefd had, maar dat kon hem verder geen barst schelen.
271 Aerts gruwde van het holle geluid van zijn eigen voetstappen. Straks zou Van In hem verhoren. Het tijdstip van de ondervraging was niet toevallig gekozen. De commissaris wist dat hij gelogen had. Terwijl hij door de gangen stapte, draaide hij in zijn hoofd opnieuw de hele film af.
272 Provoost had hem die bewuste avond gebeld. Er was een ongelukje gebeurd. Dani was dood. William moest het lijk dumpen en daarvoor zou Vandaele hem honderdduizend frank betalen. William sleurde het lijk in de koffer van zijn wagen. Toen hij de klep wilde dichtslaan, hoorde hij gekreun.
273 Als hij zijn mond hield en terug naar Nederland ging, zou William hem honderdduizend frank geven. Alles verliep vlekkeloos, tot Dani zes maanden later weer opdaagde en extra geld eiste voor een nieuwe operatie. Als William niet afdokte, dreigde Dani ermee Provoost onder druk te zetten.
274 Er kwamen trouwens weinig mensen zo ver de onderkelders in. Haar weving pikte in de verte het gepiep van ratten op. Licht! Sinds wanneer waren er ratten in Tar Valon? En nog wel in de Toren zelf. Ogen en oren van de Duistere? Verontrust streek haar tong langs haar lippen.
275 Bij zoiets had je niets aan logica. Waarheid. Niet logisch. Ze wilde lachen. Met moeite trok ze zich van de drempel van hysterie terug. Ze moest aan iets anders dan ratten denken. Aan... Een onderdrukte gil werd hoorbaar in de kamer achter haar en ging over in onderdrukt gesnik.
276 Ze probeerde zich af te sluiten. Let op! Zij was met haar gezellinnen min of meer in dit vertrek beland, omdat de oversten van de Ajahs elkaar in het geheim schenen te ontmoeten. Ze had zelf gezien hoe Ferane Neheran in een stil hoekje van de librije met Jesse Bilal had staan fluisteren.
277 Althans dat dacht ze. Maar waarom had Ferane met Suane in een stille hoek van de Torengrond gewandeld, beiden gehuld in eenvoudige mantels? Nog steeds spraken de Gezetenen van de verschillende Ajahs openlijk met elkaar, al gebeurde dat kil. De anderen hadden hetzelfde opgemerkt.
278 De Ajahs konden elkaar wel vermoorden, maar hun oversten spraken stiekem met elkaar. Wat voerden ze in hun schild? Wat? Het was jammer dat ze het niet gewoon aan Ferane durfde te vragen. Zelfs als Ferane vragen van anderen had willen aanhoren, had ze het niet gedurfd. Niet nu.
279 Omdat ze niet om wilde kijken, bleef ze naar de deur staren en over het onoplosbare raadsels piekeren. Ze wilde niet kijken naar de bron van het gedempte gesnik en grommende gesnuif. Alsof de gedachte aan de geluiden haar dwong, keek ze langzaam om naar haar gezellinnen.
280 Ver boven haar dwarrelde sneeuw op Tar Valon neer, maar het vertrek leek onverklaarbaar heet. Ze dwong zichzelf te kijken. Met de stola met bruine franje over haar armen geschikt stond Saerin wijdbeens klaar. Ze voelde aan het gevest van de kromme Altaraanse dolk die in haar ceintuur stak.
281 Pevara was veel taaier dan haar omvang deed vermoeden en zo vastberaden dat Saerin met haar vergeleken een aanstelster leek. Aan de andere kant van de Zetel der Wroeging hield de kleine Yukiri haar armen strak om zich heen. De lange zilvergrijze franje van haar stola trilde door haar gebeef.
282 Ze ging zo op in haar werk dat het zweet op haar bleke voorhoofd parelde. Ze waren allen Gezetenen, ook de vrouw die op de Zetel zat te kronkelen. Talene Minli was kletsnat van het zweet, haar goudblonde haren waren plakkerig en haar linnen ondergoed kleefde drijfnat aan haar huid.
283 Haar kleren lagen in een slordig hoopje in een hoek van het vertrek. Haar gesloten oogleden trilden en ze liet onafgebroken een verstikt gekreun en gejank horen, waarbij ze leek te smeken. Seaine voelde zich misselijk maar kon haar ogen niet afwenden. Talene was een vriendin van haar.
284 Misdadigers die in Tar Valon waren opgepakt, werden hierheen gebracht om de Zetel der Wroeging uit te proberen, waarbij ze zorgvuldig gekozen gevolgen van hun misdaden mochten ervaren. Na hun vrijlating maakten ze onveranderlijk dat ze van het eiland wegkwamen. Er was weinig misdaad in Tar Valon.
285 Ze zou dankbaar moeten zijn voor de grotere groep. Ze waren echter niet in de Zaal en ze konden hier niet de rechten van een Gezetene opeisen. De rangen en standen van de Toren hadden het overgenomen, alle verfijnde en minder verfijnde verschillen, zoals hoe groot het verschil in rang onderling was.
286 In feite was Saerin tweemaal zo lang novice en Aanvaarde geweest als de anderen, maar ze was wel veertig jaar Gezetene geweest, langer dan wie ook in de Zaal en dat telde zwaar mee. Seaine mocht van geluk spreken als Saerin om haar mening zou vragen, laat staan haar advies, voor ze iets besloot.
287 Yukiri werd omgeven door de saidargloed en ze schermde de vrouw die op de Zetel zat zwijgend volkomen af. Saerin had de leiding en iedereen besefte het. Daarmee uit. Een heel scherpe doorn. Een schild leek amper noodzakelijk. Talenes gezicht leek een masker van doodsangst.
288 Ze zonk nog steeds in de zachte bovenkant weg, maar nu Doesine niet meer geleidde, vormde het blok zich niet meer naar haar lichaam. Talene keek met uitpuilende ogen naar het plafond en kneep ze toen stijf dicht, maar ze schoten meteen weer open. Ze wilde haar herinneringen niet nogmaals zien.
289 Talene bleef Saerin strak aankijken. Haar grote ogen vulden zich met tranen en ze begon met hevig bevende, wanhopige snikken te huilen. Ze stak blindelings haar hand uit tot Pevara de Eedstaf in haar hand legde. Pevara omhelsde de bron en leidde een draadje Geest in de staf.
290 Iedere spier stond strak en haar hele lichaam schokte wild. Even plotseling als de toeval was begonnen, eindigde die. Talene viel volkomen slap neer en bleef als een verdwaald kind liggen huilen. De Eedstaf rolde uit haar krachteloze hand over de schuine grijze bovenkant.
291 Daarna begon Talene stil te huilen en beefde geluidloos. Wellicht kwam het door de Geloften, die hun greep op haar versterkten. Vlak na het afleggen ervan voelden ze ongemakkelijk. Misschien. Toen vermeldde Pevara de andere eed die ze van haar eisten. Talene kromp ineen, maar mompelde de woorden.
292 En nu had ze het gehoord. De Zwarte Ajah bestond echt. Ze keek met eigen ogen naar een Zwarte zuster, een Duistervriend die de stola droeg. En een veronderstelling veranderde in de bleke schaduw van iets onder ogen zien. Alleen met stijf verkrampte kaken kon ze voorkomen dat ze klappertandde.
293 Saerin had harder moeten werken dan wie ook om de stola te winnen en daarmee het recht om in de Toren te blijven. Voor haar was de Toren meer dan een thuis, belangrijker dan haar eigen leven. Als Talene het verkeerde antwoord gaf, zou Elaida niet eens voor een raad berecht worden.
294 Nee. Ze vermeed de echte moeilijkheid en die te negeren was zinloos. Had Elaida haar wel echt opdracht gegeven de Zwarte Ajah op te sporen? Ze had die term niet eens gebruikt. Had ze wellicht iets anders bedoeld? Elaida had bijna iedereen aangevlogen die het waagde de Zwarte Ajah te noemen.
295 Doesine leek voor te stellen om iedere zuster een voor een te ontvoeren en allen te dwingen de gehoorzaamheidseed af te leggen, maar de andere drie schonken weinig aandacht aan dit plan. Seaine hield zich afzijdig. Haar reactie op hun lastige toestand was de enig mogelijke, bedacht ze.
296 Ze schuifelde naar een hoek van het vertrek en gaf over. Uit alle macht trachtte Elayne te voorkomen dat ze tandenknarste. Buiten werd Caemlin opnieuw door een sneeuwstorm geteisterd, waardoor de middaghemel zo donker werd dat alle lichten op de zijmuurpanelen van de zaal moesten worden aangestoken.
297 De Kinne wist uitstekend hoe ze uit het zicht moest blijven, maar de Seanchanen zouden hen niet voor wilders verslijten zoals de Aes Sedai plachten te doen. Wellicht was Vandene nog steeds geschokt door de moord op haar zuster. Ze at amper en was nauwelijks in staat om raad te verschaffen.
298 De jacht op de moordenaar nam haar geheel in beslag. Men meende dat ze op vreemde tijden vol verdriet door de zalen liep, maar ze was in het geheim op jacht naar Duistervrienden. Drie dagen eerder zou die gedachte Elayne hebben laten huiveren, maar nu was het slechts een van de vele gevaren.
299 Vandene zou met haar rijke ervaringen en levenslange studie een schat aan goede raad kunnen zijn, terwijl Nynaeve in Emondsveld vele jaren met de dorpsraad en de vrouwenkring was omgegaan, zodat ze een goede kijk had op alledaagse politiek, ook al ontkende ze dat glashard.
300 Bloedvuur, ik heb honderden problemen, sommige zelfs vlak onder mijn neus in het paleis, en ik heb hen nodig. Als ze haar zin kreeg, zou Nynaeve Almaeren de Aes Sedai raadsvrouwe voor de volgende koningin van Andor worden. Ze had alle hulp nodig die ze kon vinden. Betrouwbare hulp.
301 Vreemd genoeg bevond de ereplaats van de koningin zich het verst van de hitte van het vuur. Nou ja, het zij zo. Haar rug voelde meteen warm aan, terwijl ze van voren koud bleef. Buiten viel de sneeuw, donderde het en flitsten de bliksems. In haar gedachten evenzeer. Kalm.
302 Ze hielden slemppartijen en zochten ruzie en vielen vrouwen lastig die niet van hun uitsloverij gediend waren. Op deze manier konden ze nut hebben door moeilijkheden te voorkomen in plaats van ze te beginnen. Ze had liever gehad dat ze zichzelf niet steeds trachtte te overtuigen.
303 Een groot rond sieraad met de Uil en Eik van Huis Taravin zat vastgespeld op de hoge kraag van haar donkergroene gewaad. Het was haar enige sieraad. Een vertoon van trots op haar Huis, misschien overmatig veel. De Hoogzetel van Huis Taravin was zeer zeker een trotse vrouw.
304 Ze had grijze lokken in haar goudblonde haren en fijne rimpels bij de ooghoeken, maar haar trekken waren sterk en haar blik was direct en scherp. Haar geest leek een scheermes. Of wellicht een zwaard. En vrouw die haar uitgesproken meningen niet onder stoelen of banken stak.
305 Als je een vederlicht optreden wenst, slaan ze als een moker neer en wanneer je een moker nodig hebt, zijn ze waarschijnlijk elders hun zakken aan het vullen. Ze zijn trouw aan goud. Maar alleen zolang er goud is. Als ze jou niet al eerder voor nog meer goud hebben verraden.
306 Haar hemelsblauwe broek was net zo gemaakt als haar andere broeken, ruim vallend en bij de enkel ingenomen, terwijl haar korte rode jas een hoge witte kraag en brede witte mouwomslagen had, die afgezet waren met goud. Zij was nu vrouwe Birgitte Trahelion en kapitein generaal van de koninginnegarde.
307 Ze spiegelden elkaar op verrassende wijze na de binding, zowel met gevoelens als anderszins. Zo was zij nu op dezelfde tijd ongesteld als haar zwaardhand. Birgittes weigering om het zwakste argument over te nemen was duidelijk even groot als haar aarzeling ermee in te stemmen.
308 Ze geleidde kort Vuur en er kringelde wat damp uit de kan. Door het opwarmen werden de kruiden bitter, maar de warmte van de bewerkte zilveren beker in haar handen maakte dat goed. Met moeite onderdrukte ze haar verlangen de lucht in de kamer met de Ene Kracht te verwarmen en ze liet de Bron los.
309 De warmte zou toch niet lang hebben geduurd als ze de wevingen niet in stand hield. In zekere zin had ze haar tegenzin om saidar los te laten wel overwonnen, maar de laatste tijd werd het verlangen telkens meer te willen putten weer groter. Iedere zuster kende dat gevaarlijke verlangen.
310 Nu de Saldeanen weg waren en de Aiel op het punt stonden om te vertrekken, bloeide de misdaad als onkruid in de lente. Ze had gemeend dat de sneeuw alles zou afkoelen, maar elke dag kwam er nieuws van berovingen, brandstichting of erger. De toestand werd met de dag ernstiger.
311 Ze gaf beslist een vreemde invulling aan hun binding als Aes Sedai en zwaardhand, maar ze wist inmiddels wanneer Elayne niet viel om te praten. Bij sommige dingen had ze dat geleerd. Niet bij het landgoed en haar titel. En het bevel over de koninginnegarde. En wat andere dingetjes.
312 Ze kon maar beter goed voor ogen houden dat veel mensen niet Elayne Trakand op de Leeuwentroon wensten, maar Dyelin Taravin. De vrouw was tot nu toe zeer behulpzaam geweest, maar er waren slechts enkele dagen verstreken en soms fluisterde er een pesterig stemmetje in Elaynes hoofd.
313 Zonder dat alles zou ze de laatste maanden niet hebben overleefd. Het Licht geve dat Thom, Mart en de anderen aan de Seanchanen waren ontkomen en veilig op weg waren naar Caemlin. Na haar vertrek uit Ebo Dar had ze het Licht gesmeekt hen te redden, maar meer dan dat had ze niet kunnen doen.
314 Eruitzien als een koningin, had haar moeder haar vaak gezegd, is niet genoeg; veel belangrijker is een fijnbesnaarde geest. Een ferme greep op allerlei zaken en een dapper hart zijn nutteloos als mensen je niet als koningin erkennen. Birgitte nam haar scherp, bijna achterdochtig op.
315 Ze hadden het verhaaltje rondgestrooid dat Birgitte uit Kandor afkomstig was, waar boerenvrouwen dit soort kledij droegen, maar Dyelin doorzag de leugen volkomen. En iedere keer dat Birgitte haar mond voorbijpraatte, kwam Dyelin steeds dichter bij de onthulling van het geheim.
316 Vernedering overstemde al het andere in de binding. Het was zo sterk dat Elayne haar eigen gezicht rood voelde worden. Snel mat ze zich een streng gezicht aan in de hoop dat haar rode wangen voor iets anders konden doorgaan dan haar vurige wens ter plekke te kermen over Birgittes schaamte.
317 Als zij een verkeerde beslissing nam, zou Andor een tweede Cairhien worden, een natie van bloeddoordrenkte chaos. En zij zou natuurlijk sterven, een prijs die de kosten niet zou dekken. Maar niets doen was ondenkbaar en zou voor Andor zeker dezelfde gevolgen hebben als haar falen.
318 Koel, beheerst, dodelijk kalm. Een koningin mocht geen angst tonen, zelfs als ze die voelde. Vooral dan niet. Haar moeder had altijd gezegd dat je beslissingen zo min mogelijk moest uitleggen. Hoe meer je uitlegde, hoe meer verklaringen er nodig waren, tot je je alleen maar daarmee bezighield.
319 Gelukkig hield Egwene die voorlopig in Morland vast. Ze gebaarde naar een stoel naast haar en Dyelin ging zitten, zorgvuldig haar rok schikkend. De onweerswolken waren niet langer op het gezicht van de oudere vrouw te zien. Ze keek Elayne aandachtig aan en verried niets van haar vragen en gedachten.
320 Voor hen is dit een Opvolgingsoorlog en de enige manier waarop ik hen kan tegenhouden, is zo sterk worden dat ze geen gevecht aandurven. Als Birgitte de garde tegen de lente tot een leger weet te maken is dat des te beter, want tegen die tijd zal ik hard een leger nodig hebben.
321 Onbewust plukten haar vingers aan de rok. Er was maar weinig waar ze bang voor was, maar de verhalen over de Seanchanen hadden haar beslist angst aangejaagd. Zachtjes mompelend, alsof ze het tegen zichzelf had, was te horen: ik had gehoopt een echte burgeroorlog te voorkomen.
322 Waarom moest dat mens zo opeens van onderwerp veranderen? Dyelin schrok en opnieuw werd Elayne vuurrood. De mond van de oudere vrouw stond zo ver open dat ze precies wist hoe grof haar vloek was geweest. Het maakte haar vreemd verlegen. Dyelins vriendschap met haar moeder had niet mogen tellen.
323 Haar gezicht stond heel strak, maar boosheid streed met haar verlegenheid, waarbij de eerste de overhand kreeg. Met een steek van ergernis wilde Elayne iets zeggen om Dyelins woorden over de burgeroorlog verder te kunnen verklaren voor ze over Birgittes boosheid ging nadenken.
324 Ze werd gevolgd door Zaide din Parede Zwartvleugel, die net een hand kleiner was en zo zwart als houtskool. Zij droeg maar half zoveel muntjes aan de ketting op haar linkerwang en straalde meer iets van macht uit dan van hooghartigheid. Het was een ijskoude zekerheid dat zij gehoorzaamd zou worden.
325 Het Licht mocht beiden verbranden, maar ze kon zich geen belediging veroorloven. Birgitte kwam naast haar staan en maakte een gepaste buiging om de beker uit haar hand over te nemen. De zwaardhandbinding zond behoedzaamheid over. Ze was altijd heel behoedzaam bij het Zeevolk.
326 Vroeger had Elayne gemeend dat Merililles zelfbeheersing elk openlijk blijk van verrassing uitsloot, maar nu liep de zuster voortdurend met grote ogen en halfopen mond rond. Het was net of ze zich doodgeschrokken was en erop rekende dat dit binnen enkele tellen opnieuw zou gebeuren.
327 Ze schreed langs de in stilte woedende Renaile alsof ze een pilaar in de kamer was, maar liep niet naar Zaide toe. Als iemand het recht had zich hier te ontspannen, was zij dat. Ze kon het zich niet veroorloven Zaide een pink te geven of de golfvrouwe zou haar haren naar de pruikenmaker brengen.
328 Waarna ze een blik op Renaile wierp en inbond. Een blos deed haar Cairhiense bleekheid verdwijnen. Opnieuw vouwde ze de handen en hulde zich in nederigheid alsof het een tweede huid was. Birgitte schudde verbijsterd het hoofd. Dyelin staarde alsof ze nooit eerder een Aes Sedai had gezien.
329 Nou, ditmaal zou alles anders verlopen. Wat zouden de zusters er bijvoorbeeld bij winnen? Er hoorden twee kanten aan een overeenkomst te zijn. Zaide glimlachte alsof ze wist waar Elayne aan dacht en het vermakelijk vond. Toen een van de deuren openging, was het bijna een opluchting.
330 Beiden droegen op hun hoge kraag het zilveren zwaard en het draakje van rood emaille. Geen van de drie droeg echter een zwaard. Ze hadden geen zwaarden nodig. De zitkamer voelde opeens kleiner en overvol. Instinctief omhelsde Elayne saidar en reikte rond om zich te koppelen.
331 Merilille haakte soepel aan de koppeling aan. Tot haar verrassing deed Renaile hetzelfde. Een snelle blik op de windvindster maakte die verrassing kleiner. Met een grijs gezicht omklemde Renaile de dolk in haar buikband zo stevig dat Elayne door de koppeling bijna de pijn in haar knokkels voelde.
332 De kale man verstarde en de slanke jongeman balde zijn vuisten. Ze keken bozig rond. Natuurlijk hadden ze naar saidin gegrepen. Elayne kreeg spijt dat ze aan haar impuls had toegegeven, maar ze was niet van de plan de Bron los te laten. Nu niet. Taim straalde gevaar uit zoals een vuur hitte.
333 Ze haalde alles uit de koppeling tot het punt waar het overweldigende levensgevoel scherpe waarschuwende prikkels opleverde. Zelfs die voelden vreugdevol aan. Met zoveel van de Kracht kon ze het paleis verwoesten, maar ze vroeg zich af of het genoeg was voor Taim en de twee andere mannen.
334 Ze had hier dolgraag een van de drie angrealen uit Ebo Dar willen hebben, maar die waren veilig met alle andere spullen uit de bergplaats opgeborgen tot ze tijd had om ze opnieuw te bestuderen. Taim schudde minachtend zijn hoofd, een kleine glimlach krulde om zijn lippen.
335 Nou, zijn gezag was hier niets waard. Rustig ging ze weer zitten waarbij ze de tijd nam om haar rok te schikken. De mannen zouden nu als smekelingen voor haar moeten verschijnen of anders tegen de zijkant van haar hoofd moeten praten, omdat zij weigerde hen aan te kijken.
336 De andere vrouwen hadden geen tijd verspild en zich zo goed mogelijk op de mannen ingesteld. Zaide stond doodstil naast de caleidoscoop en deed haar best er zowel vreedzaam als kleintjes uit te zien, maar ze had de handen op de rug en de dolk stak niet meer in haar band.
337 Birgitte bevond zich naast de haard, de linkerhand op de stijl, ogenschijnlijk ontspannen, maar de schede van haar mes was leeg en uit de manier waarop ze de andere hand op de zij hield, kon je opmaken dat ze klaarstond voor een onderhandse worp met haar dolk. Maar de binding liet haar.
338 Er waren manieren om met een geleider om te springen zonder hem af te schermen, maar dat was een moeilijk kunstje, heel gewaagd, en ze kende eigenlijk alleen wat erover geschreven stond. Hij verscheen recht voor haar, op enkele stappen afstand, maar zag er niet uit als een smekeling.
339 Mazrim Taim kende zichzelf en wist wat hij waard was, hoewel hij zijn eigenwaarde duidelijk hoger inschatte dan de hemel. Het weerlichtte en de vensters wierpen vreemde lichten op zijn gezicht. Velen zouden van hem onder de indruk raken, zelfs zonder zijn mooie jas of beruchte naam.
340 Ik had Rhands naam niet moeten noemen. De man dacht blijkbaar dat hij precies wist hoe zij met de boosheid van die verdoemde Draak zou omgaan! Het ergste was dat als zij Rhand in haar bed kon krijgen, zij dat zou doen. Niet vanwege dit, niet om dit klaar te spelen, maar omdat ze dat graag wilde.
341 Overal waarheen ik hen beveel te gaan. Ik betwijfel of u me kunt tegenhouden om iets te kopen van een boer die tien span buiten Caemlin woont, maar ik heb er geen last van als u dat kunt. Niettemin ben ik bereid bezoek toe te staan wanneer u dat vraagt. Overeengekomen bezoeken onder begeleiding.
342 Birgittes meshand trilde, zo graag wilde ze haar mes gooien. En zijzelf? Ze was door en door woest! Nog ietsjes meer en ze zou met saidar toeslaan. Met moeite bedwong ze haar woede tot een uiterlijke kalmte. Een ziedende, schijnbare kalmte. Ze slikte en kon met moeite haar stem vlak houden.
343 Licht, ze moest proberen het gezag van Andor te handhaven, niet deze man te prikkelen. Snel deed ze een oefening uit haar Novicetijd: de rivier tussen twee oevers. Ze zocht rust en kalmte. Het hielp een beetje. Nu wilde ze hem alleen nog maar alle wijnbekers naar zijn hoofd smijten.
344 Ze had deze oproep verwacht, maar niet geweten wanneer die precies zou komen. Ze wist alleen dat eraan gehoorzaamd moest worden, meteen. Ze stond op en had graag wat meer tijd gekregen om Taim een en ander duidelijk uit te leggen. Hij keek fronsend naar de vrouw die was binnengekomen en naar Elayne.
345 Ze schoof de donkere omslagdoek met veel gerinkel van armbanden rond haar schouders en liep naar Elayne toe, waarbij ze Taim de rug toekeerde. Ondanks de kou droeg ze alleen de omslagdoek over haar dunne witte hemd, hoewel ze vreemd genoeg een dikke wollen mantel over een arm droeg.
346 Elayne wist niet of hij zich ook had omgedraaid – ze voelde zijn ogen bijna zeker op haar gericht – maar opeens stond Birgitte vlak voor haar, evenals Merilille, Reene en Zaide. Zelfs Renaile. Ze stonden schouder aan schouder en vormden een grimmige muur tussen haar en de mannen.
347 Let nergens op, hield ze zichzelf voor. Ik beheers me. Ik ben kalm. Ik ben... Ik sta straks poedelnaakt in een volle kamer! Ze kleedde zich zo snel mogelijk uit en liet haar gewaad en onderkleren op de vloer vallen, waarna ze haar muiltjes en kousen erop schopte. Ze kreeg kippenvel.
348 De Wijzen hadden gezegd dat ze als ongeboren kind naar de geboorte diende te komen. Ze hadden heel veel uitgelegd, maar het voornaamste was dat ze niemand mocht zeggen wat er ging gebeuren. Zij had het graag exact willen weten, maar een kind werd geboren zonder voorkennis van wat er ging gebeuren.
349 Nadere kwam naar voren met de mantel en hield die haar voor zonder hem aan te reiken. Elayne moest hem aanpakken en haastig omslaan. Ze wist zeker dat ze Taims ogen voelde. Ze hield de dikke wol strak om zich heen en haar eerste gedachte was snel het vertrek uit te schieten.
350 Ze was niet van plan in een mantel van schaamte weg te ijlen. Taims mannen stonden stokstijf met hun gezicht naar de deur. Taim zelf keek met over elkaar geslagen armen strak naar de open haard. Haar gevoel dat zijn ogen strak op haar gevestigd waren, was verbeelding geweest.
351 De roodwitte vloertegels waren veel kouder dan de tapijten in de zitkamer. Enkele bedienden, warm gekleed in goede wollen livreien, keken haar met grote ogen na, waarna ze zich verder repten voor hun taken. De vlammen van de staande kandelaars flakkerden. Het tochtte hier altijd.
352 Ze moest voor de plechtigheid over bepaalde dingen nadenken, was haar gezegd, en sommige van die dingen verontrustten haar. Nadere hield Elayne gemakkelijk bij en Elayne zorgde er zorgvuldig voor dat haar benen niet door de split zichtbaar waren, want overal waren bedienden.
353 Het kostte dus behoorlijk wat tijd voor ze de kamer bereikten waar de Wijzen bijeen waren. Meer dan tien. Ze waren gekleed in ruim vallende rokken, witte hemden en donkere omslagdoeken. Behangen met halskettingen en armbanden van goud of zilver, met edelstenen en ivoor.
354 Hun zwarte haren werden bijeengehouden met doeken. Alle meubels en tapijten waren weggehaald waardoor alleen de witte vloertegels te zien waren. Er brandde geen vuur in de haard. Zo diep in het paleis en in deze ruimte zonder vensters waren de donderslagen amper te horen.
355 Elaynes ogen gingen meteen naar Aviendha, die aan de andere kant van de kamer stond. Naakt. Ze gaf Elayne een zenuwachtig glimlachje. Zenuwachtig! Aviendha! Elayne gooide haastig de mantel af en glimlachte terug. Zenuwachtig besefte ze. Aviendha lachte zachtjes en even later deed Elayne hetzelfde.
356 Licht, wat was de lucht koud. De vloer was zelfs nog kouder. De meeste Wijzen kende ze niet, maar één gezicht viel op. Het vroeg witgeworden haar en de gelaatstrekken van Amys gaven haar een onbestemde leeftijd, waardoor ze op een Aes Sedai leek. Ze moest uit Cairhien zijn komen Reizen.
357 Beiden waren sterker in de Ene Kracht dan zij, sterker dan elke Aes Sedai die ze kende, met uitzondering van Nynaeve. Het leek bij de Aiel onbelangrijk maar ze kon geen enkele andere reden bedenken waarom de twee Wijzen altijd vol spot op haar neerkeken. Ze had gedacht dat Amys de leiding zou nemen.
358 Haar geelblonde haren hadden ook iets roods. Ze was niet echt klein maar wel de enige vrouw in de kamer die kleiner was dan Elayne. En ook de zwakste, die amper de stola verworven zou hebben als ze naar Tar Valon zou zijn gegaan. Misschien deed het er echt niet toe bij de Aiel.
359 Twee anderen stapten met haar mee. Een felle rossige die Shyanda heette en die Elayne bij Melaine had gezien en een grijzende vrouw die ze niet kende. Ze hielpen Amys zich uit te kleden. Amys keek fier in haar naaktheid Monaelle aan en gaf een klap op haar strakke buik.
360 Ik zal vragen stellen en jullie antwoorden naar waarheid. Als je weigert te antwoorden, zul je worden weggezonden. Als iemand van de aanwezigen denkt dat je liegt, zul je worden weggezonden. Natuurlijk mogen jullie op elk tijdstip uit jezelf weggaan. Waarmee dit alles ook voor eeuwig is afgelopen.
361 Tijdens haar woorden verweefden zich opeens stromen saidar tussen haar en Aviendha en er klonk geen enkel geluid uit haar mond of uit die van Aviendha. Onbewust nam een deel van haar geest de wevingen op, zelfs nu. Proberen iets te leren hoorde evenzeer bij haar als de kleur van haar ogen.
362 Je vond het prettig als mannen naar je keken en schonk hun een glimlach. Glimlach je nooit naar een man om jouw argumenten kracht bij te zetten? Raak je niet zijn arm aan om hem af te leiden van de zwakte in je redenering? Dat zul je doen en je bent er niet minder door.
363 Ontken het en je ontkent jezelf. Ben je nooit razend geweest en heb je toen niet geslagen? Heb je nooit bloed laten vloeien? Nooit gewild dat het zou gebeuren? Zonder aan andere oplossingen te denken? Zonder verder te denken? Zolang je ademt, zal het deel van je uitmaken.
364 Hart en geest zijn de echte wapens. Heb je op een dag geleerd de speer te gebruiken en werd je daardoor Far Dareis Mai? Als je nu je geest en hart niet scherpt, word je oud en brengt een kind je al in de war. Stamhoofden zullen je niet langer serieus nemen en bij jouw woorden slechts de wind horen.
365 Wellicht zal je man jou nog zien zoals hij je de eerste keer zag, maar geen enkele andere man zal van je dromen. Ben jij dan niet meer jij? Je lichaam is niet meer dan kleding. Je vlees wordt zwak maar je bent ook hart en geest en die veranderen slechts door sterker te worden.
366 Proppen? Proppen!? Af en toe een snoepje, dat was alles. Heel af en toe. Dik? Waarom zat Aviendha haar zo woest aan te staren? Wie weigerde in kniehoog water te stappen, gedroeg zich kinderachtig. Monaelle bedekte haar mond voor een kuchje, maar Elayne vermoedde dat ze lachte.
367 Toen ze de vraag hoorde, was het antwoord zonneklaar geweest, maar ze had toch iets minder kwetsends bedacht, iets wat ook waar was, waardoor ze zich beiden niet verlegen hoefden te voelen. Maar na die woorden over haar lachen tegen mannen en het tonen van haar boezem..
368 Aviendha zou toch zeker niet... Met knipperende ogen duwde Elayne zich op van de ijskoude tegels. Voorzichtig voelde ze aan haar wang en kromp ineen. De rest van de dag zou de handafdruk te zien zijn. Dat mens had toch niet zó hard hoeven te slaan! Iedereen keek toe tot ze weer op haar knieën zat.
369 En de enige reden daarvoor was dat het je werd opgedragen. Laat die klappen gelden voor alle klappen die je elkaar nog wilt geven. Jullie hebben toh jegens elkaar. Toh kun je niet terugbetalen en je zult het niet proberen, want elke vrouw is haar eerstezuster iets verschuldigd.
370 Zij vervaagde. Ze hield op te bestaan. Bewustzijn. Iets van dien aard. Ze dacht niet aan zichzelf als ik, ze dacht in het geheel niet, maar ze was zich bewust. Geluid. Een vloeistof die om haar heen stroomde. Gedempt gegorgel en gerommel. Een ritmisch geklop. Dat vooral.
371 De doem. De doem. Ze kende geen tevredenheid, maar was tevreden. De doem. Tijd. Ze wist niet wat tijd was, maar Eeuwen verstreken. Er klonk een geluid in haar, een geluid dat haar was. De doem. Hetzelfde geluid, hetzelfde ritme als het andere. De doem. En van een andere plek.
372 Dichterbij. De doem. Nog een. De doem. Hetzelfde geluid, dezelfde maat, als van haarzelf. Niet dat van een ander. Ze was dezelfde. Ze waren een. De doem. Voor altijd vervloog door dat ritme alle tijd die ooit had bestaan. Ze voelde de ander die zijzelf was. Ze kon voelen.
373 Zij en die ander die zijzelf was, kronkelden tegen elkaar aan, de ledematen vervlochten zich, schoven opzij maar kwamen voortdurend naar elkaar terug. De doem. Soms was er licht in de duisternis; vaag zonder iets te zien, maar fel voor iemand die niets anders dan duisternis had gekend.
374 De doem. Ze opende haar ogen, staarde in de ogen van iemand die zijzelf was en sloot de ogen. Tevreden. De doem. Verandering, plots, angstwekkend voor iemand die nooit verandering had gekend. Druk. De doem. De doem. Dat geruststellende ritme was sneller. Samenpersende druk.
375 Ze wist niet wat vrees was, maar ze was bang en alleen. De doem. De doem! Druk! Groter dan ooit tevoren! Het perste, het drukte haar fijn. Als ze had geweten hoe ze moest krijsen, als ze had geweten wat gekrijs was, zou ze hebben gekrijst. En toen opeens licht, verblindend, vol wervelende patronen.
376 Ze schopte zwakjes en trappelde met benen en zwaaide met armen die niet wisten wat beweging was. Ze werd opgetild, op iets zachts gelegd dat toch ruwer was dan alles wat ze eerder had gevoeld, afgezien van herinneringen aan die ander die zijzelf was, de ander die verdwenen was.
377 O ja, ze was Elayne. Ja, Elayne Trakand. Maar er was nu iets meer in haar. Het was geen zwaardhandbinding, maar het leek er wel op. Zwakker, maar mooier. Langzaam, met een hoofd dat licht heen en weer rolde, keek ze op om die ander te zien die zijzelf was en die tegen de andere borst van Amys lag.
378 Met tegenzin gooide ze haar dekens opzij. Het gebouw was een soort kleine opslagruimte geweest, met dikke muren en zware lage zolderbalken, maar nergens was een haard. Haar adem vormde wolkjes en de ijzige ochtendlucht beet al door haar dunne nachtgoed voor haar voeten de ruwe planken raakten.
379 Logain, die was gestild en op de een of andere manier weer kon geleiden, die het had gewaagd haar, Toveine Gazal, met zijn vervloekte saidinweving te binden. Jammer voor hem dat hij haar niet had bevolen te stoppen met denken. Ze kon hem voelen, achter in haar hoofd. Hij was er altijd.
380 Heel even kneep ze haar ogen dicht. Licht! De boerderij van vrouw Doweel had de Doemkrocht geleken, een jarenlange boetvaardige verbanning zonder andere uitweg dan iets ondenkbaars zoals een opgejaagde afvallige worden. Amper een halve week nadat ze gevangen was had ze al beter geweten.
381 Kwaad hoofdschuddend wreef ze met haar vingers een vochtige glinstering van haar wangen. Nee! Ze zou hoe dan ook ontsnappen, al was het maar net lang genoeg om Elaida te wurgen. Hoe dan ook. Hoewel er slechts een bed en drie meubelstukken stonden, was er maar weinig ruimte.
382 Dat en verder niets. Gedachteloos waste ze zich en poetste ze haar tanden met zout en soda, waarna ze schoon goed en schone kousen pakte uit de kleine houten kist aan het voeteneind en die aantrok. Ze liet haar ring in de kist liggen, verstopt in een fluwelen beursje onder vele andere dingen.
383 Ook bevolen. Al haar eigendommen met uitzondering van een schrijftafeltje waren hier. Gelukkig was ze dat kwijtgeraakt toen ze overwonnen werd. Haar gewaden hingen aan een kapstok, het derde meubelstuk. Ze koos er een zonder echt te kijken, trok hem gedachteloos aan en gebruikte kam en borstel.
384 Hier en daar spraken enkelen mompelend met elkaar, maar de rest meed elkaars blik, zelfs leden van dezelfde Ajah. Er hing een sfeer van vrees, maar op de meeste gezichten stond schaamte te lezen. Akoure, een stevige Grijze zuster, stond naar de hand te staren waar ze altijd haar ring droeg.
385 Desandre, een magere Gele, verborg haar rechterhand onder de oksel. Het zachte gefluister verdween toen Toveine verscheen. Verschillende vrouwen keken haar woedend aan, onder wie Jenare en Lemai. Haar eigen Ajah! Desandre was zo verstandig om zich stijfjes om te draaien.
386 Als Logain niet had ingegrepen zouden ze de eerste nacht al wraak hebben genomen. Ze vond hem niet aardiger doordat hij een eind aan de afstraffing had gemaakt en vervolgens Carniele had bevolen haar opgezette bulten en schrammen te helen die door riemen, vuisten en voeten waren toegebracht.
387 Ze was liever doodgeslagen dan hem iets verschuldigd te zijn. Ze deed haar mantel aan en liep trots door de gang naar buiten; het bleke ochtendlicht paste goed bij haar matte stemming. Achter haar riep iemand bijtende woorden voor de dichtvallende deur ze onhoorbaar maakte.
388 Met trillende handen deed ze haar kap op en schikte het donkere bont rond haar gezicht. Niemand kon ongestraft Toveine Gazal vernederen. Zelfs vrouw Doweel, die haar in de loop der jaren een schijnbare onderwerping had afgedwongen, had dat aan het eind van Toveines verbanning geleerd.
389 Weliswaar was ze één ogenblik in paniek geraakt, maar dat deed er niet meer toe. Wat er wel toe deed, waren vijfhonderd man die konden geleiden; ze waren als een klein botje dat klem zat tussen haar tanden en niet los kwam. Vijfhonderd! En sommigen konden Reizen. Een heel scherp botje.
390 Erger nog, ze had ruim een span door de bossen gezwoegd voor ze bij de muur was beland. Door wat ze eruit kon afleiden, werd ze bang. Nergens was de muur af, nergens meer dan twaalf of vijftien voet hoog en de meeste torens en versterkingen waren nog niet eens aanwezig.
391 De man had haar zo volkomen in zijn macht dat hij niet eens een poging deed om te liegen. Hij noemde de muur een verspilling van tijd en moeite en wellicht was het dat ook, maar ze klappertandde bij de gedachte. Pas drie maanden. Gemaakt met de Ene Kracht. De mannelijke helft van de Ene Kracht.
392 Als ze aan die zwarte muur dacht, zag ze een onverzettelijke strijdmacht die niet tegengehouden kon worden, zag ze een lawine van zwarte steen die de Witte Toren begroef. Onmogelijk natuurlijk. Onmogelijk, maar wanneer ze niet over het wurgen van Elaida droomde, droomde ze daarvan.
393 Nog vreemder waren de kinderen die door de straten renden rond de groepen geleiders en die schreeuwend en lachend rondbuitelden en elkaar gekleurde ballen toegooiden, of met poppen of honden speelden. Een stukje alledaagsheid dat de smerige stank van de rest versterkte.
394 Een groep ruiters kwam stapvoets door de straat naar haar toe. In de korte tijd dat ze hier was geweest – die eindeloze tijd – had ze niemand in het dorp zien rijden, afgezien van werklui op karren of wagens. Zelfs geen bezoeker en sommige van deze ruiters moesten bezoekers zijn.
395 Vijf man in het zwart begeleidden ongeveer tien mannen die de rode jassen en mantels van de koninginnegarde droegen en die onder aanvoering van twee goudblonde vrouwen stonden. Een in een roodwitte mantel afgezet met zwart bont en de ander... Toveines wenkbrauwen rezen hoog op.
396 Toveine trok haar mantelkap wat meer naar voren om haar gezicht te verbergen en bewoog opzij, naar de hoek van een kleiner huisje. Een oude man met een vorkbaardje kwam naar buiten. Hij droeg een zilveren zwaardspeld op de hoge kraag en keek haar nieuwsgierig aan zonder echter in te houden.
397 Elaida had niet ronduit gezegd waarom ze die weggelopen Aanvaarde zo graag in handen wilde krijgen, nog wel een die koningin kon worden, maar geen enkele zuster mocht de Toren uit zonder bevelen wat te doen als ze dat meisje tegenkwam. Pas maar op, Elayne Trakand, dacht Toveine.
398 Hij zou weldra naar buiten komen. Hij had haar gezegd gereed te staan wanneer hij naar buiten stapte. Haar benen bewogen nog sneller dan haar gedachten. Het gevolg was dat haar benen in de rokken verward raakten en ze zo hard op de grond klapte dat het haar de adem benam.
399 Ruw geschreeuw van de mannen volgde haar in de straat en lachende kinderen wezen toen ze voorbijholde. Opeens schoot een troep honden op haar af, grauwend en bijtend naar haar benen. Ze sprong, tolde rond en schopte, maar de honden bleven haar aanvallen. Ze kon wel gillen van ergernis en woede.
400 Een grijze hond greep een loshangende rokpunt en trok haar opzij. Ze raakte in paniek. Als ze nu viel, zouden ze haar in stukken scheuren. Een schreeuwende vrouw in bruin wollen kledij zwaaide met een zware mand naar de hond die aan Toveines rok trok. Het dier sprong opzij.
401 De emmer van een gezette vrouw trof de ribben van een gevlekte bruine hond en hij ging er jankend vandoor. Toveines mond viel open van verbazing en moest voor haar onachtzaamheid boeten met een kapotte kous en wat huid van haar linkerbeen dat gegrepen was door een andere hond.
402 Ze rende verder en dacht verwoed na. De vrouwen wisten het. Als een het wist, wisten ze het allemaal. Maar ze zouden geen berichten doorspelen, niet helpen bij een ontsnapping, niet wanneer ze daar uit vrije wil bleven wonen. Niet als ze begrepen waaraan ze meehielpen. Ze had er niets aan.
403 Ze kon hem wel voelen, hij ging volkomen op in iets. Lezen misschien. Het laatste stuk liep ze heel waardig. Beheerst en ondanks alles tot in haar pink een Aes Sedai. Het lukte haar bijna haar panische vlucht voor de honden te vergeten. Telkens als ze het huis zag, verbaasde het haar.
404 Een alledaags houten huis met een verdieping, hoewel de rode deur, de luiken en vensters vreemd aandeden. De simpele gordijnen beletten dat ze naar binnen kon kijken, maar het glas was zo slecht dat ze zelfs met open gordijnen binnen amper iets had kunnen onderscheiden.
405 Ze zette de zuster uit haar gedachten. Hoewel... Als Gabrelle echt te laat kwam, moest ze uitzoeken hoe de vrouw dat klaarspeelde. Maar nu moest ze zelf kennis opdoen. De wachtende mannen voor de rode deur namen haar op maar zeiden niets, zelfs niet tegen elkaar. Toch was er geen vijandschap.
406 Ze wachtten gewoon. Geen van hen droeg een mantel, hoewel hun adem bleke wolkjes voor hun gezichten vormde. Ze waren allemaal Toegewijden met de zilveren zwaardspeld op de kraag. Zo was het elke ochtend geweest als ze zich kwam melden, hoewel er niet altijd dezelfde mannen stonden.
407 Hij stond tegen de hoek van het huis met een touwtje te spelen. Donalo Sandomere, als dat tenminste zijn naam was, met zijn gerimpelde boerse gezicht en scherp gesneden geoliede baardje, probeerde de verveelde houding aan te nemen die volgens hem bij iemand van adel paste.
408 Ze verzamelde in gedachten een lijstje namen en gezichten. Vroeg of laat zou er op hen worden gejaagd en elke inlichting die kon helpen hen te vinden, zou nuttig zijn. De rode deur ging open en de mannen richtten zich op, maar het was niet Logain die naar buiten stapte.
409 Kurin grijnsde openlijk en streek met een duim langs zijn smalle snorretje. De vrouw was zo onbeschaamd niet eens rood te worden. Ze trok haar wipneus iets op en schikte toen ferm haar donkerblauwe gewaad bij de heupen, alsof ze bekend wilde maken dat ze het net had aangetrokken.
410 Ik prijs mezelf gelukkig dat het me slechts vier dagen kostte om hem ervan te overtuigen mij de kans te geven. Roden zoals jij beseffen dat misschien niet, maar mannen zijn dol op gesprekken en roddels. Je hoeft alleen maar te luisteren of net te doen alsof en elke man vertelt jou zijn hele leven.
411 Ze wilde dat net zeggen toen Logain zelf verscheen en de deur achter zich dichtdeed. Hij was lang, groter dan de mannen om hem heen. Zijn donkere haren raakten brede schouders en omkransten een hooghartig gezicht. Zijn hoge kraag toonde zowel het zilveren zwaard als die belachelijke slang met poten.
412 Toveine luisterde aandachtig. Nynaeve Almaeren. Ze had die naam vaak gehoord na haar terugkomst in de Toren. Ook een weggelopen Aanvaarde. Nog zo een die Elaida verschrikkelijk graag wilde vangen, veel gretiger dan normaal was. Eveneens afkomstig uit het dorp van Altor.
413 Door een Aanvaarde? Dat was onwaarschijnlijk en grensde aan het onmogelijke, maar ze had al eerder het onmogelijke zien gebeuren en dus prentte ze ook deze kennis goed in haar geheugen. Ook Gabrelle luisterde nauwgezet, merkte ze. Maar ze hield ook Toveine vanuit haar ooghoeken in de gaten.
414 Blijf maar zo goed mogelijk op die mannen uit Tweewater letten. Je hoeft ze niet te vertroetelen, anders nemen anderen hen te pakken, maar probeer te voorkomen dat ze stomme dingen doen. De Drakenheer vindt het waarschijnlijk niet leuk als we te veel mensen uit zijn streek doden.
415 Stomme boeren. De Toren nam alleen meisjes van onder de vijftien op wanneer ze al een eerste begin met geleiden hadden gemaakt. Dat andere was echter boeiender. Weer Tweewater. Iedereen zei dat Rhand Altor zich niets aantrok van zijn geboortestreek, maar zij was daar niet zo zeker van.
416 De anderen keken elkaar zwijgend aan met gezichten die uit steen leken gehouwen. Ze verbeet haar ergernis terwijl ze rondkeek. Dit soort dingen gebeurde te vaak. Er waren onderwerpen waar ze verder niets over wilden zeggen – of waren ze er bang voor? – en zij begreep er niets van.
417 Voortdurend had ze het gevoel dat hier kostelijke feiten verborgen lagen. Maar net buiten haar greep. Een brede Cairhienin, die nog net tot Logains borst reikte, wilde wat zeggen, maar of hij nog iets meer over Mishraile wilde vertellen of wie dat was, zou ze nooit te horen krijgen.
418 Ze had de mannen al eerder over Taims paleis horen praten en vandaag had ze gehoopt het te vinden en wellicht een glimp op te vangen van de man wiens naam even besmeurd was als die van Logain. In plaats daarvan volgde ze de andere vrouw gedwee de rode deur in. Het had geen zin er tegenin te gaan.
419 Binnen keek ze de voorkamer rond, terwijl Gabrelle haar mantel aan een haak hing. Ondanks de buitenkant had ze bij Logain iets grootsers verwacht. Een klein houtvuur brandde in een ruwstenen haard. Een lange smalle tafel en stoelen met lattenruggen stonden op kale planken.
420 Haar vingers jeukten maar ze wist dat ze niet in staat zou zijn ook maar iets anders aan te raken dan de pen of het potje met inkt. Zuchtend volgde ze Gabrelle de keuken in, waar een ijzeren kachel te veel hitte uitstraalde en vuile ontbijtborden op een lage kast onder het venster stonden.
421 Ze wilde geen thee, tenzij ze er wat eten bij kreeg, ze had immers het ontbijt gemist, maar ze wist dat ze de thee zou drinken. De dwaze Bruine zuster praatte over koetjes en kalfjes, terwijl ze haar keukentaken uitvoerde als een kalme boerin, ik ben al een heleboel te weten gekomen.
422 De anderen wonen allemaal in Taims paleis. Ze hebben bedienden, maar Logain heeft de vrouw van een man in opleiding in dienst genomen om voor hem te koken en te wassen. Ze zal gauw komen en vindt hem haar zonnetje aan de hemel, dus kunnen we belangrijke zaken maar beter nu bespreken.
423 Natuurlijk hebben ze zich zeer veel moeite getroost om ons hierheen te brengen. Er zijn nu eenenvijftig zusters hier en zelfs met die binding moeten ze bang zijn dat wij een uitweg zullen vinden om ongehoorzaam te zijn, een of andere opening die zij niet gezien hebben. Het antwoord is duidelijk.
424 De eerste vraag is: gaan wij ons verenigen of gaan we ons weer als Bruinen en Roden, als Gelen, Groenen en Grijzen gedragen? En wat moet die arme Ayako, die het wel heel erg zal spijten dat de Witte zusters erop stonden dat er uit hun kring iemand meeging? Lemai en Desandre zijn de hoogsten in rang.
425 Zich onderwerpen aan een zuster was op zich geen zware opdracht. De Ajahs hadden altijd geheimen gekoesterd en hadden soms tegen elkaar geïntrigeerd, maar de openlijke tweedracht die nu de Toren beheerste, stond haar tegen. Bovendien had ze bij vrouw Doweel geleerd hoe ze zich nederig kon gedragen.
426 Bruinen waren altijd beter met boeken dan met mensen als ze erover nadacht. Voor Logain en Taim en de anderen aan hun eind kwamen, zouden zij Toveine Gazal helpen Elaida van de troon te stoten. De grote stad Cairhien was een opeengeperste steenmassa binnen dikke muren op de oever van de Alquin.
427 De handel verliep trager door oorlogen, de winter en de Herrezen Draak, maar kwam nooit echt tot stilstand, behalve wanneer de naties zelf stierven. Ondanks de kou stroomden wagens, karren en mensen door de straten die de terrasheuvels van de stad bedekten. De Stad zei men hier.
428 De menigte voor het Zonnepaleis was echter stil. Ruim een span van het paleis vandaan stond Rhand in een venster van de groots genaamde School van Cairhien en tuurde door de bevroren ruiten naar het bestrate erf onder hem. In de tijd van Artur Haviksvleugel waren er al scholen geweest en eerder ook.
429 Hij stond echter aan belangrijker zaken te denken. Was het een fout geweest om zo snel naar Cairhien terug te keren? Hij was echter gedwongen geweest er snel vandoor te gaan en op de juiste plekken zou men al snel weten dat hij echt was gevlucht. Te snel om alles voorbereid te hebben.
430 Hij hoorde haar mompelend de planken afzoeken waar ze na Fels dood waren geplaatst. Door de schenkingen van boeken en geschriften die de Drakenschool nog niet bezat, breidde de verzameling zich snel uit over de leegstaande vertrekken van het voormalige paleis van heer Barthanes.
431 Het Licht zij dank was Lews Therin nu stil. De laatste tijd leek de man gekker dan ooit. Hij wreef met zijn mouw een plek schoon op het glas. Dikke grijze wol, goed genoeg voor een man van weinig aanzien en met weinig geld. Het was geen kledingstuk dat iemand bij de Herrezen Draak zou verwachten.
432 Een handvol mannen in dikke jassen met dassen en hoofddeksels hield zich blijkbaar bezig met de vreemde lading op de wagen. Draaiende toestellen rond een dikke metalen buis die meer dan de helft van de wagen in beslag nam. Nog vreemder waren de ontbrekende paar denbomen.
433 Het open luik van die doos gloeide door het vuur erbinnen en uit een smalle hoge schoorsteen kringelde rook. Een kale man met baard sprong om de wagen heen, gebarend en blijkbaar bevelen schreeuwend die weinig effect op de anderen leken te hebben. Hun adem vormde ijlwitte wolkjes.
434 De wond in zijn zij, die nooit helemaal wilde genezen, voelde heet aan. Het gevloek van Min drong niet echt tot hem door. Hij wist dat het van haar kwam, maar aan haar toon kon hij al horen dat ze niet zou vertrekken tenzij hij haar wegdroeg. Er waren een of twee zaken die hij nog wenste te weten.
435 Mensen die denken dat u de Amyrlin Zetel gehoorzaamheid hebt gezworen, geven de voorkeur aan de Verzakers. Hoe dan ook, er wordt behoorlijk veel gepraat over de vraag of u dood bent, ontvoerd of gevlucht. De mensen nemen aan dat u nog ergens leeft, of beweren dat ze dat geloven.
436 Op het erf stapte een man van de wagen af, maar de kale kerel greep hem vast en sleurde hem weer terug om hem te laten aanwijzen wat hij gedaan had. Aan de andere kant sprong een man op de stenen en de man zonder hoed liet de eerste in de steek om ervoor te zorgen dat die ander weer terugklom.
437 Geen knappe man, maar betrouwbaar. Blauwwitte banen liepen over de voorkant van zijn donkere fluwelen jas vanaf zijn nek bijna tot aan zijn knieën. Zijn zegelring was een geslepen robijn en er zat er nog een op de kraag die weinig groter was, maar voor een Cairhienin was het pronkerig.
438 Alleen als hij dichter bij het paleis was, zouden ze voelen dat hij hier een poort schiep. Die drie mannen hadden niet meegedaan aan de aanval, maar een goed strateeg zou de kans op mislukking in zijn opzet hebben meegenomen. Zou een plan klaar hebben om na afloop iemand in zijn nabijheid te houden.
439 Je overleeft het niet, fluisterde Lews Therin. Geen van ons overleeft het. Ga slapen, dacht Rhand geërgerd. Hij wist best dat hij het niet zou overleven. Maar hij wilde het wel. Een honend gelach vormde het antwoord, maar het gelach stierf weg en verdween ten slotte helemaal.
440 En Darlin Sisnera leidde de Tyreense edelen die hem uit hun kostelijke Steen wilden gooien. Rhand fronste. Hij was er zeker van dat Cadsuane haar aandacht volledig op hem had gericht, al deed ze net of dat niet zo was. Maar wat als het inderdaad niet waar was? Dan was dat een opluchting.
441 Maar natuurlijk trok hij haar volle aandacht en het laatste dat hij nodig had, was een Aes Sedai bemoeial. Het allerlaatste. Misschien richtte Cadsuane haar bemoeizucht nu op andere zaken. Min had gezien hoe Sisnera een vreemde kroon droeg en Rhand had veel over haar beeld nagedacht.
442 Hij wilde niet denken aan de andere dingen die zij over hem en de Groene Aes Sedai had gezien. Kon het iets simpels zijn, zoals het denkbeeld dat zij, Cadsuane, kon beslissen over de heerschappij van zowel Tyr als Cairhien? Simpel? Hij moest bijna lachen. Maar zusters gedroegen zich zo.
443 Bevend, want hij leek nog sneller te kloppen dan een hart. De meeste mannen begonnen er weer aan alle kanten aan te werken. Een man draaide met een doek om de hand verwoed iets rond. Onverwachts schoot er stoom omhoog uit een pijp en werd het trillen minder tot het helemaal stopte.
444 Hij herinnerde zich nu die Mervin weer, met zijn ontwerp dat op een tafel stond te schudden en niets deed. En dit wonder was de opvolger? Hij had toen gemeend dat je er muziek mee kon maken. Dan moest die man die daar rondsprong en zijn vuist hief naar de anderen die Mervin zijn.
445 Ik neem aan dat u op wapens hoopte, maar nu heb ik tientallen dromers en uitvreters binnen en iedereen heeft minstens één heel oud boek of manuscript, zo niet meer in bezit. Ze stammen minstens uit de tijd van het Covenant van de Tien Naties, als het al niet uit de Eeuw der Legenden zelf is.
446 De moeilijkheid was dat hij geen flauw benul had wat dat kon zijn, afgezien van de School zelf. Wie wist vooraf wat een wonder vermocht? Licht, hij wilde iets bouwen dat blijvend zou zijn. Ik meende dat ik iets kon opbouwen, mompelde Lews Therin in zijn hoofd. Ik had het mis.
447 Wij zijn geen bouwers, jij niet, ik niet en die ander ook niet. Wij zijn vernietigers. Vernietigers. Rhand huiverde en streek met de handen door zijn haar. De ander? Er waren tijden dat de stem heel normaal klonk terwijl die de gekste dingen zei. Ze stonden hem aan te kijken.
448 Dobraine verborg amper zijn onzekerheid en Idrien nam niet eens de moeite. Rhand richtte zich op of er niets aan de hand was en haalde twee kleine pakjes uit zijn jas. Beide vertoonden de draak in een lange strook rode was. De riemgesp die hij nu niet droeg, leverde een indrukwekkend zegel op.
449 Mins stem klonk nu opgewekter. Ze moest Fels boeken hebben gevonden. Hij zou haar toestaan hem tot haar dood te laten volgen, want hij was niet sterk genoeg om haar weg te houden. Ilyena, kreunde Lews Therin. Vergeef me, Ilyena! Rhands stem klonk als de bittere kou van hartje winter.
450 Het Hoofd der School slaagde erin zowel blij als ontevreden te kijken. Ze was druk en overbodig bezig haar rok glad te strijken als een vrouw die onder zware druk haar mond moet houden. Al klaagde ze zo nog zoveel over de dromers en wijsgeren, boven alles wilde ze een zo goed mogelijke School.
451 Hij had Min en Rhand eerder meegemaakt. Daarna zorgde Rhand dat zijn bezoekers zo snel mogelijk verdwenen. Ze hadden al genoeg gezien en gehoord. Hij stuurde hen weg en bezwoer hen te zeggen dat hij er nooit geweest was. Dobraine knikte alsof hij niet anders had verwacht.
452 In elk geval hadden ze weinig tijd. Misschien was niemand die het kon weten zo dichtbij dat hij de opening van een poort voelde, maar wie goed naar de aanwijzingen keek, zou zeker weten dat er een geleider in de stad was. Het was niet zijn bedoeling nu al gevonden te worden.
453 Hij kon het enigszins beheersen. Gewoonlijk. Vaak. Deze duizeligheid door saidin was echter nieuw. Misschien had hij zich te snel omgedraaid. En misschien vlogen varkens echt. Hij schoof de band van de leren tas over zijn vrije schouder. De mannen op het erf waren nog aan het werk.
454 Maar het lukte hem rechtop te blijven staan. Nog net. En hij kon nog net de stromen voor een poort weven, die zich opende naar een besneeuwd veld waar twee gezadelde paarden aan een lage tak van een eik stonden vastgebonden. Hij zag tot zijn opluchting dat de dieren er nog waren.
455 Daarnaast waren er nu ook een groot aantal half bevroren mannen en vrouwen met pijnlijke voeten die het volledige genot van losbandigheid smaakten en vermoeid raakten van het zoeken naar onbekende verten. Zelfs deze grove rijdieren zouden verdwenen zijn als iemand had gemerkt dat ze onbewaakt waren.
456 Ik weet dat het belangrijk is. Kijk niet zo verbaasd. Je hebt die tas de hele tijd in het oog gehouden. Waarom voer je je plannen niet verder uit en leg je overal valse sporen? En vervolgens uiteraard het echte spoor. Je pakt ze aan wanneer ze dat het minst verwachten, heb je gezegd.
457 Zwijgend reden ze verder. Nog steeds hield hij enkele dingen voor haar geheim, zoals die misselijkheid die hem telkens overviel wanneer hij geleidde. Dat was de echte reden waarom hij eerst met Dashiva en de anderen wilde afrekenen, want zo schiep hij tijd om die misselijkheid te overwinnen.
458 Dan vervagen de sagen tot mythen, tot ook die allang vergeten zijn bij de wederkomst van de Eeuw die deze verhalen schiep. In een Eeuw – door sommigen de Derde Eeuw genoemd, een Eeuw die nog zal komen, een Eeuw die reeds voorbij is – stak een wind op boven de Arythische Oceaan.
459 Maar het was een begin. Oostwaarts blies de wind, boven de koude grijsgroene golven van de oceaan, naar Tarabon, waar over een afstand van enkele spannen langs de lage kustlijn schepen aan hun ankers trokken, schepen die reeds gelost waren of wachtten tot ze de haven van Tanchico in konden varen.
460 Naar het oosten blies de wind, span na span, soms luwend en soms aanwakkerend, maar hij ging nimmer liggen. Oostwaarts, en dan naar het zuiden, over wouden en vlakten in de greep van de winter, met hun kale takken en dorbruine gras. Ten slotte passeerde hij de vroegere grens van Tarabon en Amadicia.
461 Oostwaarts en zuidwaarts, om de zuidelijke uitlopers van de Mistbergen heen, wervelend over het hoog ommuurde Amador. Het veroverde Amador. De banier boven op de sterke Burcht van het Licht klapperde in de wind en de gouden havik leek echt te vliegen, met bliksemflitsen in zijn klauwen geklemd.
462 Neergeslagen, niet alleen om te letten op het gladde plaveisel, maar ook om het zicht te vermijden op een voorbijrijdende Seanchaan, zittend op een beest dat eruitzag als een met bronzen schubben beklede kat ter grootte van een paard, of op in maliesluiers geklede Taraboners.
463 Sneeuw dekte geblakerde balken en verlaten schuren toe en verzachtte het beeld, ook al heerste de vorst met zijn dodelijke straf van hongersnood. Zwaard en bijl en speer waren reeds bekend en gebleven voor nieuwe doden. Verder naar het oosten gierde de wind klagend over het ommuurde Abila.
464 Er wapperden geen banieren op de wachttorens van de stad, want de Profeet van Heer Draak verbleef er en hij had geen banier nodig, slechts zijn naam. In Abila huiverden de mensen meer bij het horen van de naam van de Profeet dan voor de wind. Ook elders huiverden mensen voor zijn naam.
465 Hij hield zijn gezicht strak, maar hij was te woedend om de koude te voelen. Het kostte hem moeite om zijn hand niet naar de bijl in zijn riem te laten afdwalen. Masema hij zou de man nimmer de Profeet noemen, nimmer – was waarschijnlijk een dwaas en overduidelijk gestoord.
466 Het waren magere kerels in gestolen zijden kleren, baardeloze leerlingen in gescheurde mantels en voormalige rijke kooplieden in de resten van fijne wol. Hun adem kwam dampend en sommigen zonder mantel huiverden, maar in de vuisten van iedere man lag een speer of een kruisboog met aangelegde pijl.
467 Vijandig of niet, op bevel van Masema zouden ze hem en ieder ander doden. Op bevel van Masema zouden ze hele naties uitmoorden. En terwijl hij hun geur opving, voelde hij een koude die dieper ging dan welke winterwind ook. Hij was meer dan blij dat hij geweigerd had om Faile mee te nemen.
468 Na de bijeenkomst in het huis was hij opgelucht om de mannen weer te zien die hij bij de rijdieren had achtergelaten. Ze zaten te dobbelen naast de dieren, of deden alsof, op een stukje plaveisel waar de meeste modderige sneeuw was weggeschraapt. Hij vertrouwde Masema voor geen zier.
469 De mannen besteedden meer aandacht aan het huis en de wachters dan aan hun spel. Bij zijn komst sprongen de drie zwaardhanden overeind en hun ogen zochten naar het gezelschap dat achter hem aankwam. Hun handen hingen niet ver van hun zwaarden. Ze wisten wat hun Aes Sedai daarbinnen gevoeld had.
470 Zijn gouden ogen stonden kalm. Hij was een slungelige oude man met een breedgerande hoed, grijzend haar tot aan zijn middel en een lange baard die uitwaaierde over zijn borst. Hij had een lang mes aan zijn riem, geen zwaard. Maar hij was een zwaardhand geweest. En eigenlijk was hij dat nog steeds.
471 Het kon hem niet schelen wat de vraag was. Neald gaf Elyas de teugels van zijn muiskleurige ruin voor hij met verbeten mond op zijn eigen gevlekte paard klom. Perijn had geen tijd voor de lichtgeraakte Morlander. Rhand had hem hierheen gestuurd om Masema terug te brengen, en Masema zou komen.
472 Hij moest hem bijwerken. Of eigenlijk laten bijwerken. Als hij de schaar oppakte, zou Faile die afpakken en aan Langwin Dorn geven. Het leek nog steeds onmogelijk dat die breedgeschouderde logge man met zijn verweerde gezicht en grote vuisten de vaardigheid van een kamerdienaar had.
473 Licht! Een kamerdienaar. Hij kon aardig overweg met Faile en haar vreemde Saldeaanse manieren, maar hoe beter het hem afging, hoe meer zij erin slaagde alles naar haar hand te zetten. Dat deden vrouwen natuurlijk altijd al, maar soms dacht hij dat hij de ene wervelwind voor de andere had verruild.
474 Maar hij betwijfelde of het hem lukte zo te schreeuwen. Haar uitschelden was al erg genoeg, als zij het eerst begon. Het was trouwens dwaasheid om daar nu aan te denken. Hij keek naar de anderen, die naar hun paarden liepen zoals hij gereedschap voor een moeilijke klus zou hebben bekeken.
475 Hij was bang dat Masema ervoor zou zorgen dat deze reis zijn moeilijkste opdracht ooit ging worden en zijn gereedschap zat vol scheurtjes. Seonid Traighan en Masuri Sokawa bleven naast hem staan. Ze hadden hun kap ver naar voren getrokken zodat hun gezichten in de schaduw bleven.
476 Hij wilde de beweegredenen niet nog eens horen, nu niet en straks niet. En het scheen ook overbodig. Achter de Aes Sedai doemden Edarra en Carelle op. Ze hadden hun donkere omslagdoeken al om het hoofd geslagen. Wat er nu nog op hun rug en borst hing, leek onvoldoende bescherming tegen de kou.
477 De Wijzen waren het helemaal eens over Masema en dat gold voor alle Wijzen in zijn kamp. Het was een behoorlijk hete soep die iedereen zonder zich te branden mee moest nemen naar Cairhien. Jur Gradi en Aram zaten al te paard en hij kon hun geur temidden van de anderen niet opvangen.
478 Arams groene ketellappersmantel bolde op en flapperde in de wind terwijl hij de teugels opnam. Zijn zwaard stak boven zijn schouder uit. Arams gezicht weerspiegelde opwinding en Perijns hart zonk. In Masema had Aram een man ontmoet die zijn leven en hart en ziel aan de Herrezen Draak had gegeven.
479 Op Arams lijstje stond de Herrezen Draak dicht achter Perijn en Faile. Je hebt de jongen geen dienst bewezen, had Elyas Perijn gezegd. Je hebt hem afgeholpen van datgene waar hij in geloofde, en nu is alles wat bij heeft zijn geloof in jou en dat zwaard. Dat is niet genoeg, voor geen enkel mens.
480 Een hete soep waar vergif in kon zitten, voor sommigen. Misschien bezagen de wachters Perijn in verwondering, maar ze bewogen zich pas toen iemand uit een raam van het huis iets riep. Ze schoven opzij en lieten zoveel ruimte open dat de ruiters achter elkaar weg konden rijden.
481 Niet zo lang geleden was Abila een grote, welvarende stad geweest, met zijn stenen marktplein en drie verdiepingen hoge gebouwen met leien daken. De stad was nog steeds groot, maar puinhopen gaven aan waar huizen en herbergen waren afgebroken. Er stond geen herberg meer overeind in Abila.
482 Het ware grauwe mensen in grauwe kleren die meestal angstig naar de straatkant uitweken. Er waren geen kinderen. Ook geen honden; voedsel moest hier een probleem zijn. Overal waadden groepen gewapende mensen door de enkeldiepe modder die de avond tevoren sneeuw geweest was.
483 Het Licht zij geprezen dat de man ermee ingestemd had om slechts een honderdtal mee te nemen. Het had een uur geduurd voordat Masema daarmee ingestemd had. Op het laatst had zijn verlangen om Rhand zo snel mogelijk te bereiken zonder te hoeven Reizen, het pleit beslecht.
484 Als ze te paard konden wegrijden, moest dat de wens van Masema zelf zijn. Perijn hoefde niemand te zeggen om bij elkaar te blijven. Er hing een afwachtend gevoel in Abila, en niemand die maar enigszins bij zijn verstand was, wilde in de buurt zijn als daaraan een eind kwam.
485 Haar schrijver en die van Perijn. Hij wist eigenlijk niet goed wat hij met een schrijver aan moest, maar het mannetje bezat bekwaamheden die verder gingen dan zijn goede handschrift. En dat liet hij merken zodra ze de stad achter zich gelaten hadden en midden tussen lage, beboste heuvels reden.
486 Iedereen was eraan gewend geraakt dat de kleine man zo geheimzinnig deed. Over de reden waarom hij liever niet wilde dat iemand wist dat hij in elk dorp of stadje nieuws vergaarde, wilde Perijn niet eens nadenken. Hij moest toch weten dat Perijn zijn bevindingen met Faile en Elyas besprak.
487 Er was niets dat de Seanchanen nu verhinderde zo snel mogelijk door te stoten, hoewel ze dat bij tegenstand even goed deden. Hij zei dat met zoveel woorden en Balwer knikte met een goedkeurend dun glimlachje. De man stelde het op prijs als Perijn de waarde inzag van wat hij te melden had.
488 Perijn kon zich een tijd herinneren waarin hij even weinig zorgen had als die havik. Vergeleken met nu tenminste. Dat was een hele tijd geleden, ik vermoed dat de Witmantels meer belang hebben bij het ontwijken van de Seanchanen dan bij het lastig vallen van ons, Balwer.
489 Opnieuw flitste Dumaisbron door zijn gedachten, sterker dan eerst. Even was hij weer terug, rug aan rug met Loial, wanhopig vechtend, er zeker van dat elke ademtocht zijn laatste zou zijn. Voor het eerst op deze dag huiverde hij. Rhand was gelukkig van de Seanchanen op de hoogte.
490 Daar hoefde hij zich tenminste geen zorgen over te maken. Hij merkte dat Balwer hem aankeek. Hem aankeek zoals een vogel een vreemd insect bekijkt. Hij had gezien dat Perijn huiverde. De kleine man wilde alles weten, maar er waren een paar geheimen die niemand ooit te weten zou komen.
491 Perijns blikken keerden terug naar de havik, die zelfs voor hem nauwelijks meer zichtbaar was. De vogel deed hem aan Faile denken, zijn vurige haviksvrouw. Zijn geweldige haviksvrouw. Hij bande de Seanchanen, de Witmantels, de veldslagen en zelfs Masema uit zijn gedachten.
492 Het liep tegen de middag toen hij tussen de bomen afsloeg. Terwijl de paarden zich soms een weg moesten banen door kniediepe sneeuwhopen, legden ze de laatste span naar het kamp af, waar ze de mannen uit Tweewater, de Aiel, de Mayeners en de Geldaners had achtergelaten.
493 Vijfhonderd pas van de vlakke rotsheuvel waar de Wijzen hun lage tenten hadden neergezet, stonden de Mayeners in hun grijze mantels opgesteld. Alle negenhonderd. Paarden stampten ongeduldig, de rode mantels en de lange rode banieren aan de speren wapperden in de koude wind.
494 Het was een fraai gezicht voor een parade, maar dit was geen parade. De Vleugelgarde stond in slagorde vanwege de Geldaners en de Geldaners konden zo optrekken naar de heuvel. En de top van de heuvel was omsingeld door mannen uit Tweewater, die hun voetbogen in de hand hadden.
495 Niemand had nog een boog gespannen, maar iedere man had een pijl aangelegd. Het was waanzin. Perijn dwong Draver met zijn laarzen tot een galop en zo goed en zo kwaad als het ging ploegde de vos zich door de sneeuw, gevolgd door de anderen, tot hij de kop van de Geldaanse slagorde had bereikt.
496 Daar stonden Berelain, in een met bont afgezette rode mantel, en Gallenne, de eenogige kapiteinheer van haar Vleugelgarde. Annoura, haar Aes Sedai raadsvrouwe, stond kennelijk te ruziën met Alliandres Eerste Kapitein, een verbeten, gedrongen kerel die Gerad Arganda heette.
497 Toen ze Perijn zagen aankomen, braken ze hun geruzie af en stuurden hun rijdieren naar hem toe. Berelain zat rechtop in het zadel en haar zware haren verwaaiden in de wind. Haar merrie met de slanke benen stond te rillen. Op haar flanken bevroren de vlokken van een woeste galop.
498 Tot op heden is nog niemand anders van de groep teruggekeerd; wellicht hebben de Aiel gevangenen gemaakt. Ik heb een groep lansiers ter verkenning uitgezonden. We waren ongeveer tien span ten zuidoosten van hier, dus zouden ze tegen de avond met nieuws terug moeten zijn.
499 Als we met onze hele strijdmacht de achtervolging inzetten, kunnen we ons een veldslag tegen de Aiel op de hals halen. Dat kan ons zwaar treffen, zonder dat we weten of zij degenen zijn die uw vrouwe hebben. Of zonder dat we weten of ze nog in leven is. Dat moeten we eerst weten, heer Perijn.
500 In zijn hart. Ze moest in leven zijn. Dat moest. Licht, hij had haar met zich mee moeten nemen naar Abila. Het gezicht van Annoura Larisen, omkranst door dunne Taraboonse vlechten, was een en al medeleven. Plotseling voelde hij de pijn in zijn handen die zich om de teugels geklemd hadden.
501 De man verwachtte Failes lijk te vinden. Ze moest in leven zijn, en dat betekende gevangen, maar beter een gevangene dan... Ze konden niet met elkaar praten zoals ze met de wolven deden, maar Elyas aarzelde, alsof hij Perijns gedachten raadde. Hij bracht er echter niets tegenin.
502 Hij stuurde zijn ruin stapvoets naar het zuidoosten, zo snel als de sneeuw toeliet. Aram keek Perijn snel aan en volgde Elyas met een duister gezicht. De vroegere ketellapper had het niet op Elyas, maar hij vereerde Faile bijna, al was het maar doordat ze Perijns vrouw was.
503 Hij wilde meegalopperen. Er leken overal kleine scheurtjes en barstjes in hem te ontstaan. Als ze met het verkeerde nieuws zouden terugkomen, zou hij versplinteren. Tot zijn verrassing draafden de paarden van de drie zwaardhanden in stuifwolken van sneeuw achter Elyas en Aram aan.
504 Dat geen van de zusters probeerde de baas te spelen, gaf het grote gezag van de Wijzen aan. De handen van Masuri en Seonid bleven rustig op de zadelknoppen liggen en geen van beiden verried enig ongeduld, niet eens door met de ogen te knipperen. Niet iedereen keek de vertrekkende mannen na.
505 Gallenne keek naar Berelain, wachtend op een teken of hij het zwaard moest trekken dat hij vasthield, maar Berelain hield kalm en onbewogen haar aandacht op Perijn gericht. Gradi en Neald hadden hun hoofd naar hem gewend en wierpen snelle, grimmige blikken in zijn richting.
506 Met zijn smeekbede om hulp vloeide de pijn naar buiten, een pijn die eerder toe dan afnam. Ze hadden over Jonge Stier gehoord en leefden mee met het verlies van zijn wijfje, maar bleven uit de huurt van de tweebeners die al het wild verjoegen en de dood betekenden voor iedere eenzame wolf.
507 Er waren tijden dat Annoura erin berustte dat Berelain achter een getrouwde man aanjoeg, en andere keren scheen het haar te vermaken en hielp ze zelfs door Berelain in staat te stellen met hem alleen te zijn. Op dit moment vervulde zowel de Eerste van Mayene als de Aes Sedai hem met afkeer.
508 Ze trokken zich niet terug en drongen ook niet op zoals hij verwacht had. Daar was hij dankbaar voor. Bijna de hele heuveltop rook naar behoedzaamheid. De sneeuw boven op de heuvel was platgetrapt tot een begaanbare ruimte; slechts hier en daar lagen wat bevroren sneeuwhopen.
509 Gaul en de Speervrouwen waren misschien de enige aanwijzing dat de Aiel op het punt van een strijd hadden gestaan. Ze zaten gehurkt, met om het hoofd een sjoefa en voor het gezicht een zwarte sluier die slechts hun ogen vrijliet; in hun hand hadden ze korte speren en schilden van ossenhuid.
510 Perijn knikte, ging haastig opzij en liet de Aiel langs, die al begonnen te rennen. Als iemand dat tempo lang kon volhouden, waren zij het wel. Terwijl de Speervrouwen langs hem heen liepen, drukte ieder even een vinger tegen de sluier om vervolgens zijn schouder aan te raken.
511 Misschien... Chiad en Bain waren bij Faile gebleven. Gaul gaf niets om Bain, maar Chiad was iets anders. De Speervrouwen hadden Gaul beslist geen hoop gegeven dat Chiad de speer zou opgeven om hem te trouwen, zeer zeker niet, maar misschien was dit de reden. Perijn verwenste zichzelf.
512 Chiad en Bain, en wie nog meer? Zelfs al was hij verblind door zijn angst voor Faile, hij had het moeten vragen. Als hij haar terug wilde krijgen, moest hij zijn angst onderdrukken en zijn ogen gebruiken. Maar je had net zo goed kunnen zeggen dat hij een berg moest verplaatsen.
513 Ze schepten tegen elkaar op wat ze bij een aanval van de lansiers gedaan zouden hebben. Soms verhief een enkeling zijn stem en vroeg naar Faile en of iemand wist of ze veilig was of dat ze naar haar op zoek gingen, waarna anderen hem met bezorgde blikken op Perijn snel tot zwijgen brachten.
514 Tenzij iemand hen zou bevelen om op te houden, zouden ze hetzelfde tijdens een veldslag hebben gedaan, zonder een hand op te heffen om te helpen of te hinderen. Alle Wijzen waren met Seonid en Masuri een tent ingegaan, en de flappen waren niet alleen neer maar ook nog vastgebonden.
515 Waarschijnlijk overlegden ze hoe ze de man konden doden zonder dat hij of Rhand erachter zou komen. Geërgerd sloeg hij met een vuist in zijn handpalm. Hij was Masema zowaar vergeten. De man werd geacht om hem met die erewacht van honderd man voor het vallen van de avond te volgen.
516 Gradi was vroeger boer geweest, nooit jager of woudloper. Neald vond elke plaats zonder stenen muur een dorp. Ze zouden nog wel een voetafdruk van een boom kunnen onderscheiden, maar als ze een spoor vonden, zou geen van beiden waarschijnlijk kunnen zeggen in welke richting het ging.
517 Hij trok zijn mes en bukte zich om de banden los te snijden, maar voor hij het lemmet door de smalle spleet tussen de flappen kon drukken, werd eraan gerukt alsof iemand ze aan de binnenkant losmaakte. Hij richtte zich op en wachtte af. De tentflappen gingen open en Nevarin glipte naar buiten.
518 Haar groene ogen zagen het mes in zijn hand en ze plantte met ratelende armbanden de vuisten in haar zij. Ze was broodmager en had lang, zandkleurig haar dat met een donkere opgevouwen doek was opgebonden. Hoewel ze ruim een hand groter was dan Nynaeve, deed ze hem wel altijd aan haar denken.
519 Perijn keek ernaar terwijl hij zijn duim over het lemmet van zijn mes liet glijden. Toen stak hij het terug in de schede. Als hij naar binnen zou stormen, zouden ze waarschijnlijk doen waarmee Nevarin gedreigd had. En over wat hij wilde weten, konden ze hem niets vertellen.
520 Bomen onttrokken delen van het Geldaanse en Mayeense kamp aan het oog, maar Perijn kon zien dat in heide kampen de wagens werden volgeladen. Toch besloot hij zijn mannen op wacht te laten staan. Arganda kon proberen hem zand in de ogen te strooien. Een man die zo rook, kon.
521 Hij kon hier niets meer doen, dus liep hij de halve span naar zijn tent. De tent die hij deelde met Faile. Hij struikelde constant en ploeterde door hoge sneeuwwallen heen. Hij hield zijn mantel stevig om zich heen, zowel voor de warmte als tegen het klapperen in de wind.
522 Ze hielden nauwelijks op met werken om hem na te kijken, maar iedere man uit Tweewater verstarde, tot iemand anders hem een por gaf om door te gaan. Perijn was blij dat niemand het medelijden dat hij in hun ogen zag, uitsprak. Hij geloofde dat hij dan zou instorten en zou gaan janken.
523 Hij kon aan niets anders denken dan aan Faile. Hij wist nauwelijks waar hij heen liep tot hij buiten de kring van wagens was gekomen. Een honderdtal passen voorbij de piketlijnen stak een donkere, stenen richel door de sneeuw. Daar zou hij de sporen van Elyas en de anderen kunnen zien.
524 Daar kon hij ze zien terugkeren. Lang voor hij de smalle top van de richel bereikt had, zei zijn neus hem dat hij niet alleen was, en ook wie daarboven was. De ander lette niet op, al bereikte Perijn knersend de top. De man sprong op van de plek waar hij op zijn hurken had gezeten.
525 Hij was een lange man, die heel wat in zijn leven te verduren had gekregen, en gewoonlijk was hij behoorlijk zeker van zichzelf. Misschien verwachtte hij een boze woordenstroom omdat hij niet bij Faile was geweest, hoewel ze niet alleen hem maar iedereen als lijfwacht geweigerd had.
526 Tallanvor was verliefd op Maighdin en zou heel spoedig met haar trouwen, als Failes vermoeden tenminste juist was. De man had het recht om op de uitkijk te staan. Samen stonden ze op de rotsrichel terwijl de schemering viel, en in het besneeuwde woud voor hen bewoog niets.
527 De duisternis kwam, zonder bewegingen, zonder Masema, maar Perijn dacht niet eens aan Masema. De maansikkel scheen wit op de sneeuw en leek bijna net zoveel licht te geven als een volle maan. Tot de wolken haar verborgen en haar schaduwen over de sneeuw joegen, die dikker en dikker werd.
528 Windvlagen staken op en gingen liggen, staken op en gingen liggen. Nog maar enkele van de spaarzame bomen droegen bladeren en die waren dood en bruin. De windvlagen wervelden ongehinderd door het bos, maar hoe licht ook, ze voerden ijs met zich mee. Perijn kwam in haar gedachten amper voor.
529 Zelfs als die heks van een Berelain de enige was die het hem kon vertellen. Ze hoopte dat Berelain aan de hinderlaag was ontkomen en Perijn inmiddels alles had verteld. Waarna ze in een kuil kon vallen en haar nek breken. Maar nu had ze dringender zorgen dan haar echtgenoot.
530 Ze had deze winter herfstig genoemd, maar ook in een Saldeaanse herfst vroren mensen dood en ze bezat van haar kleding alleen nog haar donkere wollen kousen. Een ervan hield haar ellebogen strak op de rug gebonden, terwijl de tweede als een riem om haar nek was gebonden.
531 De Shaidokolonne van gemaskerde mannen en Speervrouwen liep trager wanneer de sneeuw tot de knieën reikte, maar ging meteen weer in een gestage draf over als die niet hoger kwam dan de enkels. Ze leken niet moe te worden. Paarden hadden over die afstand niet sneller kunnen zijn.
532 Ze hielden de streek waar ze doorheen trokken waakzaam in het oog en trokken als stille spoken verder. Het enige geluid was het zachte geknisper van de sneeuw onder hun zachte, tot de knie reikende laarzen. Hun groengrijze en bruine kleren staken echter scherp tegen het witte landschap af.
533 Ze probeerde alles te zien, alles te onthouden wat later van nut zou kunnen zijn, wanneer het tijd was om te ontsnappen. Ze hoopte dat haar medegevangenen hetzelfde deden. Perijn zou zeker naar haar op zoek gaan, maar de gedachte aan redding kwam niet eens in haar overwegingen voor.
534 Als je op redding wachtte, kon je eeuwig blijven wachten. Bovendien moesten ze zo snel mogelijk ontsnappen, voor hun Shaido zich bij de anderen voegden. Ze wist nog niet hoe, maar de kans moest komen. Het enige beetje geluk was dat de Shaidohoofdmacht zich op enkele dagen afstand moest bevinden.
535 Door de ijzige schok snakte ze naar adem en ze kreeg het opnieuw benauwd toen de grote, hoog boven haar oprijzende krijger die haar riem vasthield, haar weer overeind trok. Rolan was net zo breed als Perijn en bijna een hoofd groter en hij trok haar gewoon aan een handvol haren omhoog.
536 Rolan en de anderen voor hem trapten een soort pad voor haar plat, maar er bleven nog genoeg scherpgerande sneeuwrichels over, waardoor er steeds meer bloedspatten in haar voetafdrukken te zien waren. De kou zelf was nog erger. Ze had al eerder bevroren lichaamsdelen gezien.
537 Al struikelend bewoog ze alle voetspieren als ze haar voet naar voren zette en voortdurend bewoog ze haar vingers. Vingers en tenen liepen het meeste gevaar, maar dat gold ook voor elk stukje onbedekte huid. Wat haar gezicht en lichaam betrof, kon ze slechts hoop koesteren.
538 Dat was het enige waar ze aan dacht en voor andere gedachten was geen ruimte. Ze moest met haar trillende benen in beweging blijven en ervoor zorgen dat haar handen en voeten niet bevroren. In beweging blijven. Onverwachts botste ze tegen Rolan aan en ze trok zich hijgend van zijn brede borst terug.
539 Ze voelde verontwaardiging toen hij haar wat heen en weer schoof om de gemakkelijkste draaghouding te vinden, maar ze onderdrukte dat gevoel even snel als het opkwam. Dit was er niet de plek of de tijd voor. Haar voeten bevonden zich niet meer in de sneeuw en dat was het enige dat telde.
540 Moeizaam richtte ze haar hoofd op om naar haar metgezellen te kijken en ze zag opgelucht dat ze er nog allemaal waren. Naakt en gevangen, dat wel, maar ze waren er allemaal. Niemand anders droeg een riem om de hals, maar bij de meesten waren de armen op de rug vastgebonden.
541 Stevig voor een Aiel betekende dat hij nergens zou opvallen, maar zijn schouders waren bijna even breed als die van Rolan. Het donkere haar op Alliandres rug werd door de wind rondgeblazen en uitputting tekende haar gezicht. Achter haar leek Maighdin er even slecht aan toe.
542 Bain en Chiad zouden wellicht bij een ontsnapping kunnen helpen – Faile wist niet zeker in hoeverre het gebruik dit verbood – maar zelf zouden ze niet proberen weg te komen. De laatste gevangenen, Lacile en Arrela, trachtten in een armzalige poging de Speervrouwen na te doen.
543 Een grote Aiel had de kleine Lacile gewoon onder de arm genomen om haar voeten te bekijken; koudvuur tekende vuurrode vlekken op haar bleke wangen. Arrela was lang, maar de twee Speervrouwen die voor haar zorgden, waren nog langer dan Faile en ze pakten de Cairhienin met gemak aan.
544 Faile hoopte dat ze nu geen moeilijkheden ging veroorzaken. Ieder lid van Cha Faile probeerde net zo te zijn als de Aiel en te leven zoals zij meenden dat Aiel leefden, maar Arrela wilde echt een Speervrouwe zijn en was heel giftig dat Sulin en de anderen haar de handtaai niet wilden bijbrengen.
545 Niet voldoende om alle woorden die de Speervrouwen uitwisselden te herkennen, maar enkele. Maar goed dat Arrela het niet begreep. Ze vonden dat ze natlandse zachte voeten had en dat zij over het geheel te veel vertroeteld en zacht was, woorden die Arrela zeker razend zouden maken.
546 Deze deed net of ze wankelde, maar gebruikte haar vrije hand om een mededeling te gebaren, waardoor de andere Speervrouwe blaffend achter haar sluier lachte. Na een blik op Bain en Chiad, die al heel gedwee over de schouders van twee Aielmannen lagen, ontspande Arrela zich.
547 Hun navolging van de Aiel had duidelijk voordelen. Alliandre en Maighdin, de laatste vrouwen die volgens Faile moeilijkheden zouden veroorzaken, waren echter een volkomen andere zaak. Toen ze beseften wat er ging gebeuren, vochten ze als wilden. Het vechten stelde niet veel voor.
548 De twee naakte vrouwen hadden hun ellebogen strak op de rug gebonden en waren uitgeput, maar ze kronkelden, schreeuwden en schopten naar iedereen die in de buurt kwam. Maighdin zette zelfs haar tanden in de hand van een onoplettende Aiel en hield die als een jachthond vast.
549 Ze klemde haar tanden op elkaar en mompelde iets binnensmonds, waardoor ze nog een klap kreeg! De man had haar messen in zijn riem gestoken. Als ze er één in handen kon krijgen...! Nee, wat doorstaan kon worden, moest worden doorstaan. Ze was van plan te ontsnappen, niet om iets zinloos te doen.
550 Een paar forse kerels wrikten haar kaak open. Tot Failes verrassing schudde de gebeten kerel lachend het bloed van zijn hand! Waarmee Maighdin echter niet aan haar boetedoening ontkwam. In een oogwenk lag Failes dienstmeid met haar gezicht in de sneeuw, naast de koningin.
551 Aanvankelijk bleven de twee vrouwen zich hevig verzetten, maar hun gevecht was nog nuttelozer dan toen ze nog stonden. Alliandre bleef maar gillen dat ze haar dit niet mochten aandoen. Voor een koningin heel begrijpelijk, al waren het in deze omstandigheden dwaze woorden.
552 In elk geval hadden hun woorden geen enkel nut. De afranseling ging door tot beiden zwijgend schopten en huilden en toen nog wat langer om het ze af te leren. Toen ze eindelijk net als de andere gevangenen over de schouder werden gehesen, hingen ze huilend stil en was elke strijd opgegeven.
553 Misschien was de verloren tijd amper de moeite waard, maar het kon het verschil betekenen tussen leven en dood. Bovendien zou zelfs de Aielse waakzaamheid ooit een keer verslappen als ze eenmaal onderdak hadden gevonden en een vuur hadden aangelegd. En ze konden uitrusten terwijl ze gedragen werden.
554 Met de gevangenen op de schouders zetten de Shaido weer hun spannen verslindende pas in. Ze leken zich nu nog sneller door het bos te verplaatsen. De harde leren boogschede slingerde tegen Failes zij en ze voelde zich duizelig worden. Rolans lange gestrekte pas bezorgde haar schok op schok.
555 Als ze er goed over nadacht, waren enig oponthoud en enkele striemen een lage prijs die betaald moest worden om een stuk uit deze lomperd te bijten, die haar behandelde als een zak graan. Maar geen stuk uit zijn hand. Uit zijn keel was veel beter. Stoere gedachten, en volkomen zinloos.
556 Dwaas. Ook nu ze gedragen werd, moest ze tegen de kou vechten. In feite was dit dragen veel erger. Als ze liep, moest ze zich tenminste nog inspannen om overeind en wakker te blijven, maar nu de avond viel en het steeds donkerder werd, werd de zwaaiende beweging op Rolans schouder slaapverwekkend.
557 Regelmatig bewoog ze haar handen en geboeide armen, strekte haar benen en ontspande de spieren. Het spannen en ontspannen van de spieren zorgden ervoor dat het bloed bleef stromen. Ze dacht aan Perijn en bedacht wat hij met Masema diende te doen en hoe ze hem kon overtuigen als hij tegenstribbelde.
558 Heerlijk! Nadenkend over dat laatste vergat ze haar spieren te bewegen, dus probeerde ze alleen maar te denken aan de ruzies en aan haar plannen. De kou maakte haar denken echter traag. Ze begon verbanden kwijt te raken, moest stevig haar hoofd schudden en dan weer opnieuw beginnen.
559 Zelfs de klappen op haar blote billen hielpen, al vond ze het afschuwelijk dit toe te geven, maar elke klap liet haar opschrikken, waardoor ze wakker bleef. Na een poosje begon ze nog meer te kronkelen en bewoog toen zo heftig dat ze bijna viel, verlangend naar de harde klappen.
560 Alle Licht ter wereld, waarom wil ik zoiets, dacht ze dof, en in een grijs hoekje van haar geest besefte ze dat ze de strijd aan het verliezen was. De nacht leek zelfs donkerder dan die hoorde te zijn. Ze kon het maanlicht op de zacht glanzende sneeuw niet eens meer onderscheiden.
561 Ze voelde hoe ze wegzakte, steeds dieper weggleed naar een nog donkerder zwart. Zachtjes huilend raakte ze bewusteloos. Dromen kwamen. Ze zat op Perijns schoot, met zijn armen zo strak om haar heen dat ze amper kon bewegen. Voor hen laaide een vuur hoog op in een brede stenen haard.
562 Ze hapte naar lucht die zo koud was dat scherven haar keel leken open te kerven. Om haar heen flonkerden ijspegels aan dikke takken en een ijskoude wind gierde door het kale woud. Perijn was heel kwaad en ze moest weg van hem! Ze kon zich de bijzonderheden van de ruzie niet meer herinneren.
563 Ze konden het nog steeds weer goedmaken. En ze zou hem die vernedering natuurlijk betaald zetten. Ze had trouwens een paar keer zijn bloed laten vloeien door een goed gemikte schaal of kan, al had ze dat eigenlijk niet gewild en ze wist dat hij haar nooit echt pijn zou doen.
564 Het monsterachtige houtvuur reikte tot hoog boven haar. Een hoge stapel dikke blokken vormde een laaiend vuur. Ze was naakt. En koud. Zo koud. Hoe dicht ze ook naar het vuur kroop, haar botten leken wel bevroren, terwijl haar vlees door een schok in stukken uiteen kon vallen.
565 Licht, het was heet, te heet. Maar ze was nog steeds koud van binnen. Nog dichterbij. Ze begon te krijsen vanwege de brandplekken en de vlijmende pijn, maar van binnen bleef ze een en al ijs. Nog dichterbij. Nog dichterbij. Ze zou hier sterven. Ze gilde, maar er was niets dan stilte en kou.
566 De honger knaagde met botte tanden aan haar maag. Een heel grote, magere man met een wollen doek voor zijn gezicht tegen de kou zette met geweld iets tegen haar mond, de rand van een grote aardewerken kom. Zijn verrassend groene ogen leken op smaragden en werden omringd door slordige littekens.
567 Hij knielde op een grote, bruine, wollen deken naast haar neer; een tweede deken van grijze strepen was om haar blote lichaam geschikt. De smaak van hete thee met veel honing ontplofte op haar tong en met beide handen greep ze de magere pols van de man voor het geval hij de kom weg wilde halen.
568 Hij trok zijn pols uit haar zwakke greep, maar alleen om uit een leren waterzak die over zijn schouder hing, de kom weer te vullen met een donkere vloeistof. Uit de kom stegen damp en de geur van thee op. Ze rilde zo hevig dat ze bijna omviel en klemde de dikke deken om haar heen.
569 Ze dacht echter alleen aan de warmte, niet aan gepaste kleding, hoewel ze van beide zaken weinig bezat. De tanden van de honger werden scherper en ze bleef rillen. Van binnen was ze bevroren en de hitte van de thee was reeds een herinnering. Haar spieren leken gestold vet van een week oud.
570 Iemand had het bloed van Bains gezicht gewassen, maar in tegenstelling tot de vorige keer waren de twee Speervrouwen even beverig en in zichzelf teruggetrokken als de anderen. Iedereen zag eruit – hoe zei Perijn het ook al weer? – alsof ze van achter naar voren door een kwastgat waren getrokken.
571 Heel even probeerde ze fronsend een verdwijnende gedachte vast te houden. Natuurlijk! Waar waren de anderen? Een ontsnapping zou gemakkelijker zijn als de anderen waren vertrokken om iets te gaan doen. Er was echter nog iets. Iets neveligs wat ze niet te pakken kon krijgen.
572 Ongeveer honderd stap verder, amper zichtbaar door de verspreide bomen en vallende sneeuw, trok gestaag een stroom mensen, pakdieren, wagens en karren voorbij. Geen stroom. Een vloed van Aiel die naar elders vertrokken. In plaats van met honderdvijftig Shaido moest ze nu met een hele stam afrekenen.
573 Razend was een betere omschrijving. Ze had geen zin haar hoofd van de heerlijke kom af te wenden, maar richtte haar ogen toch op de hurkende reus die haar als een zak graan had gedragen en haar genadeloos had geslagen. Vaag herinnerde ze zich die slagen te hebben verwelkomd, maar dat was onmogelijk.
574 Elk beetje kennis kon helpen bij een ontsnapping. Dus ze hadden hun gevangenen tegen de kou beschermd? Nou, niemand zou het gevaar van bevriezing hebben gelopen als Rolan en de anderen er niet waren geweest. Niettemin was ze hem wellicht iets verschuldigd. Een kleinigheid, alles bij elkaar genomen.
575 Ze moest nadenken. Goed nadenken! Haar hersens waren het enige wapen dat ze bezat, maar op dit moment hadden ze net zo goed bevroren kaas kunnen zijn. Ze nam een grote slok hete thee en dwong zich te bedenken hoe duizenden Shaido in haar voordeel konden werken. Ze kon echter niets bedenken.
576 Afgezien van leden van koningshuizen konden maar weinigen zich iets dergelijks veroorloven. Ondanks dit alles werd Failes aandacht vooral getrokken door de twee anderen. Iets maakte haar duidelijk dat het Wijzen waren. Ze straalden te veel gezag uit om iets anders te kunnen zijn.
577 Ze was zeker een pas lang, bijna even lang als de meeste Aielmannen, terwijl de ander minstens een halve hand groter was dan Perijn! Ze was echter niet fors. Zandkleurige haren stroomden overvloedig omlaag en werden uit haar gezicht gehouden door een brede donkere doek.
578 Al die zware halskettingen van ivoor en goud moesten aanvoelen als banden van ijs! Toen ze voor de geknielde gevangenen bleven staan, fronste de vrouw met het arendsgezicht afkeurend naar de Shaido die hen gevangen hadden genomen, waarna ze met haar vrije hand gebaarde dat ze weg moesten gaan.
579 De drie Speervrouwen draaiden zich meteen om en haastten zich naar de voorbijtrekkende Shaido. Net als een van de mannen, maar Rolan en de anderen wisselden eerst enkele nietszeggende blikken uit voor ze de anderen volgden. Misschien betekende het iets, misschien niets.
580 Faile kromp ineen toen de blik op haar viel en begroef haastig haar gezicht in de kom. Ze had Therava nooit eerder gezien, maar in haar blik herkende ze het soort vrouw dat Therava was. Iemand die elke uitdaging volkomen wilde neerslaan en reeds in een achteloze blik een uitdaging kon zien.
581 Ontsnappen zou meer dan moeilijk worden als Therava persoonlijk belangstelling voor haar vertoonde. Niettemin hield ze de vrouw vanuit haar ooghoeken in de gaten. Het leek wel of ze naar een bandadder met in de zon glinsterende schubben keek die zich een voet van haar gezicht opgericht hield.
582 Je hoeft niet tweemaal naar me te kijken, koudbloedige heks. Ze hoopten dat de anderen ook zagen wat voor vrouw deze Aiel was. Alliandre niet. Ze probeerde wankelend op haar gezwollen voeten overeind te komen, waarna ze met een van pijn vertrokken gezicht weer op haar knieën zakte.
583 Mijn leenvorstin en ik eisen een passend onderkomen tot alles geregeld kan worden, en zo ook voor haar dienstmeid. De anderen mogen met minder toe, zolang hun maar geen kwaad wordt gedaan. Ik zal geen losprijs betalen als u de minste van de dienaren van mijn leenvorstin slecht behandelt.
584 Ik heb Alliandre eenmaal eerder gezien, jaren geleden, en het meisje uit mijn herinnering kan heel goed deze vrouw zijn. Ze werd tot koningin van Geldan gekroond. Maar wat ze in Amadicia doet, weet ik niet. Zowel de Witmantels als Ailron zouden haar ogenblikkelijk oppakken als ze.
585 In zekere zin leek het of ze Logain zag of Mazrim Taim. Sevanna had eveneens met bloed en vuur haar naam hoog aan de hemel geschreven. Cairhien zou nog jaren nodig hebben om te herstellen wat zij had verwoest en de rimpelingen hadden zich verspreid over Andor, Tyr en nog verder.
586 Sevanna maakte haar rondje af en keerde terug naar een plek waar Faile haar duidelijk kon zien. Ze trok de teugels aan en keek naar de Wijzen. Haar volle lippen waren stijf op elkaar geperst. De ijzige wind deed haar mantel rimpelen, maar ze leek het niet te merken, net als de sneeuw op haar hoofd.
587 Met uitdrukkingsloze maskers keken Therava en Someryn paard en ruiter na tot de sneeuw haar onzichtbaar maakte. Een belangrijk gesprekje, althans voor Faile. Ze herkende wederzijdse haat en spanning die zo strak stond als een harpsnaar. Een zwakheid die uitgebuit kon worden.
588 Blijkbaar waren niet alle Shaido hier, hoewel het er aan de onophoudelijk voorbijtrekkende stroom te zien meer dan genoeg leken. Toen kwam Galina bij haar en werd al het andere uit haar gedachten verdreven. Galina probeerde haar kalm en beheerst aan te kijken, maar slaagde daar niet goed in.
589 De in het wit geklede vrouw stapte achteruit en Faile zakte in elkaar, met haar gezicht op de bruine deken, waar ze tegen de ruwe wol lag uit te hijgen. Haar voeten deden geen pijn meer, maar Heling veroorzaakte altijd honger en na het ontbijt van gisteren had ze niets meer gegeten.
590 Ze had bordenvol met alles wat op voedsel leek kunnen opslokken. Ze voelde zich niet langer moe, maar haar spieren leken nu van water in plaats van pudding. Ze duwde zich op met armen die haar gewicht niet wilden dragen en trok onhandig de grijsgestreepte deken weer om haar heen.
591 Ze voelde zich verbijsterd, niet alleen door wat ze had gezien voordat Galina haar vastpakte, maar ook door de Heling zelf. Dankbaar liet ze toe dat de man met de littekens een dampende kom thee tegen haar mond zette. Ze wist niet zeker of haar vingers hem hadden kunnen vasthouden.
592 Haar uitgestrekte armen en benen schoten wild schokkend alle kanten op, terwijl ze zwakjes trachtte zich te beheersen. Galina had nu haar handen om Chiads hoofd gelegd en Chiad veerde met uitgestrekte armen recht overeind, terwijl met een luide zucht alle adem leek te ontsnappen.
593 En ook nog volkomen bereid om de voeten van Sevanna en Therava te kussen! Een Aes Sedai! Galina stond rechtop achter de ineengezakte Arrela, de laatste in de rij, en hijgde licht na de inspanning om zoveel mensen zo snel te helen. Ze wierp een blik op Therava alsof ze op lof hoopte.
594 Maar zonder haar een blik te gunnen begaven de twee Wijzen zich naar de stroom Shaido. Ze praatten zachtjes, met hun hoofden dicht bij elkaar. De Aes Sedai trok een lelijk gezicht, hield haar rok op en haastte zich zo snel mogelijk achter hen aan. Ze keek echter een aantal keren om.
595 Slechts een ervan was een Aiel, een slanke rossige met een smal wit litteken van haargrens tot kaak. Faile herkende een kleine bleke Cairhienin en vermoedde van anderen dat ze Amadicianen of Altaranen waren. Ze waren langer en donkerder en er was zelfs een gebronsde Domani bij.
596 Het vlees was zo taai als leer, de kaas bijna steenhard en het brood niet veel zachter, maar alles smaakte haar heerlijk! Ze watertandde bijna bij elke hap. Terwijl ze op de kaas kauwde, knoopte ze de laatste laarsveter vast en stond op, waarbij ze haar kleren gladstreek.
597 Niemand dwong haar op een bepaalde plaats te blijven, dus ploeterde ze vermoeid van voor naar achter door de stoet, vergezeld van Alliandre en Maighdin. Dat ze haar handen in de mouwen gevouwen hield hemoeilijkte het lopen, vooral als ze door dikke sneeuw moest waden, maar ze bleven wel warm.
598 Hoewel Faile haar dienstmeid slechts kort aankeek, was dat voldoende om Maighdin met een rood hoofd te laten stamelen. Wat was er in die vrouw gevaren? Goed, haar gedrag was misschien niet zoals je van een dienstmeid mocht verwachten, maar ze kon Maighdins felheid bij een ontsnapping niet missen.
599 Als een van jullie daartoe kans ziet, moet je die kans grijpen. Deze kleren helpen je om je in de sneeuw te verbergen. Als je dan een dorp hebt gevonden, kan het goud dat ze ons zo welwillend hebben verstrekt, ervoor zorgen dat je naar mijn echtgenoot terug kunt keren. Hij zal ons volgen.
600 Haar gevangenschap had een vlammend vuur in haar hersenen aangestoken! Ze hoorden haar bevelen op te volgen, maar ze liet haar woorden wegsterven voor ze ze had uitgesproken. Uit de grote groep Shaido maakten enkele donkere gestalten zich los die naar hen toe kwamen lopen.
601 Therava liep voorop. Ze mompelde iets, waarna de anderen inhielden en op afstand bleven terwijl Therava zich bij Faile en de twee anderen voegde. Haar felle ogen leken zelfs Maighdins vurigheid te blussen, al keek ze haar maar eenmaal aan. Voor haar was ze de moeite van een blik nauwelijks waard.
602 Mogelijk overtuigde die heesheid Therava echter. Mensen zoals zij geloofden sterker in vrees als reden dan elke andere. Ze glimlachte in elk geval, maar het was geen warme glimlach. Haar dunne lippen krulden iets en als er al iets van gevoel merkbaar was, was dat er een van voldoening.
603 Elke dag zal een Wijze jullie ondervragen en dan herhalen jullie elk woord van Sevanna en noemen jullie de namen van de persoon die ze aanhoorde. Als ze in haar slaap praat, herhalen jullie wat ze mompelt. Doe mij dat genoegen en ik zal ervoor zorgen dat jullie worden achtergelaten.
604 Dat wist ze wel zeker. Therava zou geen gevaar willen lopen. Ze zouden het wellicht voor de nacht viel al niet overleven. Deze sneeuw kon heel snel drie in het wit geklede lijken verbergen en ze betwijfelde ten zeerste of iemand zou protesteren als Therava hier ter plekke hun kelen opensneed.
605 Ze zag drie zachte natlanders, te zwak om ongehoorzaam te zijn. Zonder verder een woord te zeggen liet ze Faile los en draaide zich om. Enkele tellen later waren zij en de andere Wijzen in de sneeuw verdwenen. Een tijdlang worstelden de drie vrouwen zich zwijgend verder.
606 Als ze nu zou toegeven, zou het lijken alsof Therava haar van gedachten had doen veranderen en dat haar angst voor de vrouw dat had veroorzaakt. Faile kende Alliandre en Maighdin goed genoeg om zeker te weten dat ze liever stierven dan toe te geven dat die vrouw hun angst aanjoeg.
607 Om nog maar niet te denken aan de hoofden waar ze verantwoordelijk voor was. Elke hulp zou welkom zijn, van wie dan ook. De kille wind ging liggen terwijl ze over Galina nadacht, en toen kwam de sneeuw weer, steeds dichter en zwaarder, tot ze maar tien pas voor zich uit kon zien.
608 Toen Galina zag dat ze was opgemerkt, ploeterde ze mee tussen Faile en Alliandre. Het ging niet soepel en vlot, maar ze leek het lopen in de sneeuw meer gewend te zijn dan de andere drie. Nu lag er echter niets deemoedigs in haar ogen. Haar ronde gezicht stond hard en haar ogen keken scherp rond.
609 De eerste keer dat je probeert te ontsnappen, geselen ze je voetzolen net zo lang tot je niet meer kunt lopen. Dan binden ze je vast en leggen ze je op een kar tot je weer kunt lopen. De tweede keer is erger en de derde keer nog erger. We hebben hier een kerel die vroeger een Witmantel was.
610 Er is een jongeman, Perijn Aybara. Je man? Inderdaad, ik heb doel getroffen. Dat zou Alliandres eed zeker verklaren. Sevanna heeft grandioze plannen met een man wiens naam verbonden is met die van jouw man. Rhand Altor. Als zij wist dat jij in haar handen was gevallen..
611 Ze zaten in drie vallen verstrikt en elk van die drie was dodelijk. Gered worden leek opeens heel aantrekkelijk. Maar Faile was van plan hoe dan ook een uitweg te vinden uit deze benarde situatie. Ze haalde haar hand van haar eigen kraag en vocht zich al plannen makend een weg door de sneeuwstorm.
612 De vallende sneeuw smolt niet langer meer op zijn verkilde vacht, maar de koude deerde hem niet. De kussentjes onder zijn poten waren gevoelloos, maar zijn poten draafden als een vurige storm en droegen hem verder, sneller en sneller, tot het land voor zijn ogen vervaagde.
613 Zijn tanden zouden de kelen verscheuren van degenen die haar hadden gegrepen. Zijn kaken zouden hun beenderen vermorzelen! Jouw wijfje is hier niet, bracht Springer over, maar je bent hier te nadrukkelijk aanwezig, en te lang van je lichaam gescheiden. Je moet terug, Jonge Stier, of je zult sterven.
614 Hij was Jonge Stier. Ooit had hij hier zijn valk gevonden, en hij kon het weer doen. Hij moest haar vinden. Naast die drang betekende de dood niets. Als een grijze flits sprong de andere wolf tegen zijn flank, en hoewel Jonge Stier groter was, viel hij log om omdat hij vermoeid was.
615 Hij krabbelde in de sneeuw overeind, grauwde en viel uit tiaar Springers keel. Niets deed er meer toe. Alleen de valk. De wolf met de littekens vloog als een vogel de lucht in en Jonge Stier tuimelde omver. Springer kwam op de sneeuw achter hem neer. Luister, welp! bracht Springer heftig over.
616 Ze is hier niet en je zult hier sterven als je hier nog langer blijft. Zoek haar in de ontwaakte wereld. Alleen daar kun je haar vinden. Ga terug en vind haar! Perijns ogen schoten open. Hij was doodop en hij voelde zich leeg en hol, maar de honger was niets vergeleken met de leegte in zijn borst.
617 Hij was volkomen leeg en nam afstand van zichzelf, alsof hij een ander was die toekeek hoe Perijn Aybara leed. Boven hem klapperde een tentdak met blauwe en gouden strepen in de wind. Binnen was het halfdonker en er waren vele schaduwen, maar het zonlicht lichtte het heldere tentdoek op.
618 De lucht was warm maar hij huiverde. Hij lag op een veren matras in een groot bed met massieve bedstijlen vol ingewikkeld verguld snijwerk. Door de geur van houtskool die in de korven brandde, rook hij een muskusachtige reukstof, en de vrouw die die geur droeg. Er was niemand anders.
619 Een van haar kampstoelen kraakte toen ze ging verzitten. Hij was hier met Faile vaker geweest om plannen te bespreken. De tent was groot genoeg voor een heel gezin en Berelains fraaie meubels zouden in een paleis niet misstaan met hun ingewikkelde snijwerk en verguldsel.
620 Ze hebben mijn mensen gevonden, dood, in een hinderlaag. Gedood op vijf of zes span afstand. Ik heb heer Gallenne bevolen om het kamp scherp te bewaken. Arganda heeft ook een grote groep ruiters klaarstaan en heeft verkenners weggestuurd. Tegen mijn raad in. De man is een dwaas.
621 Gaul zou zich niet laten verrassen. Jondien evenmin, zelfs niet door Aiel. Ze zochten nog steeds en dat betekende dat Faile nog leefde. Ze zouden allang zijn teruggekeerd als ze haar lichaam hadden gevonden. Dat moest hij geloven. Hij lichtte een van de blauwe dekens iets op.
622 Ze... ze leek bang dat je zou sterven, zelfs na haar Heling. Je sliep als een man die al dood was. Ze zei dat je bijna aanvoelde als iemand die zijn ziel verloren had, en koud bleef, hoeveel dekens er ook over je heen werden gegooid. Dat voelde ik ook toen ik je aanraakte.
623 Het enige licht in de tent kwam van een kaars op een tafeltje naast Berelains stoel, maar voor zijn ogen was het meer dan genoeg, zelfs nu ze prikten van vermoeidheid. Ze was zedig gekleed, in donkergroene rijkleding met een hoge hals waarin haar kin in een rijke laag kant lag genesteld.
624 De kleren die hij gedragen had, lagen netjes opgevouwen op een weelderig versierde reiskist met goudbeslag. Zijn met bont afgezette mantel lag over de zijkant van de kist en zijn bijl stond naast zijn laarzen, boven op de kleurrijke bloementapijten die als in een huiskamer over elkaar heen lagen.
625 In haar ergernis nam ze niet eens de moeite een mantel om te slaan. Even zag hij door de opening dat het nog steeds sneeuwde. Niet zo erg als de vorige nacht, maar de witte vlokken kwamen gestaag neer. Zelfs voor Jondien zou het moeilijk zijn om na de afgelopen nacht nog een spoor te vinden.
626 Vier vuurkorven verwarmden de tent, maar zodra zijn voeten de tapijten raakten, trok de ijzige kou door hem heen en haastte hij zich naar zijn kleren. In feite leek het meer op strompelen, maar hij wankelde niet. Hij was zo moe dat hij zo op de tapijten in slaap had kunnen vallen.
627 Misschien had de wolfsdroom – het verlaten van zijn lichaam en zijn sterke aanwezigheid in die droom – daar iets mee te maken, en de Heling had alles waarschijnlijk versterkt. Hij had sinds de vorige ochtend niets meer gegeten en na een nacht in de sneeuw had zijn lichaam niets meer om op te teren.
628 Jondien zou haar vinden. Of Gaul. Levend. De rest deed er niet toe. Hij voelde zich verdoofd. Hij had niet verwacht dat Berelain zelf zou terugkomen, maar een koude vlaag bracht de geur van haar reukwater met zich mee, terwijl hij nog bezig was zijn broek aan te trekken.
629 Dat nieuws kon heel veel betekenen of helemaal niets. Misschien dacht de man dat hij de Seanchanen ook naar de Drakenheer kon leiden. Hij was er gek genoeg voor. Maar... Faile had die dwazen als verspieders gebruikt? Had ze Abila binnen laten sluipen? En het Licht mocht weten wat nog meer.
630 Ze had het hem tenminste kunnen vertellen. Of had ze het verzwegen omdat haar dienaren niet de enigen waren die hun neuzen in verboden zaken staken? Dat zou best iets voor haar kunnen zijn. Faile bezat echt een haviksgeest. Ze zou zelfs kunnen denken dat her leuk was om zelf ook te verspieden.
631 Perijn deed zijn mond dicht en hoopte dat ze niets had opgevangen. Berelain glimlachte; het scheen haar niets te doen. De kamermeid zette het blad op de grootste tafel en spreidde haar blauwe rok met gouden strepen in een diepe kniks voor Berelain en nog een, korter, voor hem.
632 Van het blad stegen de geuren op van schapenvlees en kruidenwijn, die Perijns maag lieten knorren, maar zelfs met twee gebroken benen zou hij nog niet zijn gebleven. Hij slingerde zijn mantel om zijn schouders en liep met grote stappen de sneeuwbui in terwijl hij zijn handschoenen aantrok.
633 Dikke wolken verborgen de zon, maar aan het licht te zien was de ochtend al een paar uur oud. Er waren voetpaden in de sneeuw gelopen, maar de witte vlokken die uit de lucht vielen, vormden een steeds dikkere laag op de kale takken en gaven de sparren en dennen een nieuwe mantel.
634 Ondanks de bomen had men een rechte lijn kunnen trekken door alle rijen kampvuren, en ze waren zelfs bijna even groot als maar menselijk mogelijk was. De voorraadwagens uit Cairhien waren allemaal opgeladen en de paarden ingespannen, en ook die stonden in een rechte lijn.
635 Nergens was er enig teken te zien van duizenden lieden die zich verzamelden. Nergens ware brede platgetrapte paden in de sneeuw om te volgen. Er waren zelfs helemaal geen voetstappen tussen de drie kampen. Als Annoura bij de Wijzen was, had ze al een hele tijd op de heuvel gezeten.
636 Hij keek even naar Berelains tent, maar de gedachte om terug te gaan liet zijn nekharen overeind komen. Wat verderop stond nog een andere tent overeind, de kleinere gestreepte tent van Berelains twee dienaressen. Ondanks de sneeuwval zaten Rosene en Nana op kampstoeltjes voor de kleine tent.
637 Ze hadden gezelschap en dat was wellicht de reden waarom ze niet binnen om een vuurkorf zaten gebogen. Ongetwijfeld stond Berelain erop dat haar dienaressen zich fatsoenlijker gedroegen dan zijzelf. Gewoonlijk leken Berelains dievenvangers samen zelden meer dan drie woorden uit te wisselen.
638 Binnen gehoorsafstand van Perijn tenminste, maar nu gebaarden ze druk en lachten met Rosene en Nana mee. Ze waren heel gewoon gekleed en zo nietszeggend dat ze bij een botsing op straat niet eens zouden opvallen. Perijn kon nog steeds niet zeggen wie Santes was en wie Gendar.
639 Een keteltje naast het vuur rook naar stoofpot van schapenvlees. Hij probeerde de geur te negeren, maar zijn maag rommelde toch. De gesprekken stopten toen hij dichterbij kwam. Voor hij bij het vuur was, gluurden Santes en Gendar met volstrekt nietszeggende gezichten van hem naar Berelains tent.
640 Na heel wat gegiechel en vlugge blikken naar hem, naar elkaar en naar Berelains tent zei Nana dat ze het niet zeker wist, maar ze dacht dat het die kant op was, en ze wuifde vaagjes met een hand naar het zuidwesten. Rosene zei dat haar meesteres had gezegd dat het niet meer dan twee span ver was.
641 Vermoeid sjouwde hij om de heuvel heen en bedacht wat hij moest doen. De dikke sneeuwlaag waar hij doorheen moest ploeteren toen hij het Mayeense kamp eenmaal verlaten had, maakte zijn slechte stemming er niet beter op, evenmin als de beslissingen die hij meende te moeten nemen.
642 Weer anderen liepen langs de lijnen van de onbereden dieren en kalmeerden de gehalsterde paarden. De mannen die zich verspreid tussen de bomen op de heuveltop bevonden, zaten gehurkt rond tientallen kleine vuurtjes. Ze waren gekleed om uit te rijden en hielden de teugels van hun paarden vast.
643 Er was minder orde dan bij de soldaten in de andere kampen, maar ze hadden Trolloks en Aiel bevochten. Iedere man droeg zijn boog op de rug en een volle pijlkoker aan de heup, soms in evenwicht gehouden door een zwaard of een lang mes. Gradi zat wonder boven wonder bij een vuur.
644 Of er tenminste achter zouden komen waar ze werd vastgehouden. Een tijdlang leek het of dit de laatste goede gedachte was voor vandaag. De Rode Adelaar van Manetheren en zijn eigen wolfskopbanier hingen slap in de vallende sneeuw aan twee stokken die tegen een wagen waren gezet.
645 De sneeuwbui nam toe en de vlokken vielen op de mantels van de mannen. De paarden hielden de staart tussen de benen tegen de koude. In een paar uur zou de bui opnieuw in een sneeuwstorm overgaan, zo niet eerder. Het was geen weer om de warmte van een kampvuur achter te laten.
646 Dan kunnen Gradi of Neald ons er door een poort naartoe brengen. Stuur mannen naar Berelain en Arganda. Ik wil dat de Mayeners en Geldaners ook optrekken. Stuur verkenners uit en zeg dat ze niet alleen maar naar Aiel moeten uitkijken. Er zijn ook anderen die ons dood willen hebben.
647 Terwijl hij op zijn paard wachtte, stapte hij dichter naar het vuur toe. Faile had gezegd dat hij moest leren leven met al dat heer Perijn gedoe, met het buigen en het eerbetoon, en de meeste tijd lukte het hem ook om alles te negeren, maar vandaag werd er weer een druppel gal aan toegevoegd.
648 Zelf wilde hij iedereen redden, maar als hij moest kiezen, dan wist hij dat hij Faile zou nemen en de rest zou laten schieten. Hij zou alles doen om haar te redden. De geur van paarden hing zwaar in de lucht, maar hij rook iemand anders die geërgerd was en hij keek over zijn schouder.
649 Ze stapte net genoeg opzij om niet per ongeluk omvergereden te worden door de mannen die door elkaar krioelden om ongeregelde rijen te vormen. Haar knokige hand greep de rand van haar mantel en de andere hield een met koper beslagen knuppel vast die bijna net zo lang was als haar arm.
650 Maar niet om Lini op te zoeken, dat wist Perijn wel zeker. Niemand gaf Lini bevelen, behalve Faile. Mistroostig keek Perijn toe hoe de verkenners uitreden door de vallende sneeuw, tien mannen die de omringende bomen al bespiedden voor ze uit het zicht van de wagens waren.
651 Hij had gedacht dat hij alleen met Rosene en Nana te maken had. Waarschijnlijk had Lini het aan Breane Taborwin, Failes andere kamerdienares, verteld zodra ze vanochtend terug was gekomen, en inmiddels zou Breane het wel aan iedere vrouw in het kampement verteld hebben.
652 Er zaten genoeg vrouwen bij de paardenknechten en wagenrijders, en als echte Cairhienin zouden die maar al te graag alles ook aan de mannen overbrengen. Dat soort zaken werd in Tweewater niet bepaald vriendelijk opgenomen. Als je die naam kreeg, was het niet gemakkelijk om er weer vanaf te komen.
653 Plotseling zag hij het ontwijken van de mannen in een nieuw licht, evenals de manier waarop ze hem onzeker hadden aangekeken en de spuwende Lem. In zijn herinnering werd Kennes glimlach een grijns. Het enige lichtpuntje was dat Faile het niet zou geloven. Natuurlijk niet.
654 Hij zei tegen zichzelf dat het was omdat hij moe en hongerig was, dat hij alleen maar rust en iets in zijn maag wilde hebben. Dat maakte hij zichzelf wijs, maar hij bleef verbrande boerderijen zien en opgehangen lijken aan de kant van de weg, mannen en vrouwen en zelfs kinderen.
655 Zelfs als Rhand nog in Altara was, werd het een lange reis. Een lange reis, en hij had geen keus. Geen keus die hijzelf kon maken. Hij stond met zijn voorhoofd tegen Stappers zadel geleund toen een groep jonge dwazen die zich aan Faile gehecht hadden, naar hem toe kwam lopen.
656 Hij richtte zich vermoeid op. Van hem mocht de sneeuw hen allemaal begraven. Selande Darengil plantte zich naast Stappers achterhand. Ze was een kleine, slanke vrouw die haar in groene handschoenen gestoken handen in de zij zette en een boze rimpel op haar voorhoofd toonde.
657 Alle vrouwen droegen mannenkleren en zwaarden, en waren gewoonlijk tweemaal zo snel bereid om die te gebruiken als de mannen, en dat betekende heel wat. De mannen en vrouwen waren lichtgeraakt en zouden elke dag tweegevechten houden als Faile er geen einde aan had gemaakt.
658 En daardoor was zijn dochter van behoorlijk hogere stand dan Selande, die slechts een lagere Cairhiense edelvrouwe was. Maar Medore slikte heftig en haar ogen werden groot, alsof ze verwachtte levend gevild te worden. Ineens had Perijn genoeg van deze dwazen en hun verwrongen plannen.
659 Als verontschuldiging was het niet veel, en zo aanvaardden ze het ook. Een grom van Selande was naast hun boze blikken het enige antwoord dat hij kreeg, waarna ze wegstampten. Her was niet anders, zolang ze hun woord maar hielden. Het hele stel had tezamen nog geen dag eerlijk werk verricht.
660 De wagens trokken zuidwaarts, glijdend op hun sleden achter de trekpaarden. De paarden lieten diepe sporen na, maar de sleden maakten ondiepe sleuven die de vallende sneeuw onmiddellijk opvulde. De laatste mannen op de heuvel haastten zich in het zadel en voegden zich bij de wagens.
661 Tien gesluierde Aiel kwamen in een drafje door de sneeuwbui naar hen toe. Een ervan voerde een groot wit paard mee. Achter hen reden drie mannen gehuld in een mantel met kap. Er was iets merkwaardigs aan de manier waarop de Aiel bewogen. En op het zadel van het witte paard was een bundel gebonden.
662 Hun paarden zagen er even vermoeid uit als hij zichzelf voelde, bijna volledig uitgeput. Hij wilde Stapper tot galop dwingen om te horen wat ze te melden hadden. Hij vreesde hun nieuws. De raven zouden bij de lichamen gewreest zijn, vossen, misschien dassen en het Licht mocht weten wat nog meer.
663 Hij probeerde die gedachte vast te houden, maar het deed pijn, alsof hij met blote handen een scherp lemmet vasthield. Hij steeg af, struikelde en moest zich aan het zadel vasthouden om niet om te vallen. Hij voelde zich verdoofd rondom de pijn van het vasthouden aan die ene gedachte.
664 Het was niet één bundel op het fraai versierde zadel, maar een stel kleinere bundels die eruitzagen als bijeen geraapte vodden. De Speervrouwen droegen grove sneeuwlopers gemaakt van wijnranken en veerkrachtige pijnboomtakken met naalden. Dat was de reden waarom ze zo vreemd liepen.
665 Jondien moest hun hebben geleerd hoe ze die moesten maken. Hij probeerde zijn aandacht erbij te houden en dacht dat het gebons van zijn hart zijn ribben zou verbrijzelen. Sulin bracht haar speren en gesp over naar haar linkerhand en greep een van de bundels van het zadel voor ze naar hem toekwam.
666 De overige Speervrouwen verzamelden zich om hem heen. Het waren bijna allemaal oudere vrouwen met harde gezichten, hoewel niet zo hard als dat van Sulin. De zwaardhanden stegen af – er was niet te zien dat ze de hele nacht in het zadel gezeten hadden – en bleven achter de Speervrouwen staan.
667 Hij en Jondien Barran vonden sporen op de bomen waarvan ze zeiden dat die door wagens waren veroorzaakt. Een heleboel wagens. Als er kinderen zijn... Ik denk dat het een hele sibbe kan zijn, Perijn Aybara. Misschien meer dan één. Zelfs een sibbe heeft minstens duizend speren, en meer indien nodig.
668 Hij slingerde zich in Stappers zadel en keerde om naar de krijgsmacht. De zwaardhanden liepen en hielden hun vermoeide paarden aan de teugel. De Speervrouwen namen Alliandres ruin mee en liepen naar de Wijzen. Masuri en Seonid reden naar voren om zich bij hun zwaardhanden te voegen.
669 Hij vroeg zich af waarom ze er niet allemaal nieuwsgierig bij waren komen staan. Misschien was de reden wel heel eenvoudig, zoals dat ze hem met zijn verdriet alleen wilden laten als het nieuws slecht was geweest. Misschien. In zijn hoofd probeerde hij alles in elkaar te passen.
670 Het leger te paard, Witmantels of Seanchanen. Het was als een puzzel die baas Lohan hem had leren maken: ingewikkelde stukjes metaal die uit elkaar gleden zonder hapering weer in elkaar zetten. Maar zijn hoofd voelde warrig elke keer dat hij stukjes wilde grijpen die niet in elkaar wilden passen.
671 Neald knikte en keerde zijn ruin naar het kamp, waar hij zich de omgeving al had ingeprent. De meeste bevelen waren al gegeven. Er moesten ruiters uitgestuurd worden om de Mayeners en Geldaners te vinden, die gescheiden van elkaar zouden optrekken en elk hun eigen kamp zouden opslaan.
672 De helft van de mannen droeg een lans, niet weggestoken maar onder de arm, klaar voor gebruik. Ze kwamen stapvoets naar voren. Sommigen droegen een wapenrusting, zoals een borstkuras of een helm, maar zelden allebei. Niettemin waren ze beter gewapend dan de andere volgelingen van Masema.
673 Het gezicht van de man staarde als een dolle bergkat in een grot uit de kap van zijn mantel. Hoeveel van die lansen hadden gisterochtend een rode banier gehad? Toen hij niet meer dan enkele passen van Perijn af was, hief Masema zijn hand en liet zijn mannen halt houden.
674 Deze man wist zowel Masema als de mannen uit Tweewater strak in de gaten te houden. Zijn donkere ogen brandden bijna even fel als die van Masema. Perijn dacht erover hun te vertellen dat een Tweewaterse voetboog op deze afstand dwars door een borstkuras en door de rug kon boren.
675 Niettemin liep hun aantal in de duizenden. En ze hadden legers tegengehouden, wellicht zelfs Aiel. Een stukje van de puzzel in zijn geest verschoof. Hij viel bijna om van vermoeidheid en kon niet precies uitmaken hoe dat was gebeurd, alleen maar dat het was gebeurd. Hoe dan ook, ze gingen niet mee.
676 De Gouden Lelie op de borst van haar vuurrode, met bont afgezette mantel was voor de burgers voldoende om haar te herkennen, maar ze hield haar kap achter op haar hoofd, zodat die haar gezicht omlijstte en de ene gouden roos op het erfdochterkroontje goed zichtbaar was.
677 Hier reed niet Elayne, Hoge Troon van Huis Trakand, maar Elayne de erfdochter. Iedereen diende het te zien en te weten. De koepels van het nieuwe stadsdeel glinsterden wit en goud in het bleke ochtendlicht en ijspegels glinsterden aan de kale boomtakken in het midden van de hoofdstraten.
678 Enkele venters en straatverkopers trotseerden de kou om luidkeels hun waren aan te prijzen, maar de meeste mensen haastten zich om alles snel af te handelen en zo vlug mogelijk weer naar binnen te kunnen. Maar dat je haast had, betekende nog niet dat je ook snel kon lopen.
679 De stad puilde uit doordat het aantal inwoners nu groter was dan dat van Tar Valon. In deze drukte konden zelfs de enkelingen te paard nauwelijks sneller vooruitkomen dan iemand te voet. De hele ochtend had ze maar twee of drie rijtuigen gezien die zich door de straat bewogen.
680 Andoranen spraken zich gewoonlijk duidelijk uit en de bewoners van Caemlin zelfs overduidelijk. Opstanden waren begonnen of koninginnen hadden hun troon verloren, omdat de stadsbewoners luidkeels hun ongenoegen op straat hadden geuit. Een ijzige gedachte deed Elayne huiveren.
681 Ik zal hun lof verdienen. Vandaag deden de overvolle straten echter eenzaam aan tussen het verspreide gejuich. Ze had graag Aviendha als gezelschap gehad, maar Aviendha vond een ritje door de stad onvoldoende reden om op een paard te klimmen. Elayne kon haar gelukkig wel voelen.
682 De meeste mensen op straat zouden zo op het eerste gezicht geen zuster herkennen, maar haar zwaardhand, Ned Yarman, reed vlak achter haar en hij trok alle aandacht. De lange, breedgeschouderde jongeman had lichtblauwe ogen en korenblond krullend haar tot op de schouders.
683 Terwijl de groep zich een weg baande door de menigte, trokken de anderen rond Elayne ook veel aandacht. Acht vrouwen in de rode jassen en met de glimmende helmen en kurassen van de koninginnegarde waren zeker geen alledaags gezicht. Eigenlijk vormden ze iets volkomen nieuws.
684 Juist om die reden had ze die vrouwen zelf uit de nieuwe rekruten gekozen. Hun gardesergeant, Caseille Raskovni, mager en even taai als een Speervrouwe, was een zeldzaamheid. Ze was de vrouwelijke wachter van een koopman geweest en had, zoals zij het stelde, bijna twintig jaar in het vak gezeten.
685 Er was een kans dat die tien zusters zich onder de toeschouwers bevonden. Na haar aankomst in Caemlin waren er inmiddels twee vertrokken en drie bijgekomen. Dat gaf niet de indruk dat het een groep met een opdracht was. Geen van hen was van de Rode Ajah en Elaida zou zeker Roden mee hebben gestuurd.
686 In het paleis ving Elayne af en toe een vreemde blik op van een zuster. Ze dachten ongetwijfeld aan de manier waarop zij tot zuster was verheven, maar leken haar desondanks wel als volwaardige Aes Sedai te aanvaarden, die, met uitzondering van Nynaeve, van hogere rang was dan de anderen.
687 Halwin Norrij gaf haar stapels papieren met cijfers en feiten, en ook al maakte de eentonige stem van de hoofdklerk haar slaperig, ze wilde alles met eigen ogen zien. Norrij kon een rel even levenloos beschrijven als een verslag over de stadskelders of de kosten van het reinigen van de riolering.
688 Overal zag ze vreemdelingen in de menigte. Kandori met snorren en gevorkte baarden, Illianers met baarden zonder snor. Arafellers met zilveren belletjes in hun vlechten. Bruin gebronsde Domani, olijfkleurige Altaranen en donkere Tyreners. De Cairhienin vielen op door hun lengte en bleke huid.
689 Er waren te veel van deze stakkers in de stad. Elke dag verstrekte het paleis voedsel aan duizenden mensen uit keukens die overal in de stad waren opgezet, maar velen wilden niet eens komen om hun brood en soep op te halen. Elayne wenste hun de genade van het Licht en stopte de munt weer terug.
690 Sommige andere vreemdelingen die ook in Caemlin beland waren, waren mannen en vrouwen die nu geen vodden meer droegen of uitgehongerd leken. De reden waarom ze destijds op de vlucht waren gegaan, deed er niet meer toe; ze hadden nu besloten dat ze ver genoeg hadden getrokken.
691 Ze begonnen na te denken over een ambacht en aan hun bezittingen die ze hadden achtergelaten. In Caemlin kon iemand met vakkennis en inzet bijna altijd wel een geldschieter vinden. Er werden tegenwoordig nieuwe ambachten in de stad uitgeoefend. Vanochtend had ze al drie klokkenwinkels ontdekt.
692 Vanaf nu zou Caemlin, in tegenstelling tot vroeger, zowel glas als kristal uitvoeren. De stad telde verder kantklossers die kant maakten dat net zo mooi was als dat uit Lugard, en dat was geen wonder, want ze kwamen bijna allemaal uit die stad. Het verbeterde haar stemming enigszins.
693 Tenzij ze Andor erdoor zou verliezen, wat Dyelin vreesde. Als ze niet wilde dat vreemden in de garde de overhand kregen, moest ze voldoende mannen zien te vinden. Plus het geld om ze te betalen. Opeens voelde ze Birgitte heel duidelijk. Ze kwam eraan en was boos. Dat was ze de laatste tijd vaak.
694 De binding zou haar rechtstreeks naar Elayne leiden. Ze sloegen de Naaldstraat in, die naar het zuiden leidde. Het was een behoorlijk brede straat, al was hij even bochtig als een rivier, en hij liep heuvel op, heuvel af. Vele geslachten geleden hadden er alleen spelden en naaldenmakers gewoond.
695 Lang voor ze de Binnenstad hadden bereikt, kwam Birgitte hen in de Peermanslaan tegen, waar zich sinds de dagen van Ishara fruitwinkels bevonden en waar een handvol fruitkooplieden nog steeds hun winkel openhielden, al lag er deze tijd van het jaar weinig in de winkels.
696 Ze hield haar ruige grijze rijdier pas in toen ze de stoet zag. Ze leek haar haast goed te willen maken en gunde zich enkele tellen om de vrouwelijke gardisten op te nemen en Caseilles garde groet te beantwoorden voor ze haar rijdier wendde om naast Elayne mee te stappen.
697 Aviendha had gezegd dat ze gevolgd werden, maar zij had zeker geweten dat het een nachtelijke wandelaar was geweest. Het was trouwens niet eens zo gegaan. Niet zo. Birgittes woeste blik beloofde een later gesprek. Ze weigerde te begrijpen dat een zwaardhand haar Aes Sedai nooit afviel.
698 Bloedvuur, als we het hele garnizoen mee hadden laten gaan, had dat in het oosten van Andor vele ogen getrokken en de overvallers zouden dan voor de zekerheid nog meer wapenknechten hebben meegenomen. En dan zouden ze bovendien ook nog Aringil in handen hebben gekregen.
699 Ze was mager en haar vlechten met kralen hingen uit haar mantelkap. Haar dienstmeid, een onaanzienlijke vrouw met haar armen vol pakjes, deed haar meesteres onhandig na. De twee brede lijfwachten vlak achter de twee vrouwen droegen met koper beslagen vechtstokken en bleven waakzaam rechtop staan.
700 Terwijl ze verder reden, neeg Elayne het hoofd om de hoffelijkheid van de Taraboonse te beantwoorden. Tot dusver had ze nog van geen enkele Andoraan iets dergelijks gezien. Het knappe gezicht achter de dunne sluier van de vrouw toonde iemand van oudere leeftijd. Ze was dus geen Aes Sedai.
701 Naean zal zich niet gemakkelijk gewonnen geven, maar haar Huis bespreekt al wie tot haar terugkomst als Hoogzetel zal optreden, dus zal ze lang aarzelen en zal Elenia met marteling dreigen en dat wellicht ook echt doen. Uiteindelijk zal Naean Arawn zich achter Sarand scharen en dus Elenia steunen.
702 In plaats daarvan dacht ze aan de Aes Sedai in Caemlin en aan de verspieders in het paleis. Aan de onbekenden die Elenia en Naean in handen hadden en aan de vraag hoe snel Birgitte nieuwe gardisten kon werven. Aan de overweging of het tijd werd het paleiszilver en haar andere juwelen te verkopen.
703 Een koningin mocht geen angst tonen. Het koninklijk paleis was een krijtwitte verzameling van fraai bewerkte balkons en galerijen met zuilen op de top van de hoogste heuvel van de Binnenstad, tevens de hoogste heuvel van Caemlin. De slanke spitsen en vergulde koepels rezen hoog op in de middaghemel.
704 Aan de voorzijde, aan de kant van het Koninginneplein, bevonden zich de grootse poorten. Hier hadden zich in het verleden enorme menigten verzameld om de toespraken van de koninginnen aan te horen of om luidkeels hun steun voor de vorstinnen van Andor uit te schreeuwen.
705 Elayne kwam aan de achterkant binnen. De ijzeren hoeven van Vuurhart kletterden op de stenen toen ze de hoofdstal binnenstapte. Het was een brede, uitstekende vleugel met aan beide zijden rijen hoge stalboogdeuren met daarboven een lang witstenen balkon, eenvoudig en sterk.
706 Bij de buitenmuur stegen nog dertig gardisten op, klaar om in paren een rondgang door de Binnenstad te maken. Normaal gesproken zouden er gardisten zijn die als hoofdtaak hadden de orde op straat te bewaken, maar nu er maar zo weinig gardisten waren, moesten ook de paleiswachten dit werk doen.
707 Een forse vrouw in fraaie rijkleding met groene strepen en een blauwgroene mantel. Ze zat al op haar grijze ruin terwijl een van haar zwaardhanden, Venr Kosaan, op zijn vos klom. Hij was donker van uiterlijk en in zijn krullerige haren en baard was hier en daar wat grijs te zien.
708 De Groene zuster keek nadenkend onder de beschermende mantelkap en Kosaan deed zelfs dat niet eens. Hij schonk Birgitte en Yarman slechts een knikje. Zonder verder op of om te kijken vertrokken ze zodra de laatste gardisten van Elaynes geleide de met ijzer beslagen poort waren binnengereden.
709 Maar sommige gardisten bij de muur bleven staan, met een voet in de stijgbeugel, en keken naar de nieuwelingen. Ze hadden haar pas een uur later verwacht en afgezien van de enkeling die nooit verder dacht dan zijn neus lang was, besefte iedereen in het paleis de onstabiele situatie.
710 Afgezien van de sergeant waren er nog maar drie anderen langer in dienst van de garde, maar hier stonden geen kersverse nieuwelingen. Stalknechten in rode jassen met de geborduurde Witte Leeuw op een schouder snelden de stallen uit, hoewel ze eigenlijk niet veel te doen hadden.
711 Zoals altijd voerde hij nauwgezet zijn werk uit. Birgitte keek woest rond, de vuisten in de zij, en hield blijkbaar de mannen in het oog die de komende vier uur de orde in de Binnenstad gingen bewaren. Het zou Elayne echter verbazen als Birgittes gedachten echt naar die mannen uitgingen.
712 Zij had in elk geval haar eigen zorgen, maar probeerde die niet overduidelijk te tonen. Ze nam de schrale vrouw op die Vuurhart bij de teugels vasthield, evenals de magere man die voor haar afstijgen een met leer bekleed opstapje had neergezet en de stijgbeugel vasthield.
713 Hij bleef onverstoorbaar terwijl de vrouw het paard wat toefluisterde en zijn neus streelde. Geen van beiden keek echt naar Elayne al hadden ze wel hoffelijk het hoofd geknikt. Hoffelijkheden kwamen pas nadat Elayne niet door alle drukte door een schichtig paard uit het zadel kon worden gegooid.
714 Het deed er niet toe dat ze hun hulp niet nodig had. Ze was hier niet meer op het platteland en ze behoorde de regels te volgen. Desondanks probeerde ze niet fronsend rond te kijken. Ze besteedde geen aandacht meer aan het tweetal toen ze Vuurhart wegleidden en keek niet om, al wilde ze dat wel.
715 De raamloze toegangshal achter de zuilen leek schemerig, ook al waren enkele staande spiegellampen aangestoken. Eenvoudige lampen met ijzeren krullen. Alles hier was bedoeld om nuttig te zijn. De gepleisterde kooflijsten waren onversierd en de witstenen muren kaal en glad.
716 Een kale man met een trots gezicht keek haar wel aan, maar niet direct in de ogen; wellicht was hij bang om te vrijpostig te zijn. Een slanke jonge vrouw die scheel keek, maakte al te overijverig een glimlachende kniks, maar misschien wilde ze alleen tonen dat ze oplettend was.
717 Elayne liep snel verder, gevolgd door Birgitte, voordat ze hen woest begon aan te kijken. Achterdocht smaakte bitter. Sareitha en haar zwaardhand begeleidden hen slechts enkele passen en toen mompelde de Bruine zuster iets over boeken die ze in de boekenzaal na wilde zien.
718 Ik zet nooit kinderogen op en ik spring niet op. Heb je me daarom met een titel opgezadeld? Zodat ik daarmee aan de lijn kwam te liggen? Het zou niet de eerste stomme gedachte in jouw hoofdje zijn. Voor iemand die meestal zo helder en goed nadenkt... Laten we het er later over hebben.
719 Ze beende weg en haar lange paardenstaart had als de staart van een boze kat omhoog kunnen staan. Elayne stampte geërgerd met haar voet. Birgittes titel was een terecht verdiende beloning, meer dan tienmaal verdiend sinds ze de vrouw had gebonden! En daarvoor al tienduizend keer.
720 Niet wanneer het om belangrijke zaken ging – wanneer zijzelf ze trouwens belangrijk vond – maar het gold wel voor alle andere opdrachten, vooral wanneer ze die betitelde als onnodig riskant of onbetamelijk. Alsof Birgitte Zilverboog over gevaren haar mond open mocht doen.
721 Ze keek graag naar mooie mannen, al had ze een voorkeur voor mensen die zware klappen leken te hebben opgelopen. Elayne wilde haar niet veranderen, want ze bewonderde haar, mocht haar en beschouwde haar als een vriendin, maar ze had graag meer gemerkt van de binding tussen zwaardhand en Aes Sedai.
722 Opeens besefte ze dat ze stilstond en met een boos gezicht in het niets staarde. Dienaren kwamen aarzelend voorbij en hielden hun oog op de vloer gericht alsof ze bang waren dat haar boosheid voor hen was bedoeld. Ze ontspande zich en wenkte een slungelige jongen met puistjes.
723 Zijn grote ogen flitsten naar haar Grote Serpent ring, waarna hij een hoog geluidje slaakte en zelfs nog dieper boog voor hij hardhollend verdween. Onwillekeurig glimlachte ze. Het was een gok geweest maar hij was te jong om een verspieder te zijn en te zenuwachtig om iets verbodens te doen.
724 Ze was zeker even vroeg opgestaan als Elayne, waarschijnlijk nog eerder, maar haar scharlakenrode tabberd leek net gestreken en de Witte Leeuw op de voorkant zag er even schoon en wit uit als pasgevallen sneeuw. De dienaren haastten zich nog meer en poetsten nog harder toen ze haar zagen.
725 Ze zei het zo zacht dat die het alleen hoorde, ik heb er echter wel een paar ontdekt. Een vrouw en een man die allebei in dienst zijn genomen in de laatste maanden van uw moeders regering. Zij verlieten het paleis zodra het nieuwtje de ronde deed dat ik iedereen ondervroeg.
726 Naean en Elenia waren vaak in her paleis geweest in die laatste maanden van haar moeders regering. En hadden dus ruimschoots de kans om hier ogen en oren te planten. Niet alleen dat stel had in het paleis gewoond, ook anderen die de aanspraak van Morgase Trakand op de troon hadden bestreden.
727 Ze wilde altijd weten waarom mensen Elayne wilde spreken, zodat ze het kaf van het koren kon scheiden en Elayne er niet onder begraven werd, maar de hoofdklerk zag nooit enige aanleiding een tipje van zijn sluier voor haar op te lichten. Zij vertelde hem trouwens ook nooit iets.
728 Beide groepen hebben een verzoekschrift ingediend om verlaging van de belastingen vanwege de zware tijden en nu willen ze dat komen toelichten. Mijn vrouwe heeft geen raad van mij nodig om hun te zeggen dat het voor iedereen moeilijke tijden zijn. Er komt ook een groep vreemde kooplieden.
729 Ik regeer over Andor, had Elaynes moeder haar ooit eens onder vier ogen gezegd, maar soms denk ik dat Harfor mij regeert. Haar moeder had het lachend gezegd, maar wel zo dat ze het echt zo bedoelde. Als ze er goed over nadacht, zou vrouwe Harfor als zwaardhand tienmaal zo erg zijn als Birgitte.
730 Dat was wel heel gek in de winter. Ze waren bij de grote deuren van haar vertrekken aangekomen. In het hout waren leeuwen uitgesneden. Kleinere leeuwen dan op de deuren van haar moeders vleugel, maar nooit was bij haar de gedachte opgekomen de koninklijke vertrekken te gebruiken.
731 Ze werden afgezonderd en mochten met niemand spreken behalve met de vrouw die hen door de zalen begeleidde. De huisvrouwe wist wanneer ze geen vragen mocht stellen, maar ze had er een hekel aan als ze niet wist wat er in het paleis gaande was. Haar stem veranderde echter in het geheel niet van toon.
732 Regeren betekende eindeloze weken van verveling en de uren waarin je kon doen wat je zelf wilde, waren zeldzaam. Ergens achter in haar hoofd zweefde Birgitte, een harde bol van pure ergernis en boosheid. Ongetwijfeld werkte ze zich door die stapel papieren op haar tafel heen.
733 Dus liep ze snel door, verloren in gedachten, en zag ze nauwelijks waar ze was. Wat vond Norrij zo dringend? Het herstel van de bestrating in elk geval niet. Hoeveel verspieders? De kans dat vrouwe Harfor ze allemaal ving, was klein. Ze sloeg de hoek om en voelde opeens geleidsters voor haar.
734 Kirstian en Zareya droegen volkomen witte kleren en bleven zorgvuldig een pas achter Vandene staan terwijl ze gedwee hun handen voor hun middel gevouwen hielden. Hun haren waren simpel achterover gekamd en ze droegen geen sieraden. Bij Novices werden sieraden ten sterkste afgeraden.
735 Het waren Kinsvrouwen geweest en Kirstian was nog wel lid van het Naaikransje. Ze waren beiden weggelopen uit de Witte Toren en er waren voorschriften voor de omgang met weglopers. Die regels lagen verankerd in de wet van de Toren en hoe lang geleden dat gebeurd was, deed er niet toe.
736 Kleine fouten die bij anderen door de vingers werden gezien, werden zwaar bestraft. Eenmaal weer in de Toren moesten ze een nog veel zwaardere straf ondergaan, een geseling in het openbaar, en daarna moesten ze nog minstens een jaar op hun smalle en pijnlijke pad blijven.
737 Half geoefende vrouwen waren te gevaarlijk in de wereld buiten de Toren. Elayne had die paar keer dat ze bij hen was getracht toegeeflijk te zijn, want de Kinsvrouwen waren niet echt half geoefend. Ze hadden evenveel ervaring met de Ene Kracht als een Aes Sedai, al hadden ze geen lessen gehad.
738 Het verbaasde haar niet dat ze een onderdrukte gretige glans in de ogen van de wee vrouwen zag en een houding die beloofde dat ze zich goed zouden gedragen. Ze wilden net als ieder ander deze kans met beide handen aangrijpen. Ze was gewoon verbaasd omdat juist Vandene bij deze twee was.
739 Haar witte haren, onder aan haar nek bijeengebonden met een groen lint, hadden haar ondanks haar rimpelloze wangen altijd een ouder uiterlijk gegeven. De moord op haar zus had er een grimmigheid aan toegevoegd die zich in haar kaken en botten had vastgezet, zodat ze een ongenaakbare rechter leek.
740 Het was de juiste benaming voor Novices. Het ergste ogenblik voor een vrouw die naar de Toren trok, was niet de ontdekking dat ze nog niet als rijp en volwassen werd gezien tot ze de stola behaalde, maar het ogenblik dat ze besefte nog echt een kind te zijn zo lang ze het Novicewit droeg.
741 De knappe Kirstian met haar zwarte ogen leek rond de dertig. In werkelijkheid was ze ruim driehonderd jaar oud, ongetwijfeld ouder dan Vandene. Kirstian was al zo lang uit de Toren weg dat ze zich veilig genoeg had gevoeld om haar eigen naam, of een deel ervan, te gebruiken.
742 Twee vrouwen in een afgelegen huis die om hun juwelen waren vermoord. Alleen zijzelf, Vandene, Nynaeve en Lan kenden de waarheid. Tot dit ogenblik blijkbaar. Ze moesten vrij veel uitgedokterd hebben, anders zou Vandene hen met een draai om beide oren hebben weggestuurd.
743 De Novices bleven gehoorzaam vlak achter Vandene staan. Misschien hadden ze voor al die ijver al een oorvijg gekregen. Er waren genoeg bedienden te zien, maar niemand kwam naar hen toe en niemand kon hen horen. Toch sprak Vandene heel zacht, al was haar ongenoegen nog steeds overduidelijk.
744 Toen ze Adeleas en Ispan hadden gevonden, was het duidelijk geweest dat hun moordenares een Aes Sedai moest zijn geweest. Ze waren beiden verlamd door purperdoornwortel voor ze werden vermoord en het was bijna onmogelijk dat de windvindsters iets van dit kruid wisten dat zo ver van zee groeide.
745 Ispan zelf was als Novice weggelopen en was in Ebo Dar beland, maar ze was al teruggehaald voordat de Kinne zich aan haar bekend had kunnen maken, haar had kunnen dat ze meer waren dan een paar vrouwen die uit de Toren waren gezet en zomaar toevallig hadden besloten haar te helpen.
746 Alles en alles. Ze waren niet zacht geweest en ze hadden haar heel diep doorvorst en elk feitje opgediept dat een aanwijzing kon vormen. Toch wist ze weinig meer van de Kinne dan de andere Aes Sedai. Als er Duistervrienden in de Kinne zaten, zou de Zwarte Ajah alles hebben geweten.
747 Niet bepaald een gevoel dat je Nynaeve Almaeren als eerste toedichtte. Elayne schrok toen ze Lan wat verderop zag, die om hen heen draaide en beide gangen scherp in het oog hield. Hij was even lang als een Aiel in zijn donkergroene mantel en had schouders die een smid leken toe te behoren.
748 Ook al was hij midden in het paleis, aan zijn middel hing nog steeds een zwaard. Hij liet Elayne altijd huiveren. Uit zijn kilblauwe ogen staarde de dood, behalve als hij Nynaeve aankeek. De voldoening verdween meteen van Nynaeves gezicht toen ze hoorde wat er van haar verwacht werd.
749 Het was misschien niet Nynaeves schuld dat ze amper ouder leek dan twintig, want zij had al vroeg het kenmerk gekregen dat ze uiterlijk niet verouderde, maar voor de Kinne was leeftijd belangrijk en het was haar eigen keus om een groot gedeelte van haar tijd bij hen door te brengen.
750 De bedienden die ze achter Vandene en de twee Novices kon zien, waren gestopt met werken om met open mond naar het groepje vrouwen te staren. Ze betwijfelde of ze Lan nog zouden opmerken, al was die nog zo indrukwekkend. Aes Sedai die ruzie maakten, was iets bijzonders.
751 Ze was klein, niet veel langer dan Zareya en aanmerkelijk kleiner dan Vandene en Kirstian, maar ze leek wel een hand boven hen uit te steken. Het was een kunst die Elayne ook graag wilde beheersen. Hoewel ze dat niet wilde uitproberen in een gewaad dat zo gewaagd was gesneden.
752 Toen ze zich ten slotte naar de twee Novices wendde, stond haar gezicht weer even beheerst als het al die tijd sinds de moord op Adeleas had gestaan. Wat slechts inhield dat de rechter afzag van een veroordeling ter plekke. Later wellicht. Haar ingevallen gezicht stond kalm en grimmig.
753 Hoogstwaarschijnlijk was Lan steeds klaar voor een aanval, zelfs in zijn slaap. Het zou net zijn of je naast een hongerige leeuw lag. Bovendien was dat uit rots gehouwen gezicht voldoende om elk huwelijksbed af te koelen. Gelukkig had Nynaeve geen flauw benul van haar gedachten.
754 De bedienden krompen in elkaar als Lans ogen op hen vielen. Een bediende met een mager gezicht kreeg opeens bevende knieën en liet een armvol linnen vallen en een jonge vrouw met licht haar pakte werkelijk haar rok op en ging ervandoor, waarbij ze tegen een lamp botste en die schuddend liet staan.
755 Van de Kinsvrouwen die meegekomen waren naar Caemlin, waren er achttien niet meer in het paleis. Ze waren echter niet weggelopen. Aangezien er niemand van hen zo sterk was om te kunnen Reizen, had Nynaeve zelf een poort geweven en ze naar Altara, Amadicia en Tarabon gebracht.
756 De belofte moest gehouden worden. Ze had die zelf uitgesproken. Namens Egwene weliswaar, en in opdracht van Egwene, maar de woorden waren uit haar mond gekomen en zij ging haar woord niet breken. Ze wist echter niet hoe ze zich eraan kon houden, tenzij Egwene iets heel moois had bedacht.
757 Alise Tenjile stond aan het andere eind van de tafel en keek op. Ze droeg eenvoudige grijze kleding meteen hooggesloten nek en leek van middelbare leeftijd. Ze leek een prettige, onopvallende vrouw die echter behoorlijk opviel als je haar eenmaal kende en indien nodig uiterst onplezierig kon zijn.
758 Ze keek eenmaal en richtte haar aandacht toen weer op wat er aan de tafel gebeurde. Aes Sedai, zwaardhanden en de erfdochter maakten geen indruk meer op Alise. Reanne zat in een groen gewaad dat fraaier was dan dat van Alise aan de tafel. Haar gezicht vertoonde rimpels en haar haren werden al grijs.
759 Het betekende beteugelde, en dat waren ze. Vijf damane die de band moesten blijven dragen om de eenvoudige reden dat ze anders zouden trachten hun Seanchaanse teugelhoudsters te bevrijden. Luipaarden aan een touw was een beter geschenk geweest, w7ant die konden tenminste niet geleiden.
760 Reanne nam er alle tijd voor, bekeek wat ze had gedaan en knikte tevreden toen ze opstond. De Kinne had altijd getracht zo min mogelijk te geleiden en ze schepte veel genoegen in de vrijheid om saidar te gebruiken wanneer ze dat wilde, en ze was trots op goede wevingen.
761 Ze kon je echt afsnauwen wanneer het minachtend werd gebruikt. Nu staarde ze Reanne alleen maar aan. Wellicht probeerde ze een antwoord te bedenken. Elayne wist wel wat zij zou antwoorden, maar deze kwestie had niets te maken met haar aanspraken op de troon of met Andor.
762 Nynaeve leek in gedachten verzonken en leek moeite te hebben met een besluit. Ze greep met twee handen haar vlecht beet, liet weer los en sloeg haar armen over elkaar, terwijl de franje van haar stola wild rondzwierde. Ze keek iedereen behalve Lan woest aan. Ze keek Lan helemaal niet aan.
763 Nog drie vrouwen erbij waar ze niet helemaal zeker van waren, was niet echt wat je noemde goed nieuws, maar er was geen andere keus. Reanne aanvaardde Nynaeves besluit na enige tellen met een knik, terwijl Alise met een glimlach om de tafel heen kwam lopen om Nynaeve een schouderklopje te geven.
764 Er glinsterden onverwachte tranen in haar ogen toen ze zich met een ruk omdraaide om hem aan te kijken. Haar gezicht straalde van vreugde. Hij glimlachte terug en de kilte in zijn ogen was verdwenen. Elayne moest moeite doen om het tweetal niet met open mond aan te kijken.
765 Licht! Misschien was hun huwelijksbed toch niet zo koud als ze had gedacht. Bij die gedachte voelde ze zich rood worden. Ze probeerde niet naar het stel te kijken en haar ogen vielen op Marli. De Seanchaanse staarde strak voor zich uit en tranen stroomden over haar dikke wangen.
766 Er dansten vlammen op de dikke houtstammetjes in de brede marmeren haard, maar het vuur kon de kilte amper verdrijven. Dat spoorde haar aan zo snel mogelijk een blauw gewaad van fijne wol aan te trekken, met patronen van kunstparels rond de hoge hals en langs de mouwen.
767 Birgitte was heel indrukwekkend in haar gardekledij. En Birgitte zou graag een onderbreking willen, zelfs als dat luisteren naar kooplui inhield. Aan de verhitte knoop ergernis in haar hoofd te voelen vond de kapitein generaal van de koninginnegarde de verslagen maar zwaar werk.
768 Voorlopig kon het kroontje van de erfdochter in het ivoren sieradenkistje op haar kaptafel blijven. Een klein kistje. Ze had niet zoveel juwelen, de meeste waren in pand gegeven, en misschien moest de rest ook weg, net als het tafelzilver. Het had geen zin zich er nu zorgen over te maken.
769 Boven de donkerhouten lambrizering van haar zitkamer bevonden zich brede kooflijsten met vogels. Het vertrek toonde aan weerszijden twee haarden met fraaie mantels die beter verwarmden dan die in haar kleedkamer, hoewel ook hier vele tapijten op de witte tegelvloer nodig waren.
770 Tot haar verbazing zat Halwin Norrij er. De plicht had haar blijkbaar reeds overvallen. Toen ze binnenkwam, richtte de hoofdklerk zich op uit een stoel met lage rug. Hij klemde een leren map tegen zijn smalle borst en schoof slungelachtig om de tafel heen, zodat hij onhandig een been kon buigen.
771 Aan de stand van zijn hoofd te zien, dat hij schuin hield, alsof hij haar zo beter kon horen, was hij waarschijnlijk behoorlijk doof. Misschien was dat de reden waarom zijn woorden nooit van toon veranderden. Ze verhief haar eigen stem. Iets. Uiteindelijk zou het toch doodsaai worden.
772 Dat deed hij altijd. Ze maakte het zich gemakkelijk, sloeg de benen over elkaar en schikte haar rok goed. Hij greep niet naar zijn map. Alles wat op papier stond, zat ook in zijn hoofd. De papieren had hij alleen maar bij zich voor het geval ze die met eigen ogen wilde inzien.
773 Elayne was kaarsrecht gaan zitten toen hij de aluin vermeldde en ze glimlachte breed. Ze had zin om van vreugde een buiteling te maken. Als het iemand anders dan Norrij was geweest, had ze het gedaan. Ze was zo opgetogen dat ze Birgittes ergernis even voelde verdwijnen.
774 Alleen in Geldan was aluin van goede kwaliteit te vinden, tenminste tot nu, en de belasting op de aluinhandel was voldoende geweest om de Geldaanse troon vele generaties lang te steunen. Aluin uit Tyr en Arafel was niet zo goed, maar bracht evenveel geld op als olijfolie en edelstenen.
775 Tot dusver had de School een twintigtal leerlingen die in verschillende herbergen waren ondergebracht, maar zelfs nu het winter was, kwamen er elke dag meer bij, en ze begonnen steeds vaker een soortgelijke ruimte te eisen als zich volgens de geruchten in Cairhien bevond.
776 Zelfs als ze zeker wist dat de Laatste Slag aan alles een einde zou maken, wilde ze niet alleen maar blijven toekijken. Rhand was de Scholen begonnen voor het geval de wereld echt brak, in de hoop nog iets te redden, maar deze school zou de School van Andor zijn, niet die van Rhand.
777 Hij zou hoogstens zijn mond van afkeer vertrekken. De hoofdklerk hield de gelden van de natie bij, leidde de schrijvers die de hoofdstad bestuurden en gaf de troon raad in staatszaken. Hij had zeker geen netwerk van ogen en oren zoals de Ajahs of zelfs sommige zusters in hun eentje.
778 De vleugel met de vertrekken van de Herrezen Draak is grotendeels verwoest en zelf is hij verdwenen. Men neemt algemeen aan dat hij naar Tar Valon is gegaan om voor de Amyrlin Zetel neer te knielen. Sommigen geloven dat hij tijdens de aanval is gestorven, maar dat zijn er niet zoveel.
779 Dat was bijna, bijna een grap. Minstens een wat onhandig puntigheidje. Nog wel van Halwin Norrij. Zij geloofde ook niet dat Rhand dood was. Ze wilde niet geloven dat hij dood was. En wat dat knielen voor Elaida betrof, de man was te koppig om voor wie dan ook neer te knielen.
780 Er zouden veel problemen overwonnen kunnen worden als hij zich ertoe kon zetten voor Egwene te knielen, maar dat zou hij niet doen en zij was nog wel zijn vriendin uit zijn jongensjaren. Elaida had even veel kans als een geit op een hofdans, zeker als hij die proclamatie had gehoord.
781 Elayne dacht erover om een koninklijke post te beginnen als de toestand dat ooit toeliet. Norrij klaagde over het feit dat zijn laatste berichten uit Ebo Dar en Amador al waren achterhaald door gebeurtenissen die al wekenlang op straat te horen waren geweest. Niet alles was belangrijk.
782 In Illian was het rustig; het zat er vol met soldaten en krijgers van Rhand die herstelden van een veldslag tegen de Seanchanen. Meer was er niet bekend; niet eens of Rhand in de stad was geweest. De koningin van Saldea had zich teruggetrokken op het platteland en verbleef daar nog steeds.
783 Elayne wist er al van, maar het scheen dat ook de koningin van Kandor al maandenlang niet in Chasin was gezien, en men zei dat de koning van Shienar nog steeds op een uitgebreid werkbezoek aan Verwordingsgrens was, hoewel de Verwording tegenwoordig rustiger was dan sinds mensenheugenis.
784 Het was enkel een overzicht van wat er in andere landen gebeurde. Niettemin werd er van haar verwacht dat ze deze vraag zou stellen, ook al wisten beiden dat ze reeds over het antwoord beschikte, dat in feite neerkwam op: doe niets. Maar hij had telkens zijn antwoord klaar.
785 Wellicht is hij bevreesd door alles wat er ten noorden van het land gebeurt of is hij bang voor de overvallen van de Aiel, waar we zoveel over horen. Aan de andere kant is hij misschien nooit echt eerzuchtig geweest, maar koestert hij nu plannen om iets in het noorden van Altara te ondernemen.
786 Als haar aanspraken vergeefs waren en hij haar gezant wel had ontvangen, zou de volgende koningin een deel van Morland bezetten om hem een lesje te leren. Een stuk land naast al het land dat heer Luan en de anderen reeds in handen hadden. Ze had van Egwene echter betere inlichtingen gekregen.
787 Ze was niet van plan haar bron te onthullen, maar ze besloot hem gerust te stellen. Hij wist wat er gedaan moest worden maar was niet in staat dat te doen. Dat moest voor hem heel verontrustend zijn en dat was waarschijnlijk de reden waarom hij zijn lippen zo op elkaar perste.
788 Hij richt zich op Morland zelf. De Andoranen in Morland hebben eden van trouw aangenomen van edelen in het noorden, waardoor de anderen zenuwachtig worden. Bovendien zwerft daar een grote bende huurlingen rond. Feitelijk Draakgezworenen, maar Roedran denkt dat het huurlingen zijn.
789 Hij heeft ze in het geheim in dienst om daar te blijven en druk uit te oefenen als de andere legers zijn verdwenen. Hij is van plan die dreiging uit te buiten om de edelen zo strak aan zich te binden dat niemand graag als eerste los wil breken wanneer alle gevaar is geweken.
790 Zoals u zich bewust zult zijn, is uw aanspraak op de Zonnetroon daar heel goed bekend en hij wordt door velen gesteund. Blijkbaar spreken vele Cairhienin openlijk over een komst naar Andor om u te helpen de Leeuwentroon te winnen, zodat u des te sneller de Zonnetroon kunt opeisen.
791 Waarom had hij besloten haar dit te vertellen in plaats van haar te laten overrompelen door de komst van haar Cairhiense volgelingen? Had haar vertoon van kennis indruk op hem gemaakt? Of was hij misschien bang dat ze zou vernemen dat hij iets achterhield? Geduldig stond hij te wachten.
792 Het besturen van Caemlin was zonder schrijvers onmogelijk, om maar te zwijgen van het besturen van Andor. Als je ze niet in de gaten hield, hadden schrijvers de macht om zelfs een koningin op haar knieën te dwingen. Een goedkeurend woord was niet hetzelfde als een verklaring van trouw.
793 Ze zag een lamsbout met mosterdsaus, geroosterde kapoen met vijgen, suikerbroodjes met pijnboompitten, een roomsoep met prei en aardappels, koolrolletjes met rozijnen en kappertjes en een hartige pompoentaart. Er stonden twee bordjes: een met appeltaart en een met kersentaart met slagroom.
794 Twee, zodat ze kon kiezen welke ze het lekkerst vond. In een derde kan zat thee. Wat verloren stond in een hoekje van het blad haar gebruikelijke middagmaal van brood en een heldere soep. Reene Harfor vond dat maar niets. Ze beweerde dat Elayne zo mager was als een riet.
795 De huisvrouwe had haar mening luid verkondigd. De grijze vrouw trok een verwijtend gezicht toen ze het brood; de soep en de thee op tafel zette met een witlinnen eetdoekje, een kop en schotel van dun blauw porselein en een zilveren potje met honing. Plus enkele vijgen op een schotel.
796 Een koopman uit Nieuw Breem kwam vanmorgen met het nieuws. Een eerlijke en betrouwbare man, Tormon uit Illian. Geeft zich niet over aan dromen of verzinsels en is niet hang voor schaduwen. Hij zei dat hij op verschillende plekken Arafellers, Kandori en Shienaranen heeft gezien.
797 Opnieuw verborg ze een geeuw en opeens werden haar ogen groter terwijl ze naar haar kopje staarde. Fris en muntachtig. Zorgvuldig zette ze haar kopje neer, althans dat probeerde ze. Het schoteltje kwam verkeerd terecht en het kopje viel om, waardoor de thee over de tafel stroomde.
798 Ze probeerde de Bron te bereiken, probeerde zich te vullen met het leven en de vreugde van saidar, maar ze had evengoed kunnen proberen met een net de wind te vangen. Birgittes ergernis, wat minder opgewonden dan eerst, bevond zich nog steeds in een hoekje van haar geest.
799 Met een getuige zou Dyelin haar niet neersteken. De man bevochtigde zijn lippen, terwijl zijn ogen van de een naar de ander schoten. Toen kwam hij naar binnen, terwijl hij een lange dolk uit zijn riem trok. Nog twee mannen in de roodwitte livrei volgden hem en beiden trokken een lange dolk.
800 Met de grootste moeite duwde ze zich overeind. Haar knieën voelden zwak en ze moest met een hand steun zoeken bij de tafel, terwijl ze de andere gebruikte om haar eigen mes te trekken. Het lemmet van siersmeedwerk was nog korter dan haar hand, maar ze moest het ermee doen.
801 Dat had ook best gekund, als haar vingers rond het heft maar niet als houtblokken hadden aangevoeld. Een kind had het haar af kunnen pakken. Niet zonder strijd, dacht ze. Het leek of ze haar hand door dikke stroop duwde. Niet zonder strijd! Vreemd genoeg leek er geen tijd voorbij te gaan.
802 Moord! Wachters! Het drietal probeerde de stoel te ontwijken, maar een was te traag en de stoel klapte tegen zijn benen. Met een schreeuw viel hij tegen de man naast hem en beiden gingen neer. De derde, een slanke vlaskop met lichtblauwe ogen, schoot er met uitgestoken dolk langs.
803 Dyelin stak hakkend en stekend met haar eigen dolk in het rond, maar hij bewoog als een fret en ontweek haar met gemak. Zijn eigen lange dolk flitste en Dyelin struikelde met een gil achteruit, terwijl een hand haar maag greep. Hij danste lichtvoetig naar voren en stak opnieuw toe.
804 Zij gilde en viel als een lappenpop op de vloer. Hij stapte over haar heen en kwam op Elayne af. Alleen de man en de dolk in zijn hand bestonden nog voor haar. Hij snelde niet op haar af. Zijn grote blauwe ogen namen haar behoedzaam op, terwijl hij langzaam naar voren stapte.
805 Natuurlijk. Hij wist dat ze Aes Sedai was. Hij vroeg zich nu natuurlijk af of het gif zijn werk had gedaan. Ze probeerde rechtop te staan, hem woest aan te kijken, enkele ogenblikken met bluf te winnen, maar hij knikte in zichzelf en hief de dolk. Als ze iets had gekund, had ze het allang gedaan.
806 Op zijn gezicht lag geen vermaak. Het was een man die een klus had te doen. Opeens bleef hij staan en keek stomverbaasd omlaag. Net als Elayne. Naar een stuk staal dat uit zijn borst stak. Bloed borrelde op uit zijn mond toen hij voorover tegen de tafel viel, waardoor die wegschoof.
807 Stomverbaasd staarde ze naar de man die op het tapijt lag te bloeden. Uit zijn rug stak een zwaard. Haar dwalende gedachten leken van lood. Die tapijten zouden met al dat bloed nooit meer schoon te krijgen zijn. Langzaam keek ze op, langs het roerloze lichaam van Dyelin.
808 Ze leek niet te ademen. Naar de deur. De open deur. Daar lag een andere moordenaar. Zijn hoofd stond in een vreemde hoek en zat nog maar half aan zijn nek vast. De derde moordenaar vocht met een man in het rood. Grommend rolden ze over de vloer terwijl beiden om de dolk vochten.
809 Haar gezicht was koud, haar lichaam heet en klam. Iets hield haar armen en benen vast. Ze voelde kort paniek. Toen besefte ze dat Aviendha in de kamer was, evenals Birgitte, die als een vuist van beheerste kalme boosheid in haar hoofd aanwezig was. Hun aanwezigheid kalmeerde haar.
810 De dikke wintergordijnen waren aan de bedstijlen gebonden en het enige licht kwam van kleine flakkerende vlammetjes in de haard, net voldoende om de schaduwen te laten bewegen, niet om ze te verdrijven. Onwillekeurig reikte ze naar de Bron en vond die. Raakte saidar aan.
811 Het verlangen zeer veel saidar te putten drong zich sterk op, maar ze trok zich met tegenzin terug. Met grote tegenzin en niet alleen omdat ze ernaar verlangde om vervuld te worden met het rijke gevoel van saidar, want het was een bodemloze behoefte die beheerst diende te worden.
812 Ze wist niet welke kruiden Nynaeve haar gegeven had, maar ze voelde zich niet zwakker dan na de dolkwortel. Ze meende best te kunnen lopen, zolang ze maar niet lang hoefde te staan en ver te lopen. En haar hoofd was helder. De vensterluiken lieten streepjes maanlicht door.
813 Ze omhelsde de Bron weer en geleidde vier stroompjes Vuur om een staande lamp aan te steken, vervolgens een tweede. De kleine vlammen maakten het vertrek ineens veel lichter, waardoor Birgitte even een hand voor haar ogen hield. De jas van kapitein generaal stond haar goed.
814 Het leek er verdacht veel op dat ze haar plezier verborg. Haar gezicht stond veel te nietszeggend. Birgitte werd door Aviendha altijd met gepaste voorzichtigheid opgenomen. Nadat zij en Elayne elkaar als eerstezusters hadden aangenomen, had Birgitte haar ook geadopteerd.
815 Niet als zwaardhand natuurlijk, maar ze gedroeg zich als een oudere zus tegen haar, net zoals ze vaak tegen Elayne deed. Aviendha wist niet goed wat ze daar mee aan moest. En het feit dat ze nu als een van de weinigen wist wie Birgitte eigenlijk was, had niet erg geholpen.
816 Nu is hij Jager op de Hoorn en omdat hij redelijk bekwaam is, is hij luitenant geworden. Hij is een Andoraan, ergens uit het westen, in de buurt van Baerlon. Hij beweert tijdens de Opvolgingsoorlog voor je moeder te hebben gevochten, maar hij moet toen nog een jongen zijn geweest.
817 Een man met zoveel bekwaamheden als soldaat dat Birgitte hem luitenant had gemaakt. Ze probeerde de leidinggevende gardisten zoveel mogelijk uit Andor te laten komen. Een tijdige redding, één man tegen drie, en een zwaard dat als een speer door de kamer werd gegooid, net als in een speelmanverhaal.
818 Als Elayne haar niet beter had gekend, zou ze hebben gezworen dat de Birgitte aan het pruilen was. Ze had graag willen weten hoe Nynaeve dat had klaargespeeld. In de tijd van het beestenspul had Nynaeve net zoveel ontzag voor Birgitte gekoesterd als Aviendha nu had. Maar dat was veranderd.
819 Volledig. Nu koeioneerde Nynaeve Birgitte evenveel als ieder ander. En het lukte bij haar ook beter dan bij anderen. Ze is een vrouw als ieder ander, had Nynaeve ooit gezegd. Dat heeft ze me zelf gezegd en ik besefte dat ze gelijk had. Alsof dat ook maar iets verklaarde.
820 Nou ja, een zwaardhand deed dat soort dingen ook, maar normaal gesproken maakte Birgitte er altijd een opmerking bij. Hoewel haar terugkomst wellicht die opmerking uitdrukte. Ze bood de beurs met een zwierige buiging aan en rond haar lippen speelde iets wat voor Nynaeve en Aviendha was bedoeld.
821 Leidde hij haar met zijn ervaring. Ze moest soms nog wel wat doen aan haar temperament, maar ook dat leek steeds beter te gaan na haar merkwaardige huwelijk op de boot. Het eerste slokje wijn smaakte gewoon naar wijn, een heel goede wijn, maar Elayne keek fronsend naar de beker en aarzelde.
822 Tot ze besefte wat ze deed en waarom ze dat deed. De herinnering aan de dolkwortel in haar thee was nog heel vers. Wat had Nynaeve erin gedaan? Geen dolkwortel natuurlijk, maar wat wel? Ze tilde de beker op voor nog een slok, maar hij leek erg zwaar. Uitdagend dronk ze de wijn in één teug op.
823 Koninklijke gezanten werden hier ontvangen en belangrijke verdragen en oorlogsverklaringen werden hier bekendgemaakt aan de verzamelde hoogwaardigheidsbekleders en de lange zaal paste bij de naam en het gebruik. Zonder andere mensen leek het een grote holklinkende grot.
824 Vanaf de roodwitte vloerplavuizen liep een rode loper over de witte treden omhoog. De troon was gemaakt voor een vrouw, maar nog steeds heel groot op zijn zware poten als Ieeuwenklauwen. De rugleuning vertoonde hoog aan de bovenkant de Witte Leeuw in maanstenen tegen een achtergrond van robijnen.
825 Een hand rustte licht op de leeuwenkop van de armleuning en ze wierp een koninklijke blik door de zaal. Haar ogen vielen op Elayne. Ze herkende de erfdochter en raakte in de war. Kroon, vuurdruppels en zijde verdwenen en werden vervangen door eenvoudige wol en een lang schort.
826 In haar oren droeg ze smaragden en in haar roodgouden krullen waren kleinere edelstenen geweven. Ze lier de edelstenen in het haar verdwijnen en knikte. Dir was passend voor de erfdochter en niet al te pronkerig. Je moest hier voorzichtig zijn met je gedachten over jezelf, anders.
827 Haar bescheiden groenzijden gewaad veranderde in de strakke op het lichaam klevende kledij van Tarabon. Met haar donkere wijde broek, blote voeten, gouden oorringen, een neusring, een kettinkje vol muntjes en donkere tatoeages op beide handen leek ze het volgende moment wel iemand van het Zeevolk.
828 Ze droeg een nagemaakte stenen ring op haar huid en leek nevelig, bijna doorzichtig. Fronsend trachtte ze naar Elayne te stappen en struikelde. Ze viel bijna vanwege het strakke donkerblauwe Taraboonse gewaad, dat nog veel strakker zat dan wat Elayne zich zojuist had ingebeeld.
829 Ik bedoel over wat er vandaag is gebeurd. Jij verliest jezelf altijd in geklets of jullie samen je haren zitten te borstelen voor het slapen. Licht, ik wil niet dat ze als Amyrlin voor me staat en je weet dat ze het naadje van de kous zal willen weten als ze ervan hoort.
830 Voor de goede orde voegde ze er het nieuws van Elenia en Naean aan toe en de speurtocht van de huisvrouwe naar verspieders in het paleis. Ze vertelde zelfs dat Zareya en Kirstian nu onder de hoede van Vandene stonden en over de aanval in Cairhien op Rhand en zijn verdwijning.
831 Egwene leek niet onder de indruk van de opsomming. Ze onderbrak Elayne zelfs toen ze het over Rhand had, omdat ze het al had gehoord. Ze schudde wel afkeurend haar hoofd toen ze hoorde dat Vandene nog steeds niet wist wie de Zwarte zuster was, want dat vond zij haar grootste zorg.
832 Ze was hier veel handiger in dan Elayne of Nynaeve. Ze droeg geen zijde maar donkergroene wollen rijkleding, mooi en goed gesneden, zonder opsmuk. Waarschijnlijk hetzelfde wat ze overdag had gedragen. En het bleef groenwollen rijkleding. ik had jullie willen opdragen morgen.
833 De laatste klacht is dat we maar zestien Aanvaarden hebben, hoewel de meeste zusters Faolain en Theodrin ook behandelen alsof ze nog Aanvaarden zijn. Die achttien zijn echter nauwelijks voldoende om de Novices die lessen te geven die gewoonlijk door Aanvaarden worden gegeven.
834 De mouwen van haar gewaad liepen wijd uit en de lage halslijn was afgewerkt met geborduurde bloemen en pareltjes. Haar haren reikten tot haar middel en werden bijeengehouden door een kapje van heel dun gouddraad met maanstenen en saffieren. Aan haar linkerwijsvinger zat een dikke gouden ring.
835 Meer ontspannen, maar nog steeds niet bereid naar tegenwerpingen te luisteren, ik reken erop dat elke vrouw die in de Noviceboeken staat, doet waartoe zij in staat is, dat zij de stola verwerft en dient als Aes Sedai als dat tot haar mogelijkheden behoort, maar ik wil niet dat iemand erdoor sterft.
836 Elayne draaide zich om. Daar stond een man te kijken. Een man die even lang was als een Aiel, met witte lokken in zijn donkerrode haar, maar zijn blauwe jas met hoge kraag zou nooit door een Aiel worden gedragen. Hij leek heel gespierd en zijn harde gezicht kwam haar bekend voor.
837 Ze sprong overeind en rende hem na, maar hoe snel ze ook was, Egwene was nog sneller. Het ene ogenblik was Egwene nog achter haar, het volgende stond ze in de deuropening te kijken in de richting waarin de man was weggerend. Elayne probeerde zichzelf naast Egwene te denken en dat gebeurde.
838 Ze gaf het nieuws van Dyelin door over de Grenslanders in Breemwoud. Ze voegde eraan toe wat ze van Meester Norrij gehoord had, terwijl ze voortdurend alle kanten probeerde op te kijken. Ze wilde niet opnieuw half slapend worden afgeluisterd, ik denk dat die vorsten in Breemwoud zitten.
839 De flakkerende lampen gaven voor dit soort werk te weinig licht, maar dat was niet de reden waarom haar vogels scheef leken te staan. Ze wilde naar bed en had een hekel aan borduurwerk. Ze moest echter wakker blijven en dit was de enige manier om te voorkomen dat ze met Chesmal Emry moest praten.
840 Tenminste wat Chesmal een gesprek noemde. De zelfvoldane, opschepperige Gele was aan de andere kant van de kamer heel aandachtig bezig met haar eigen borduurwerk en ze nam aan dat iedereen met een naald in de handen net als zijzelf een vlijtige belangstelling had voor het werk.
841 In de maanden na Moghediens verdwijning had ze al twintig keer gehoord van Chesmals aandeel in de ondervraging van Tamra Ospenya op de pijnbank en ook hoe Chesmal de Roden had aangespoord Sierin Vayu te vermoorden voor Sierin kon bevelen haar gevangen te zetten. Misschien wel vijftig keer.
842 Als je Chesmal geloofde, had ze eigenhandig de Zwarte Ajah gered en iedereen moest dat horen. Dat soort geklets was niet alleen saai, maar ook gevaarlijk. Zelfs dodelijk als de Hoogste Raad ervan hoorde. Weer onderdrukte Asne een geeuw en keek met samengeknepen ogen naar haar werkstuk.
843 Het was Eldrith Jhondar, de handschoenen in een hand en haar donkere mantel nog achter op de rug. Het gewaad van de plompe Bruine zuster was eveneens donker en zonder opsmuk. Asne had een hekel aan die simpele wollen stof, maar ze mochten geen aandacht trekken. Die grauwe kleren pasten bij Eldrith.
844 Ze fronste alsof ze nu pas besefte dat ze die had gedragen. Zorgvuldig maakte ze de zilveren gesp in haar hals los en ze gooide haar mantel in een slordige hoop over een stoel. De saidargloed rond Chesmal verdween toen ze haar borduurraam opzij schoof, zodat ze op kon staan.
845 Haar lip krulde verachtelijk bij de herinnering. De aankomst van Eldriths Kennit had hen echter doen besluiten te vertrekken. Hij wist zeker dat ze een moordenares was, half overtuigd ook dat ze bij de zwarte Ajah hoorde en vastbesloten haar te doden zonder op de gevolgen voor zichzelf te letten.
846 Wellicht was het de hoogste tijd voor Eldrith om een ongeluk te krijgen. De deur ging open en Temaile Kinderode schoof zo stil de kamer binnen dat ze allemaal door haar verrast werden. De kleine voormalige Witte zuster met het vossengezicht droeg een mantel met geborduurde leeuwen op de schouders.
847 Omdat de mantel openhing, was haar roomkleurige zijden nachtpon zichtbaar, die onfatsoenlijk aan haar huid plakte. Aan haar vingers bungelde een armband gemaakt van gekronkelde glazen ringen. Ze leken op glas, voelden aan als glas, maar een hamer kon ze niet in scherven slaan.
848 Chesmal probeerde Temaile heel onopvallend in het oog te houden, waarbij ze onbewust zenuwachtig haar lippen bevochtigde. Asne deed snel haar mond dicht en hoopte dat niemand had gemerkt dat ook zij zenuwachtig haar lippen had bevochtigd. Eldrith had het zeker niet opgemerkt.
849 Chesmal beantwoordde Eldriths blik verontwaardigd, terwijl Asne onschuld toonde. Ze hadden het geweten, maar wie wilde Temaile iets in de weg leggen? En ze betwijfelde ten zeerste of Eldrith meer dan een oppervlakkig bezwaar had laten horen als zij ervan op de hoogte was geweest.
850 Ze had bij Eldriths vermaning, al was die nog zo slap, het hoofd moeten buigen en zich moeten verontschuldigen dat zij haar wens had getrotseerd. In plaats daarvan glimlachte ze. Die lach bereikte echter nimmer haar ogen, die groot en donker waren en veel te veel glansden.
851 Dat zou echter niet gebeuren als ze een Uitverkorene als beschermvrouwe hadden. Als Moghedien zo verschrikkelijk graag Nynaeve in handen wilde krijgen, dan gold dat wellicht ook voor de andere Uitverkorenen. Het echte probleem was er een te vinden om dat geschenk aan te nemen.
852 Sinds Samara versluierde ze die binding niet meer. Alleen Powl was een Duistervriend, maar de andere drie zouden doen wat ze zei en geloven wat ze vertelde. Het was noodzakelijk hen voor de anderen verborgen te houden, maar ze wilde enkele gewapende mannen bij de hand hebben.
853 Het vroege ochtendlicht achter de vensters van de zitkamer was grijs en het was vroeger dan vrouwe Shiaine meestal opstond, maar vanmorgen had ze zich al in het donker aangekleed. Tegenwoordig dacht ze aan zichzelf als Shiaine. Mili Skane, de dochter van de zadelmaker, was bijna geheel vergeten.
854 Marillin was een magere vrouw met dof lichtbruin haar. De Bruine zuster leek niet op een Aes Sedai. Haar smalle gezicht en brede neus zouden beter bij Falions livrei hebben gepast dan bij haar mooie blauwe wol, die eigenlijk alleen gepast was voor een middelmatig geslaagde koopvrouw.
855 Was de vrouw bang dat het met haar ook zo zou aflopen? Om de waarheid te zeggen, zou Shiaine Falion binnen de kortste keren inruilen voor een echte kamenierster als het kon. Nou ja, zolang ze al die andere dingen er ook bij deed. Er was een grote kans dat beide vrouwen hierna moesten sterven.
856 De deur ging open en Murellin keek vragend naar binnen. Zijn gespierde lijf vulde de deuropening bijna helemaal. Achter hem kon ze nog iemand zien staan. Ze knikte en Murellin stapte opzij en gebaarde dat Daved Hanlon naar binnen moest gaan, waarna hij de deur achter hem sloot.
857 De inspanning om de weving vast te houden en om saidin te bevechten deed hem wankelen. Hij wilde kokhalzen, zich vooroverbuigen en braken. Het kostte hem moeite om zich overeind te houden. Hoog in de muur lieten spleten tussen de luiken van een paar kleine vensters wat licht naar binnen vallen.
858 Het was net genoeg om, met de Ene Kracht in hem, iets te zien. De kamer was vol meubels en grote, met lappen afgedekte vormen; daartussen stonden enorme manden die gewoonlijk gebruikt werden voor aardewerk. Er waren kisten in alle soorten en maten, dozen, kratten en snuisterijen.
859 Misschien had een koningin van Andor een eeuw of twee geleden aan deze tafel gegeten. Een eeuw of twee, lachte Lews Therin in zijn hoofd. Een heel lange tijd. In Lichtsnaam, laat het gaan! Dit is de Doemkrocht! De stem stierf weg toen de man naar een uithoek in Rhands geest vluchtte.
860 Dit keer had hij zijn eigen reden om naar Lews Therins geklaag te luisteren. Haastig gehaarde hij Min om hem te volgen van de open plek in het bos aan de andere kant van de poort. Zodra ze binnen was, liet hij saidin los, waardoor de poort zich in een snelle lichtbundel van boven naar beneden sloot.
861 Gelukkig verdween de misselijkheid meteen. Hij was nog wat draaierig, maar hij had niet meer het gevoel alsof hij moest braken of moest omvallen. Het smerige gevoel bleef echter wel, de smet van de Duistere, die in hem vloeide door de wevingen die hij om zich heen had geweven.
862 Haar helderblauwe handschoenen met geel borduurwerk staken in de riem en ze droeg een mantel die met gele krullen was afgezet en die dichtgehouden werd door een gouden speld in de vorm van een roos. Ze zag eruit of ze op een gewonere manier was aangekomen, maar ze zou alle aandacht trekken.
863 Dat was ze ook. Hij kon niet naar haar kijken zonder dat te denken. Of spijt te hebben van zijn zwakte, waardoor hij haar niet naar een veilige plek stuurde. Ze haalde diep adem en niesde voor ze de hand voor haar mond kon slaan, en keek hem toen nijdig aan alsof het zijn schuld was.
864 Ik heb mijn haar voor jou in de krullen gezet. Ik heb mijn léven voor je opgegeven. Mijn jasje en broek geef ik niét op. Bovendien heeft niemand hier me ooit langer in een rok gezien dan de tijd die het me kostte om hem weer uit te trekken. Je weet dat dit niet werkt, tenzij ik herkend word.
865 Licht! Wat Min ook zei, hij kon gewoon niet geloven dat Elayne en Aviendha hem allebei liefhadden. Of dat deze wetenschap Min niet deerde. Vrouwen waren zó vreemd. Elayne en Aviendha hadden een reden om hem te haten, niet om hem lief te hebben, en Elayne had dat tenminste nog duidelijk gemaakt.
866 Rhand zuchtte. Dit was te belangrijk voor haar spelletjes, maar als hij het toeliet, zou ze dat blijven doen. Maar zo zag zij het niet. Soms verschilde haar idee van wat belangrijk was aanzienlijk van het zijne. Zeer aanzienlijk. Hij zou haar goed in de gaten moeten houden.
867 Nynaeve Sedai? Waarom zouden de anderen – de echte Aes Sedai – haar nog steeds dat spelletje laten spelen? En was Mart er niet? En hier kennelijk ook nog nooit geweest. In zijn hoofd tolden kleuren, bijna een beeld dat hij kon zien. Het verdween in een hartslag, maar hij wankelde.
868 Ze kon alles bederven! Je plannen falen omdat je wilt leven, dwaas. Lews Therins stem was een ruwe fluistering. Aanvaard dat je dood bent. Aanvaard het, gek, en stop met me te martelen! Rhand onderdrukte de stem tot een gedempt gezoem, een gonzende bijter in de duisternis van zijn geest.
869 Hij was het niet gewend om achter iemand aan te lopen en het verbeterde zijn stemming niet bepaald. Hij was nog steeds een beetje duizelig en de smerigheid van de smet was nog voelbaar. Hij leek de laatste tijd steeds vaker een slechte bui te hebben, tenzij Min bij hem was.
870 Ze deden hem glimlachen, een zuinige en tevreden glimlach. Geen van hen had een leeftijdloos gezicht, en een heel stel had zelfs rimpels en kraaienpoten, die bij een Aes Sedai nimmer te zien zouden zijn. Het vreemde was dat hij soms wel kippenvel kreeg als er een vlakbij kwam.
871 Hij had aangenomen dat het gerucht over honderden Aes Sedai die met een leger naar Caemlin optrokken, betekende dat er ook zoveel zusters bereid waren de Herrezen Draak te volgen. In plaats daarvan was zelfs zijn oorspronkelijke hoop op een stuk of tien zusters wel heel optimistisch geweest.
872 Een stevig vuur was erin geslaagd de kou uit de lucht te verdrijven. Of misschien was het de poging die haar verwarmd had, bedacht Nynaeve zuur. Aan de kostbare klok op de bewerkte schoorsteenmantel te zien, duurde deze les al een uur. Een uur geleiden zonder rust maakte iedereen warm.
873 Het was een eenvoudige afleiding, maar het meisje hijgde verrast en heel even verminderde haar omhelzing van de Bron, heel even flikkerde de Ene Kracht in haar. Tegelijk duwde Nynaeve niet langer tegen de stroom van de ander, maar richtte met een ruk haar eigen stroom op haar oorspronkelijke doel.
874 Op hetzelfde ogenblik verdween de gloed van saidar en drukten haar laatste twee stromen Lucht Talaans armen tegen haar zijde en haar knieën in de wijde, donkere broek tegen elkaar. Heel netjes, al zeg ik het zelf, dacht Nynaeve. Het meisje was heel lenig en erg goed met haar wevingen.
875 Bovendien was het op zijn best gewaagd, en op zijn slechtst zinloos, om iemand af te schermen die de Ene Kracht vasthield, tenzij je véél sterker was dan de ander. Maar hoewel Talaan haar evenaarde, maakte dat geen verschil. Het hielp om een tevreden glimlach te voorkomen.
876 Het leek zo kort geleden dat de zusters geschrokken waren van haar kracht en geloofden dat slechts enkele Verzakers meer kracht hadden. Talaan was nog niet vertraagd; ze was weinig meer dan een kind. Vijftien? Jonger misschien! Het Licht mocht weten wat haar vermogen was.
877 Ze had er geen belang bij om te weten of dit meisje van het Zeevolk sterker dan haar zou worden. Helemaal niet. Talaan schuifelde met haar blote voeten op het groene tapijt en deed een vergeefse poging om het schild te breken, dat Nynaeve gemakkelijk op zijn plaats hield.
878 Alle stoelen in de kamer waren tegen de muur gezet, hoewel er eigenlijk geen open ruimte nodig was. Zaide keek toe bij de lessen, in het gezelschap van zes windvindsters. Ze was gekleed in een overdaad van fel gekleurd linnen en rode, gele en blauwe zijde die met gouddraad doorweven was.
879 Ze was een slanke, koele en terughoudende vrouw die bijna even lang was als Aviendha en boven Zaide uittorende. Dat was de juiste plek, voor zover Nynaeve wist, maar aan Zaides linkerzijde zat Senine, die dienst deed op een scheerder, een van de kleinere schepen van het Zeevolk.
880 Dit verwees Caire en Tebreille naar de buitenste stoelen, terwijl zij windvindsters van golfvrouwes waren. Ze droegen in elk oor vier massieve oorringen en bijna evenveel muntjes als Zaide zelf. Misschien was het alleen maar om de twee hooghartig kijkende zusters uit elkaar te houden.
881 Een vrouw kon van die pogingen gek worden. Nynaeve bromde wat, rukte haar stola recht en bereidde haar stromen voor. De zuivere vreugde van het vasthouden van saidar kon nauwelijks op tegen haar ergernis. Probeer het nog eens, Nynaeve. Nog één keer, Nynaeve. Doe het nu, Nynaeve.
882 Al te vaak dingen die ze nauwelijks kende, moest ze met tegenzin toegeven; ze had niet echt veel oefening in de Toren gehad. Als ze een keertje onhandig deed, had Renaile er buitengewoon veel plezier in om haar te laten zweten. Dat deden de anderen ook, maar zonder dat plezier.
883 Ineens schoten zes wevingen van Lucht op Nynaeve af, die ze snel met Vuur doorsneed. De afgesneden stromen schoten terug naar Talaan en bezorgden haar een zichtbare schok. Maar voor de stromen goed en wel verdwenen waren, schoten er zes nieuwe op Nynaeve af, sneller dan eerst.
884 En Nynaeve sneed weer. En merkte verbijsterd dat Talaans weving van Geest om haar heen flikkerde, zich om haar heen wikkelde en haar van de Bron afsneed. Ze was afgeschermd! Talaan had haar afgeschermd! Als laatste vernedering grepen stromen Lucht haar armen en benen stijf vast en kreukten haar rok.
885 Geërgerd schudde ze aan haar stola en liet die in de kromming van haar ellebogen glijden. Ze hoefde het meisje niet te zeggen dat ze geluk had gehad. Ze was snel, zeker, maar Nynaeve wist niet of ze zelf nog veel langer in staat was te geleiden. Ze was op dit moment zeker niet op haar best.
886 Zaide legde nooit iets uit en verontschuldigde zich nergens voor. Ze verwachtte gehoorzaamheid. Nynaeve overwoog haar te zeggen dat ze helemaal niets kon zien van wat ze aan het doen waren, maar ze verwierp de gedachte onmiddellijk. Niet met zes windvindsters in de kamer.
887 Twee dagen geleden had ze haar mening vrijelijk geuit en de gevolgen daarvan wilde ze niet nog eens ondervinden. Ze had geprobeerd het te zien als een boetedoening voor het spreken zonder nadenken, maar dat hielp niet veel. Ze wenste dat ze hun nooit geleerd had om te koppelen.
888 Dacht ze dat Nynaeve deze keer niet zou worden afgeleid door onnodige stromen Lucht? Talaans weving begon zich om haar heen te krullen en snel spon ze haar eigen weving om dat van Talaan op te vangen. Ze zou voorbereid zijn wanneer Talaan stromen Lucht zou maken. Of misschien geen Lucht deze keer.
889 Niet iets gevaarlijks, toch. Dit was een oefening. Maar Talaans stroom Geest maakte de krul niet af en Nynaeve haalde breed uit, terwijl Talaans stroom recht op haar afsprong en haar vasthield. Opnieuw verdween saidar en drukten stromen Lucht haar armen tegen haar zij en snoerden haar knieën vast.
890 Gehoorzaam hield Talaan het schild en de stromen rond Nynaeve vast, zodat die als een standbeeld moest blijven staan – stomend als een ketel die te lang op het vuur staat. Ze weigerde om rond te schuifelen als een gebroken speelpop, en dat was behalve stilstaan alles wat ze kon.
891 Het is bekend hoe Aes Sedai de waarheid als een draaikolk rond laten wentelen. Windvindsters, vorm een cirkel. Kurin, jij leidt. Als ze uitbreekt, zorg je ervoor dat ze geen kwaad doet. Als aanmoediging... leerling, bereid je voor om haar ondersteboven te draaien als ik tot vijf heb geteld.
892 Ze duwrde harder tegen het schild, en toen zo hard als ze kon. Ze had net zo goed haar hoofd tegen een rotsblok kunnen slaan. Wild en volkomen ondoordacht vocht ze tegen de stromen Lucht die haar vasthielden. De franje en losse plooien van haar stola dansten om haar heen.
893 Ze kon de Bron erachter voelen, bijna zien, zoals warmte en licht vanuit een ooghoek. Wanhopig en hijgend tastte ze het gladde oppervlak af. Er zat een rand aan, bijna als een cirkel, maar toen ze probeerde om de rand heen te glippen merkte ze dat ze weer in het midden van die gladde cirkel was.
894 Ze had dit allemaal al lang geleden geleerd en al lang geleden geprobeerd. Haar hart bonsde en leek uit haar ribbenkast te willen springen. Ze vocht tevergeefs om haar kalmte te bewaren en probeerde weer de rand te vinden, zonder te proberen aan de andere kant van de cirkel te komen.
895 Er was één enkele plek waar het... zachter aanvoelde. Dat had ze nooit eerder opgemerkt. Dit zachte punt, een kleine bobbel, leek in niets van het overige schild te verschillen en was niet erg veel zachter, maar ze gooide zichzelf er tegenaan. En merkte dat ze weer terug was in het midden.
896 Opnieuw. O Licht! Alsjeblieft! Ze moest! Voordat...! Ineens besefte ze dat Zaide nog steeds geen vijf had gezegd. Ze hijgde alsof ze tien span had gehold en staarde in het niets. Het zweet rolde over haar gezicht en rug. Het droop tussen haar borsten en gleed over haar buik naar beneden.
897 Haar benen trilden. De golfvrouwe keek haar recht aan en tikte nadenkend met een slanke vinger tegen haar volle lippen. De gloed hing nog steeds om de cirkel van zes en Kurin had nog steeds een afwijzend standbeeld kunnen zijn, maar Zaide had nog steeds geen vijf gezegd.
898 Tot ze de kamer had verlaten, was ze nog steeds de lerares. Het Zeevolk was onverbiddelijk in hun regels. Nynaeve nam aan dat slappe regels op schepen tot moeilijkheden konden leiden, maar ze had liever gehad dat het Zeevolk zich er bewust van was dat het nu niet op een schip was.
899 Erger nog, hun regels aangaande leraren onder de landrotten waren heel duidelijk. Ze nam aan dat ze gewoon elke medewerking had kunnen weigeren, maar als ze hun overeenkomst maar een haarbreedte zou schenden, zouden deze vrouwen het van Tyr tot aan het Licht mocht weten waar laten weten.
900 En de zusters zouden geen dikke buidels met goud krijgen om andere leraren aan boord te nemen. Zaide en de windvindsters reageerden alsof de scheepsjongen haar vertrek had aangekondigd. Ze stonden gewoon in een stille groep te wachten tot ze weg was, en niet bepaald geduldig.
901 Als alles gezegd en gedaan was, was ze weer een windvindster. Talaan stond nog steeds nederig waar ze was achtergelaten, een meisje dat naar het tapijt onder haar blote voeten staarde. Met opgeheven hoofd en rechte rug verliet Nynaeve de kamer met alle waardigheid die ze nog kon opbrengen.
902 En schrok op toen ze zag wie haar in de gang opwachtte. Op het eerste gezicht leek Alivia, in eenvoudige blauwe kleding die ze van een lid van de Kinne had gekregen, een gewone vrouw. Ze was wat langer dan Nynaeve, met fijne rimpeltjes in haar ooghoeken en witte strepen in haar goudgele haar.
903 Ze wenste dat ze meer als de andere zusters kon zijn, die zonder nadenken de kracht van andere geleidsters kenden, maar dat was ook iets dat ze nooit had kunnen leren. Misschien konden sommige Verzakers Alivia overtroeven, maar beslist niemand anders. En ze was een Seanchaanse.
904 Het zou niet erg leuk zijn als het Zeevolk naar buiten kwam en bedacht dat ze aan het afluisteren was, maar ze haastte zich beslist niet. Ze wilde alleen maar stevig doorstappen. Dat was alles. De vrouwen van het Zeevolk waren niet echt degenen in het paleis die ze wilde vermijden.
905 Ze wilden haar niet echt de les lezen over hoe ze de waardigheid van de Witte Toren behoorde te bewaren. Zover waren ze nog niet gegaan, maar ze schenen er wel steeds dichterbij te komen. De hele maaltijd zou een en al puntige vragen opleveren en nog puntiger opmerkingen.
906 Maar geen enkele opdracht om ermee op te houden. Ze betwijfelde of ze dat zouden doen zonder dat er een rechtstreeks bevel werd gegeven. En ze waren heel goed in staat om haar op te zoeken als ze niet kwam. Hun zeggen dat ze wat meer pit moesten tonen, was een verschrikkelijke fout gebleken.
907 O, ik zie het al. Onder elkaar zijn we heel aanhankelijk hoor, maar in het openbaar moet ze alles vermijden waaruit voorkeur blijkt. Dat is een ernstige misdaad bij ons. Het zou moeder haar rang kunnen kosten en we zouden béiden ondersteboven aan de ra worden opgehesen om gegeseld te worden.
908 Het voelde heerlijk om op zijn kracht te steunen, al was het maar even, terwijl hij haar haren zacht streelde. Zelfs als ze daarvoor zijn gevest uit haar ribben moest schuiven. En wie grote ogen opzette bij dit openlijke vertoon van aanhankelijkheid, mocht zichzelf ophangen.
909 Ook al zou ze regen Zaide en de anderen zeggen dat ze geen plannen had om Talaan ook maar ergens mee naartoe te nemen, ze zouden haar villen. Deze keer zou ze dat niet voor Lan kunnen verbergen, als ze dat de eerste keer al had gekund. Reanne en de anderen zouden ervan horen.
910 En Alise! Ze zouden haar net als Merilille gaan behandelen. Haar opdrachten negeren, haar evenveel eerbied betonen als de windvindsters Talaan. Ze zou worden opgezadeld met het bewaken van Alivia. Het zou rampzalig worden en de allergrootste vernedering zou haar ten deel vallen.
911 Het was niet echt een grap geweest. Een echtgenoot betekende dat ze geen bed met een andere vrouw hoefde te delen, of zelfs twee, en het leverde haar een zitkamer op. Het was niet groot, maar het leek altijd gezellig te zijn, met een goed haardvuur en een kleine tafel met vier stoelen.
912 Het was beslist genoeg voor haar en Lan. Haar hoop op enige afzondering verdween echter zodra ze de zitkamer binnenkwam. Midden op het gebloemde tapijt wachtte de huisvrouwe haar op, zo statig als een koningin, zo keurig alsof ze zich net had aangekleed, en in een heel boze bui.
913 Hoe hij soms haar gedachten kon lezen terwijl een ander zijn binding hield, was haar niet duidelijk. Maar ze was er blij mee. Ze was erin geslaagd om in de Ene Kracht althans gelijkwaardig te zijn aan Talaan, maar ze betwijfelde of ze nu met de Ene Kracht een stoel omver kon gooien, ik heb geen.
914 Het was moeilijk om iets anders te zien dan die vreselijke wrat, maar ze had de man zeer zeker nog nooit eerder gezien. Zaken van de vrouwenkring. Geen man mocht daar iets van opvangen. Het was geheim. Maar ze bleef saidar vasthouden, ik weet... het weer. Dank u, vrouwe Harfor.
915 Ze snoof. Roddel en achterklap, daarover gingen negen van de tien mannenpraatjes. Vermoeid liet ze saidar los. Met tegenzin. Ze hoefde zich zeker niet tegen Rhand te beschermen, maar ze zou het nog een beetje langer hebben willen vasthouden, het gewoon willen aanraken, vermoeid of niet.
916 Het kostte wat moeite, maar ze omhelsde saidar en stak beide handen uit. Ze hield zijn hoofd in haar handen en weefde moeizaam een Delving. Ze had geprobeerd om een betere manier te vinden om achter iemands kwaal te komen, maar tot op heden was dat niet gelukt. Het was genoeg.
917 De weving gleed om hem heen en haar adem stokte. Ze had op Falme van de wond in zijn zijde gehoord, een wond als een puist van kwaad in zijn vlees, die nooit helemaal genas en alle bestaande Heling weerstond. Nu had hij een andere half geheelde wond, boven de oude, en ook deze klopte van het kwaad.
918 Een ander soort kwaad, een spiegel van het kwaad in de eerste wond, maar even kwaadaardig. En ze kon geen van beide met de Ene Kracht aanraken. Ze wilde het ook niet echt, de gedachte eraan liet haar huid kriebelen, maar ze probeerde her toch. En iets onzichtbaars hield haar tegen.
919 Als een ban. Een ban die ze niet kon zien. Een ban van saidin? Ze hield op met geleiden en deed een stapje terug. Ze hield de Bron vast; hoe vermoeid ze ook was, ze zou zichzelf moeten dwingen om die los te laten. Geen zuster kon zonder iets van angst aan de mannelijke helft van de Kracht denken.
920 Ze was erg blij dat Lan er was, hoe moeilijk het ook was om dat toe te geven. Plotseling besefte ze dat hij zich totaal niet ontspannen had. Hij mocht dan als een oude bekerde met Rhand babbelen, hij vond Rhand gevaarlijk. En Rhand keek naar Lan alsof hij dat wist, en het aanvaardde.
921 Ze wist niet of hij het over zijn wonden had of over Mart. Uit de tas haalde hij twee beelden, elk een voet hoog. Het ene beeld was een wijs uitziende man met een baard, het andere een wijze en kalme vrouw. Beide figuren waren gekleed in wapperende gewaden en hielden een kristallen bol omhoog.
922 Ze vond dat Rhand dit wel heel openbaar maakte en soms maakte dat verschuiven van openlijk naar besloten haar duizelig, maar het kon haar niet schelen dat Lan voor zijn beurt had gesproken. Dat was slecht van hem, maar ze hield van een uitgesproken man. Ze moest nadenken.
923 Eigenlijk wilde ze zo hard mogelijk rennen, hoewel haar donkerblauwe rok haar waarschijnlijk wel zou laten struikelen. Ze kon bijna voelen hoe zijn uitpuilende ogen haar en haar gezellinnen volgden. Niet meer dan een kleine ergernis, die zou overgaan; een zandkorrel in haar muiltje.
924 Je kon er beslist vrijer in rondlopen dan in een rok. Maar niet met laarzen met hakken, bedacht ze. Daardoor was Min bijna even lang als Aviendha, maar zelfs Birgitte zwikte op zulke laarzen. Mins strakke broek en haar jasje dat maar net tot de heupen reikte, zagen er beslist gewaagd uit.
925 Wat moest ze met hen aan? Ze móésten elkaar aardig vinden. Dat móést gewoon. Maar de twee vrouwen hadden elkaar na hun eerste ontmoeting aangekeken als een stel vreemde katten in een kleine kamer. Zeker, ze hadden overal mee ingestemd, maar dat was gewoon omdat niemand een andere keus had.
926 Achteloos spelend, zonder iets wat op dreiging wees, maar ook heel openlijk. Niettemin was Aviendha behoorlijk onder de indruk gekomen van de vele messen die Min bij zich droeg. Een slungelige jonge dienaar die een blad met hoge glaskappen voor de staande lampen droeg, boog toen ze voorbijliep.
927 Het splinteren van brekend glas op de vloer was in de hele gang te horen. Elayne zuchtte opnieuw. Ze hoopte dat iedereen snel aan de nieuwe omstandigheden zou wennen. Uiteraard was zijzelf niet degene die zoveel aandacht trok, en ook Aviendha en zelfs Min waren niet de reden van de opschudding.
928 Dat was niemand gewend, ook niet na Rhand en zijn Speervrouwen. Maar Birgitte had gezegd dat ze de lijfwachten ceremonieel zou aankleden en dat had ze gedaan. Zodra ze de vorige avond Elaynes kamers verlaten had, moest ze iedere naaister en kleedster in het paleis aan het werk hebben gezet.
929 Ze hingen bijna tot op de knieën. Daaronder droegen ze scharlaken broeken met een witte bies. De mouwen en de hals liepen uit in uitbundig kantwerk en hun zwarte laarzen leken wel spiegels, zo glanzend waren ze gepoetst. Ze zagen er heel fraai uit en zelfs de zo kalme Deni stapte ietwat hanig rond.
930 Birgitte wilde borstkurassen voor vrouwen en Elayne vermoedde dat de ogen van de wapenmeester zeker hadden uitgepuild. Op dit moment was Birgitte druk bezig om vrouwen te ondervragen om er twintig voor de lijfwacht te kiezen. Elayne kon voelen dat ze niet lichamelijk maar geestelijk bezig was.
931 Ze hoopte ook dat Birgitte het zo druk had dat ze het niet zou merken wanneer zij de binding zou versluieren, tot het te laat was. Het was gek dat ze zo vaak had zitten piekeren hoe ze Birgitte kon buitensluiten, terwijl de oplossing een eenvoudig antwoord van Vandene op Elaynes vraag was geweest.
932 Het had haar er ietwat berouwvol aan herinnerd hoe veel minder ze eigenlijk wist dan een volleerde zuster, vooral van zaken die de andere zusters als vanzelfsprekend aanvaardden. Kennelijk wist iedere zuster met een zwaardhand dat je de binding kon versluieren, zelfs ongebondenen.
933 Als ze geen lijfwacht had genomen en zich daardoor was gaan afvragen hoe ze hen én Birgitte kon ontlopen, zou ze nooit de binding hebben leren versluieren. Niet dat ze al snel van plan was om aan haar lijfwacht te ontkomen, maar je kon maar beter voorbereid zijn voor het geval het nodig zou zijn.
934 Geen van beiden was er echter met een excuus vandoor gegaan om Birgitte op de hoogte te stellen. Als de twee haar lijfwacht waren, dan waren ze de hare en niet die van Birgitte. Maar ze zou Birgitte er niet buiten kunnen houden als ze nu niet snel de binding versluierde.
935 Ze besefte dat ze stond te treuzelen. De man van wie ze elke nacht droomde, was aan de andere kant van die deur, en ze stond hier als een onnozel wicht. Ze had zo lang gewacht en zo veel gewild, en nu was ze bijna bang. Ze wilde dit niet uit de hand laten lopen. Met enige moeite sterkte ze zich.
936 Die verschrikkelijke vermomming die Min beschreven had, was weg, op de sjofele kleren en grove handschoenen na, en hij was... zo mooi en knap. Ook Rhand sprong overeind toen hij haar zag, maar voor hij helemaal rechtop stond, wankelde hij, greep de tafel met beide handen vast en kokhalsde heftig.
937 Ze had gehoopt dat het zo zou zijn, dat zij dat kon opbrengen terwille van haar eerstezuster, en nu bleek dat haar geen enkele moeite te kosten. Het kostte hem zichtbaar moeite om rechtop te staan en zijn ogen van haar en Aviendha los te rukken, hoewel hij het probeerde te verbergen.
938 Was de Bond Egwenes leger? Was Mart erbij? Nynaeves grote onschuldige ogen hadden haar schuld niet duidelijker kunnen maken dan een heraut onder het venster. Elayne nam aan dat het niets uitmaakte. Hij zou de waarheid snel genoeg horen, als hij omgepraat kon worden om naar Egwene te gaan.
939 Of een vuist te schudden. Ze wist niet zeker wat het moest worden. De andere zusters. De échte Aes Sedai, had hij willen zeggen. Hoe durfde hij. En zijn vriendinnen in de Toren! Geloofde hij nog steeds Alviarins vreemde brief? Haar stem klonk koel, streng en rustig, en duldde geen onzin.
940 Zijn gezicht hleef een stenen muur. ik hou van je, Aviendha. Ik hou van je, Min. Ik hou van jullie allemaal evenveel. Ik wil er niet één. Ik wil jullie alledrie. Zo, dat is gezegd. Ik ben weerzinwekkend. Nu kunnen jullie weggaan zonder om te kijken. Het is trouwens waanzin.
941 Ze voerde iets in haar schild, en als ze voor haar plannetje haar gezag niet wilde gebruiken, was het iets waarvan zelfs zij wist dat het niet goed was. Plotseling scheen Rhand te golven, alsof de lucht om hem heen trilde van de warmte, en werden alle gedachten uit Elaynes hoofd verjaagd.
942 Dat zal een eind maken aan hun gedachten over mijn geheime minnaar, bedacht Elayne, en lachte vermaakt in zichzelf. Ze wist dat hij evenveel blikken trok als de gardisten, terwijl hij met een misnoegde blik tussen hen in voort schuifelde. Er was beslist niemand die kon vermoeden wie hij was.
943 Licht, hij had best een iets minder afschuwelijke vermomming kunnen gebruiken. Maar Rhand was in haar kamer. Hij liep naar de tafel en leunde ertegenaan. De lucht om hem heen begon weer te rimpelen en hij werd weer zichzelf. De draken op zijn onderarmen gloeiden metalig in scharlaken en goud.
944 Hij moest nu ijskoud zijn. Ze had niet verwacht dat ze al zo snel weer naar haar kamers zou terugkeren en het vuur in de haard was niet meer dan een smeulende laag as. Maar voor zover ze kon zien, deed hij geen poging om de wijn door geleiding te verwarmen, want dan had ze stoomwolkjes moeten zien.
945 Als hij hun afleidingspoging had doorzien, dan had Nynaeve dat zeker. Waarom had ze hen laten gaan? En hoe had hij het doorzien? Aviendha schudde vragend haar hoofd. Dat deed Min ook, maar met een grijns die zei dat je dit soort dingen van tijd tot tijd moest verwachten.
946 Je weet wat dat betekent voor degene aan wie ik gebonden ben. Zelfs als ik niet gek word, zal ze mijn sterven meebeleven! En wat bedoel je met alledrie? Min kan niet geleiden. Nou ja, het maakt ook niet uit. Alanna Mosvani was jullie voor, maar zij nam de moeite niet om het te vragen.
947 Als ze de kans kreeg, sneed ze Alanna van top tot teen open, omdat ze hem had aangeraakt, maar Aviendha en Min waren anders. Ze vormden een deel van haar. Op een bepaalde manier waren zij haar, en was zij hen. Haar stem werd zachter, ik vraag het je, Rhand. Wij vragen het.
948 Alsof hij dat besluiten kon! Ze opende zich voor saidar, verbond zich met Aviendha en schonk haar een glimlach. Het was altijd een genoegen om met haar eerstezuster op een diepere manier gevoelens van geest en lichaam te delen. Het leek veel op wat ze spoedig met Rhand zouden delen.
949 Door die plechtigheid was ze op de gedachte gekomen. Zorgvuldig weefde ze Geest, een stroom van ruim honderd draden, elke draad precies op zijn plaats, waarna ze de weving rond Aviendha plaatste. Daarna deed ze hetzelfde met Min. Op een bepaalde manier waren het helemaal geen losse wevingen.
950 Ze kon de stromen niet zien, maar ze toonde een zelfverzekerde grijns, die enigszins werd bedorven doordat ze haar lippen natmaakte. Elayne haalde diep adem. In haar ogen waren de drie omgeven en verbonden door een maaswerk van Geest waarbij het fijnste kantwerk grof zou lijken.
951 Als het nu maar ging zoals ze geloofde dat het zou gaan. Uit elk van hen liet ze de weving in smalle lijnen naar Rhand toestromen, waarbij ze drie stromen in elkaar draaide en veranderde in de zwaardhandbinding. Die binding legde ze Rhand op, zo zacht als een dekentje op een klein kind.
952 Hoe kun je dat verdragen? Sommige pijnen schijn je niet eens meer te kennen! Heb je er zo lang mee geleefd dat ze een deel van je zijn geworden? Die reigers op je handpalmen; je kunt het branden nog steeds voelen. Die dingen op je arm doen pijn! En je zij. O Licht, je zij.
953 De pijn van wonden die hij werkelijk vergeten had. De spanning en het ongeloof; de verbazing. Maar zijn gevoelens waren onbuigzaam, als aderen van gestolde dennenhars, bijna steen. Er klopte en gloeide echter goud doorheen. Telkens als hij naar Min of naar Aviendha keek.
954 Bloed en as! Hoe pakten andere vrouwen dit aan? Zorgvuldig nam ze de gebundelde indrukken in haar hoofd in ogenschouw. Die van hem en die van Birgitte. In die tweede was nog niets veranderd. Ze stelde zich voor hoe ze Birgittes indruk in een zakdoek wikkelde en die stevig dichtknoopte.
955 Alleen maar om te laten zien wie er hier een kind was. De magere vrouw was niet jong meer, maar haar haren vertoonden nog geen spoortje grijs en ze zag er behoorlijk sterk uit. En snel. Min wilde graag geloven dat de forse figuur van de ander ook best uit vet kon bestaan, maar dat deed ze niet.
956 Uit haar ooghoek zag ze hoe de Aielse met tegenzin haar mes losliet. Licht, als Aviendha haar niet telkens zo precies na aapte, ging ze nog geloven dat er meer in dat gehanseflans met de Ene Kracht zat dan haar was verteld. Aan de andere kant was het al begonnen voor dat gedoe met de Kracht.
957 Min hoopte dat ze hun werk goed deden. Ze is helemaal niet zo dom, dacht ze. Maar soms laat ze zich leiden door haar moed. Ze hoopte dat de gardisten Elayne niet in doornstruiken zouden laten lopen waar ze niet weer uit kon komen. Al lopende bekeek ze de Aielse van opzij.
958 Aviendha liep naast haar, maar zo ver van haar vandaan als de gang toeliet. Zonder naar Min te kijken haalde ze een zwaarbewerkte ivoren armband uit haar beurs en liet hem met een tevreden glimlachje over haar linkerpols glijden. Al vanaf het begin had iets haar gestoken, en Min wist niet wat.
959 Aiel waren volgens iedereen gewend dat vrouwen een man deelden. Dat was heel wat meer dan zijzelf kon opbrengen. Ze hield alleen zo verschrikkelijk veel van hem dat ze bereid was om hem te delen, en als het dan toch moest, was er niemand ter wereld met wie ze hem liever wilde delen dan met Elayne.
960 Bij haar leek her helemaal geen delen. Maar deze Aielse was een vreemdelinge. Elayne had gezegd dat het belangrijk was dat ze elkaar leerden kennen, maar hoe kon dat nou als de ander niet met haar wilde praten? Ze verspilde echter weinig tijd aan het zich zorgen maken over Elayne of Aviendha.
961 Hoe zou het zijn om na dit alles met hem te vrijen, als zij alles van hem wist! Licht! Natuurlijk zou hij ook alles van haar weten. En wat ze daarvan dacht, wist ze nog niet zeker. Ineens besefte ze dat die bundeling van gevoelens en indrukken niet meer hetzelfde was. Er was een soort van.
962 Opnieuw struikelde ze en deze keer moest ze zich vastklampen aan een kist. O Licht! Elayne. Haar gezicht voelde aan als een laaiende haard. Alsof ze door de bedgordijnen gluurde! Haastig probeerde ze Elaynes kunstje en probeerde die bal van gevoelens in een doek te knopen.
963 Dienaren draaiden zich om en staarden. Min schoof naar het midden van de gang. Ze wilde de ander halverwege tegemoet komen, meer niet. Even later voegde Aviendha zich bij haar. Min vroeg zich af of ze haar moest vertellen wat ze gezien had toen ze allemaal bij elkaar waren.
964 Vier! Een vierling! Maar er was iets vreemds aan. De kinderen waren gezond, maar wel vreemd. En mensen hielden er vaak niet van om iets over hun toekomst te horen, zelfs al zeiden ze dat ze dat wel wilden. Ze wenste dat iemand haar kon zeggen of zij Zwijgend liepen ze naast elkaar door.
965 Over toh en hachje, bedoel ik. Ik weet iets van jullie gebruiken. Maar er is iets aan die man wat me onbeschaamd maakt. Ik kan mijn tong niet beheersen. Maar geloof maar niet dat ik me door jou laat slaan of snijden. Misschien heb ik toh, maar dan moeten we het op een andere manier proberen.
966 Wat was dat een vuilbek! En wat bedoelde ze met dat Zilverboog dood was? De vrouw stond voor haar neus! Bovendien was ze er zeker van dat die vele, vele beelden en lichten, die zo snel en onduidelijk voorbij waren geflitst, meer avonturen aangaven dan een vrouw in een heel leven beleefd kon hebben.
967 Vreemd genoeg waren enkele van die beelden verbonden met een lelijke man die ouder was dan zijzelf, en andere met een lelijke man die veel jonger was, maar Min wist ergens dat het om dezelfde man ging. Legende of geen legende, die hooghartige houding ergerde haar gruwelijk.
968 Ze kon nauwelijks geloven dat zij dat was geweest en vond dat ze moest blozen als de zon! Maar ze wilde alleen zijn met Rhand en ze geloofde niet dat ze ooit nog zou blozen, niet om iets wat met hem verbonden was. Het mooiste was nog dat hij een geschenk had achtergelaten.
969 Hij stond de jongen te na en dus wilde zij hem niet voor het blok zetten of zijn eed laten breken. Terugkijkend op haar leven kon ze zich haar falen herinneren, fouten waaraan ze soms met bittere spijt dacht en die levens hadden gekost, maar nu kon ze zich geen fouten of falen veroorloven.
970 Haar zeilvrouwe, Derah din Selaan, een jongere vrouw in het blauw, zat op een stoel die zorgvuldig een voet achter de stoel van de golfvrouwe was geplaatst. Dit vonden zij gepast. Het tweetal had een beeldhouwwerk van zwarthouten woede kunnen zijn en hun buitenlandse sieraden versterkten dat beeld.
971 De jongen leek niet te weten wat hij moest doen toen ze niets pakten. Met een onzekere frons hield hij de buiging vol tot Daigian aan zijn rode jas trok en hem, glimlachend als een vermaakt koerende kropduif, wegleidde. Een slanke jongeman met een grote neus en grote oren.
972 Nesune had een groot in hout gebonden boek uit de librije van het paleis op een lessenaar voor haar stoel. Net als de anderen droeg ze een eenvoudig wollen kleed dat meer bij een koopvrouw hoorde dan bij een Aes Sedai. Als ze de zijden kleding al misten, lieten ze het niet blijken.
973 Sarene, met haar dunne vlechten met kralen, stond aan een groot borduurraam te werken en haar naald maakte de kleine steekjes van een nieuwe bloem in een veld vol bloemenpracht. Erian en Beldeine speelden Steen, terwijl Elza toekeek en haar beurt afwachtte om tegen de winnaar te spelen.
974 Maar dit vijftal was wel heel zwaar gestraft voor zijn ontvoering en had het besluit tot een eed van trouw al genomen nog voor hij in de buurt was. Aanvankelijk was ze geneigd hun verschillende verklaringen te slikken, maar de laatste paar dagen had die neiging zware schokken te verdragen.
975 Harine blies zich op als een adder en begon opnieuw te klagen over haar rechten en eisen, maar Cadsuane luisterde maar half. Ze kon Erian bijna begrijpen, een bleke Illiaanse met zwart haar, die trots bleef hameren op het feit dat ze naast hem diende te staan wanneer hij de Laatste Slag streed.
976 Ook een Groene en nog rechtlijniger dan de meesten. Nesune boog zich naar voren om naar haar boek te turen en leek op een vogel die met zwarte ogen een worm bekeek. Een Bruine die een vat met een schorpioen zou instappen als ze wist dat ze daardoor iets nieuws kon leren.
977 Aanvaardbare en idiote redenen, maar ze had ze kunnen geloven als die anderen er niet waren geweest. De deur naar de voorhal ging open en Verin en Sorilea kwamen binnen. De verweerde Aielse met het witte haar overhandigde iets kleins aan Verin, dat de Bruine zuster in haar beursje stak.
978 Ze aarzelde amper voor ze haar donkergrijze rok spreidde voor een kniks. De Wijzen hadden hun geleerd meteen op te springen op een woord van een Wijze. Het was niet iets wat een zuster zich gemakkelijk eigen maakte, maar het was meer dan die gewoonte dat ze zo rap gehoorzaamden.
979 Cadsuane betreurde het bijna dat ze dat lichtzinnige bevel had gegeven. Sarene zou het precies zo uitvoeren. Die vrouwen waren een ergernis en tot dusver nog steeds nutteloos. Haar ergernis moest opgelost worden, zodat ze haar aandacht aan echt belangrijke dingen kon schenken.
980 Armbanden rinkelden toen ze haar omslagdoek goed schoof. Nog iemand in een slechte bui. Het Zeevolk had vreemde ideeën over die Aielwilden, hoewel die niet gekker waren dan die van Cadsuane, maar dat was voordat ze kennis had gemaakt met Sorilea. De Wijze moest niets van deze ideeën hebben.
981 Sorilea was geen vrouw die je naar je toe liet komen. ledereen dacht dat ze een vriendschap ontwikkelden. Dat kon nog steeds gebeuren, besefte ze verbaasd, maar niemand wist van hun verbond. Eben verscheen weer met het blad en leek opgelucht toen ze haar halflege roemer erop plaatste.
982 Ooit had ze gedacht dat ze op het punt stond de Zwarten uit te kunnen roken, maar ze zag die zelfopgelegde taak ook als rook door haar vingers wegdwarrelen. Het was haar bitterste nederlaag, afgezien wellicht van haar onwetendheid waarom de neef van Caraline Damodred door de Grenslanden zwierf.
983 En van haar kant wilde Shalon al het mogelijke over hem en over de toestand hier te weten komen. Daaruit kwamen bijeenkomsten voort die tot vriendschap hebben geleid, en ten slotte deelden ze elkaars bed. Evenzeer vanwege hun eenzaamheid als vanwege dat andere, neem ik aan.
984 Shalon is meen ik getrouwd met een man die elders plichten heeft en het verbreken van je trouwbelofte is bij het Zeevolk een zware misdaad. Inbreuk op hun strenge orde en gezag, blijkbaar. Als haar zus dit te weten komt, zal Shalon windvindster worden op een roeiboot. Zo zei ze het, geloof ik.
985 Geef haar heel... vaag de verzekering dat haar vertrouwen niet beschaamd zal worden. Maar zorg ervoor dat ze goed beseft hoe vaag die toezegging is. Verzeker haar er wel van, met je hand op je hart, dat ze mij over alles wat haar broer aangaat, op de hoogte kan blijven houden.
986 Toram Riatin kon nog steeds moeilijkheden veroorzaken, al leek zijn opstand in rook te zijn opgegaan. Eigenlijk interesseerde het haar niet wie op de Zonnetroon kwam, maar de intriges van mensen die een troon wel belangrijk vonden, veroorzaakten vaak last bij belangrijker zaken.
987 Achter Verin glipte Corele naar binnen; ze sloot de deur zachtjes, alsof ze niemand wilde storen. Zo deed ze meestal niet. Ze was jongensachtig slank, dikke zwarte wenkbrauwen en heel veel glanzend zwart haar tot laag op de rug gaven haar een wild uiterlijk, ook al was ze nog zo netjes gekleed.
988 Ze wreef over haar opgetrokken neus en keek aarzelend naar Cadsuane; de gebruikelijke sprankeling in haar ogen was niet te zien. Cadsuane maakte een gebiedend gebaar en Corele haalde diep adem, waarna ze over het tapijt schreed en met beide handen haar met geel afgezette blauwe rok vasthield.
989 Iedere zuster koesterde ergens diep van binnen de vrees dat ze ooit zou worden afgesneden van de Ene Kracht. Nu was er een Heling ontdekt die heelde wat niet geheeld kon worden. Met de mannelijke helft van de Ene Kracht. Er zouden tranen geplengd worden en verwijten geuit voordat dit was verwerkt.
990 Zusters van hier, maar ook anderen. Haar ogen en oren hadden jarenlang een wakend oog gehouden op Siuan Sanche en Moiraine Damodred, maar pas in Shienar had ze iets nuttigs ontdekt. Hoewel ze hen vertrouwde, wilde dat niet zeggen dat ze van plan was deze zusters hun eigen gang te laten gaan.
991 In elk geval kon ze een zuster niet in die toestand laten. De deur sloeg open toen Jahar hollend binnenkwam. De zilveren belletjes aan het eind van zijn donkere vlechten tinkelden. Hoofden draaiden zich om naar de jongeman in de keurige blauwe jas die Merise voor hem had uitgekozen.
992 Ze beval Jahar voor te gaan. Ook Verin liep mee en Cadsuane stuurde haar niet weg. Verin viel dingen op die anderen over het hoofd zagen. De bedienden in het zwart hadden geen enkel idee wie Jahar was, maar stapten ijlings voor Cadsuane opzij toen zij snel achter hem aanbeende.
993 Ze had hem willen zeggen voort te maken, maar als ze nog iets sneller liepen, zou het hollen worden. Ze waren net uit de zonnekamer of een kleine man met een hoog kaalgeschoren voorhoofd en in een donkere jas met horizontale kleurenbanen stapte met een buiging voor haar.
994 Ze heeft haar opstand en haar aanspraken op de Zonnetroon openlijk afgezworen, maar wellicht willen anderen haar gebruiken. Het was misschien onverstandig, Cadsuane Sedai, hen onder de hoede van bedienden te laten. Maar bij het Licht, u mag hun niets verwijten. Ze waren in staat hun twee.
995 De kamer was niet groot en leek zelfs kleiner door de donkere houten panelen waar de Cairhienin zo dol op waren. Het was er overvol toen iedereen zich naar binnen had gewurmd. Merise knipte met een vinger, wees en Jahar trok zich terug in een hoek, maar dat hielp niet veel.
996 Cadsuane vroeg zich af of ze hun bondgenootschap heroverwoog. Verin staarde eveneens naar Alanna en er lag doodsangst in haar ogen. Cadsuane had niet gedacht dat Verin ook maar voor iets bang was. Maar ook zijzelf voelde iets van pure angst. Als ze hierdoor haar band met de jongen kwijtraakte.
997 Zichtmuren zorgden ervoor dat de gestreepte houten vloer omringd leek door een woud van vrolijke bloemenranken en fladderende vogeltjes die nog meer kleur vertoonden. De lucht was doordrongen van zoete geuren en zacht vogelgefluit. Alleen de boog van een poort bedierf dat waanbeeld.
998 Een heel oude gewoonte. Hij ging gekleed als een vorst van deze Eeuw en droeg een jas die stijf stond van het goudborduursel, zodat het rood van de stof bijna niet te zien was, en laarzen met gouden kwasten. Er zat zoveel kant om zijn nek en polsen dat een kind ermee gekleed kon worden.
999 Ze had zich hersteld en haar gewaad was weer een fraaie nevel, zij het nu rood. Misschien was ze niet zo kalm als ze zich voordeed. Het kon ook zijn dat ze hun wilde laten geloven dat ze haar opwinding probeerde te onderdrukken. Afgezien van de steel kwamen al haar sieraden uit deze Eeuw.
1000 Haar handen vormden klauwen en ze keek Graendal zo woest aan dat het leek of ze de keel van de ander wilde openrijten. Demandred ontspande zijn vuisten. Eindelijk was het openlijk gezegd. Hij had gehoopt dat Altor dood of gevangen zou zijn voor die achterdocht de kop opstak.
1001 Een zwart vlekje dreef voor Moridins blauwe pupillen langs, toen een volgende en een volgende, in een langzame stroom. De man moest sinds hun laatste ontmoeting alleen nog maar de Ware Kracht hebben gebruikt om zo snel zoveel saa op te bouwen. Zelf had hij de Ware Kracht alleen in nood aangeraakt.
1002 Moridin legde een hand op het hart alsof hij iedereen wilde tonen wat voor minnaar hij was en duwde met zijn wijsvinger Cyndanes kin omhoog. Haar ogen vonkten van afkeer, maar haar gezicht bleef een onbewogen lief poppengezichtje. Ze slikte in elk geval als een slappe pop zijn aardigheidjes.
1003 Demandred boog het hoofd en zijn nek deed hem evenveel pijn als de uitgesproken woorden. Dus zij mochten Altor oppakken, terwijl die trachtte Choedan Kal te gebruiken. Ja, ja, terwijl hij en een onbekende vrouw meer dan genoeg van de Ene Kracht putten om werelddelen te laten smelten.
1004 Door de hoge achterramen kon ze honderden andere grootschepen schuimend door de grijsgroene golven zien snijden, rij na rij, tot aan de einder. Vier keer zoveel schepen waren naar Tanchico gekoerst. De Rhyagelle, Zij die thuiskomen. De Corenne, de Terugkeer, was begonnen.
1005 De Kidron scheen gevolgd te worden door een hoogvliegende albatros, zeer zeker een voorteken van overwinning, hoewel de vleugels van de machtige vogel zwart waren in plaats van wit. Maar de betekenis moest nog steeds dezelfde zijn. Voortekenen veranderden op een andere plaats niet van betekenis.
1006 Toen ze een geplooid gewaad in de kleur van eeuwenoud ivoor over Tuons hoofd liet glijden, vergeleek de jongere vrouw zich onwillekeurig met Tuon in de hoge spiegel aan de binnenwand. De goudblonde Selucia bezat een statige schoonheid, met haar lelieblanke huid en koele blauwe ogen.
1007 Lidya was verantwoordelijk geweest voor haar boosheid gisteravond. Nee, zij was de oorzaak, maar Tuon was verantwoordelijk voor haar eigen gevoelens. Ze had de damane bevolen om haar lot te lezen en ze had niet het bevel mogen geven om haar af te ranselen omdat de woorden haar niet aanstonden.
1008 Bij haar binnenkomst verstijfden ze, als je dat tenminste kon zeggen van standbeelden. Het waren mannen met harde gezichten, en er was hun en vijfhonderd anderen persoonlijk opgedragen voor Tuons veiligheid zorg te dragen. Ieder van hen zou zijn leven geven om haar te beschermen.
1009 Iedere man was vrijwilliger en had gevraagd om in haar garde te mogen dienen. De grijze kapitein Musenge zag haar sluier en beval nu maar twee wachters om haar op het dek te begeleiden, waar twee dozijn in rood en groen geklede Ogier Gardeniers aan beide zijden van de deur een rij vormden.
1010 Tuon neeg het hoofd voor het Bloed en beklom het halfdek, gevolgd door de twee Doodswachtgardisten. De wind maakte het haar korte mantel moeilijk en drukte nu eens de sluier tegen haar gezicht en joeg die dan weer alle kanten op. Het maakte niet uit; het was voldoende dat ze de sluier droeg.
1011 Haar persoonlijke banier, twee gouden leeuwen die een strijdwagen uit vroeger tijden trokken, waaide op de achtersteven boven de zes roergangers, die moeite hadden met de lange roerstang. De Raaf en de Rozen was neergehaald zodra de eerste scheepsmaat haar sluier had gezien en dit had doorgegeven.
1012 Kidrons kapitein, een brede, verweerde vrouw met wit haar en ongelooflijk groene ogen, boog toen Tuons muiltjes het halfdek raakten en richtte haar aandacht weer op het schip. Bij de reling stond Anath in sombere zwarte zijde, en hoewel ze geen mantel droeg, scheen de kille wind haar niet te deren.
1013 Iedereen wist dat damane de toekomst konden voorspellen, en als iemand van het Bloed de voorspelling had opgevangen, zouden ze allemaal in het geheim over haar lot hebben zitten kletsen. Anath lachte grof en begon haar opnieuw te vertellen wat een dwaas ze was, deze keer met meer bijzonderheden.
1014 Veel meer bijzonderheden. Ze nam niet de moeite zachter te spreken. Kapitein Tehan staarde recht voor zich uit, maar haar ogen vielen bijna uit haar gerimpelde gezicht. Tuon deed of ze aandachtig luisterde, maar haar wangen werden roder en roder tot ze dacht dat de sluier zowat in vlammen opging.
1015 Weigeren om naar je waarheidsspreker te luisteren was heel erg. Misschien hoorde ze dat evenwicht toch te aanvaarden. Drie grote grijze dolfijnen doken naast het schip op en lieten een geluid horen. Het waren er drie en ze kwamen niet opnieuw boven. Houd vast aan de gekozen koers.
1016 Er werd gevochten, ze probeerden het in ieder geval, toen de soldaten zich toch een weg naar binnen baanden. Ik weet niet wat er gebeurd is – misschien had een soldaat een lantaarn bij zich op een plek waar dat niet zou mogen – maar het halve gebouw ontplofte, voor zover ik het begrepen heb.
1017 Toen hij plat op zijn rug lag met zijn benen in spalken en zijn ribben en de rest van zijn lichaam in het verband, had Tylin al zijn kleren verborgen. Hij had ze nog niet gevonden, maar ze waren toch zeker ergens weggestopt, niet verbrand. Ze kon hem toch niet voor altijd vasthouden.
1018 En de jas was ook nog eens te kort. Onbetamelijk kort! Ook Tylin vond dat hij een aardig kontje had en scheen het niet erg te vinden dat ook anderen het konden zien! Hij trok de mantel over zijn schouders – tenminste enige rugdekking – en greep zijn schouderhoge wandelstok, die naast de deur leunde.
1019 Hij hinkte de wagen uit en zodra hij de houten trap af was die aan de wagenbodem vastzat, sloeg hij de deur achter zich dicht. De lucht in de namiddag was grijs en bewolkt, net als die ochtend, en er stond een gure wind. Altara kende geen echte winter, maar wat het wel had, leek er heel aardig op.
1020 In plaats van sneeuw waren er ijzige regenbuien en stormen die vanaf de zee over het land raasden, en tussendoor was het vochtig genoeg om de kou nog erger te maken dan die feitelijk was. De grond voelde soppig onder je voeten, zelfs als het droog was. Scheldend hobbelde hij van de wagen weg.
1021 Een klokkengieter? Misschien kon hij er twee heel korte dagen van maken. Zolang Aludra maar niet achter hém aankwam. Dat schenen de laatste tijd behoorlijk wat vrouwen te doen. Had Tylin ergens iets aan hem veranderd, zodat vrouwen hem, net als zijzelf, najoegen? Nee, dat was belachelijk.
1022 De wind greep zijn mantel en liet hem opbollen, maar hij was te veel in gedachten om er iets aan te doen. Enkele slanke vrouwen – tuimelaars, dacht hij – lachten plagerig toen ze voorbijliepen; hij glimlachte terug en probeerde zich zo goed mogelijk voor te doen. Tylin had hem niet veranderd.
1023 Even verderop rénde een kerel boven op een eivormig wiel dat zeker een voet of twintig in doorsnee was en op een verhoging was gezet. Als hij boven op de smalle kant van het wiel stond, bevond hij zich hoger boven de grond dan de vrouw, die wel gauw haar stomme nek zou breken.
1024 Mart keek naar een man met ontbloot bovenlijf die drie glinsterende ballen over zijn armen en schouders liet rollen zonder ze met zijn handen aan te raken. Dat was niet onaardig. Misschien zou hij in staat zijn om hetzelfde te doen. Die ballen lieten je tenminste niet bloeden of iets breken.
1025 Van wat Mart over Vanin wist, zou het voor deze merkwaardige man niet moeilijker dan een avondwandelingetje zijn. Hoe dik hij ook was, Vanin kon elk paard dat ooit geboren was, stelen en berijden. Maar Mart twijfelde eraan of hijzelf wel langer dan een span in het zadel kon blijven.
1026 Maar hier zat hij, vast in Ebo Dar, als Tylins schoothondje. De vrouw had hem niet eens volledig laten herstellen voor ze als een eend in het kroos boven op hem was gesprongen! En de anderen hadden de tijd van hun leven. Nynaeve voerde de scepter over iedereen die binnen haar bereik was.
1027 Hij vertrok zijn gezicht en wreef over zijn voorhoofd toen een vage stroom kleuren in zijn hoofd scheen rond te draaien. Dat gebeurde de laatste tijd wel vaker als hij aan een van hen dacht. Hij wist niet waarom en hij wilde het niet weten ook. Hij wilde alleen maar dat het ophield.
1028 En uiteraard het geheim van het vuurwerk meenemen. Maar hij zou beslist een ontsnapping boven dat geheim verkiezen. Thom en Beslan zaten nog steeds daar waar hij hen had achtergelaten, drinkend met Luca voor diens overdreven versierde wagen, maar hij voegde zich niet direct bij hen.
1029 En hij leek te denken dat elke vrouw het prettig vond om naar hem te kijken. Licht, de man was getrouwd! Luca lag languit in een vergulde stoel die hij uit een of ander paleis had gestolen. Hij lachte en maakte brede, vorstelijke gebaren naar Thom en Beslan, die op bankjes naast hem zaten.
1030 Eén persoon die er had moeten zijn, was er niet, maar een snelle blik in het rond leverde een groepje vrouwen op bij een wagen vlakbij. Ze waren van verschillende leeftijden, van jong tot oud, maar ze stonden allemaal te giechelen om datgene waar ze omheen stonden. Zuchtend liep Mart erheen.
1031 Vrouwen! Toen hij de vrouwen achter zich had gelaten, schold hij de jongen uit, die blij naast hem voorthuppelde. Sinds Mart hem voor het eerst ontmoet had, was Olver wel gegroeid, maar hij was nog steeds klein voor zijn leeftijd. En met zijn brede mond en bijpassende oren zou hij nooit knap worden.
1032 Als Mart zijn krachten weer terugkreeg, was hij van plan de jongen te leren hoe je een vechtstok en de Tweewaterse boog moest gebruiken. Wat de jongen leerde van Chel Vanin of van de Roodarmen wilde Mart niet weten. Toen Mart dichterbij kwam, rees Luca op uit zijn fraaie stoel.
1033 Het was een donkere, slanke jongeman, iets jonger dan Mart, van een onbezorgde liederlijkheid toen Mart hem voor het eerst ontmoette. Hij was altijd in voor een kroegentocht, vooral als het eindigde met vrouwen of een gevecht. Maar na de komst van de Seanchanen was hij ernstiger geworden.
1034 Mart kreunde. Deze keer was het niet zijn been of het feit dat iedere man in Ebo Dar, behalve Mart Cauton, de boezem mocht kiezen waarop hij het hoofd kon laten rusten. Die rottige dobbelstenen waren zojuist opnieuw in zijn hoofd aan het rollen. Er kwam iets slechts zijn kant op.
1035 De wandeling over lage heuvels liet in eerste instantie de pijn uit Marts been verdreven, maar bracht die weer terug voor hij boven op een helling Ebo Dar zag liggen. De stad lag achter buitengewoon dikke, witgepleisterde muren, die geen blijde tijdens een beleg ooit kapot had kunnen slaan.
1036 De witgepleisterde gebouwen, de witte spitsen en torens en de witte paleizen blonken zelfs op een grijze winterdag. Hier en daar was het bovenste stuk van een toren verdwenen en op sommige plaatsen waren gaten te zien, omdat het gebouw dat er ooit had gestaan, was vernietigd.
1037 Maar al met al had de Seanchaanse verovering maar weinig schade veroorzaakt. Ze waren te snel en te sterk geweest, en hadden de stad al in handen voordat er slechts wat verspreid verzet kon worden georganiseerd. De handel had verrassend genoeg maar weinig geleden onder de val van de stad.
1038 Het scheen hem toe dat hij deze middag van Ebo Dar zelf naar de overkant had kunnen lopen, naar de Rahad, een onguur stadsdeel dat hij liever nooit meer wilde bezoeken. In de dagen nadat hij er voor het eerst in geslaagd was om weer te lopen, was hij vaak naar de havens gegaan om uit te kijken.
1039 Hij deed het niet langer meer. Vandaag keek hij nauwelijks naar de haven. De dobbelstenen die in zijn hoofd tolden, donderden als onweer. Wat er ook stond te gebeuren, hij betwijfelde of hij het aangenaam zou vinden. Dat deed hij zelden als de stenen een waarschuwing gaven.
1040 Wagens en karren verlieten in een gestage stroom de stad door de grote, overwelfde toegangspoort, terwijl mensen te voet zich naar binnen probeerden te worstelen en er buiten de muren een grote rij wagens en ossenkarren stond te wachten om binnen te komen. Er zat bijna geen beweging in.
1041 Ze hadden een huid zo donker als die van het Zeevolk of zo licht als die van een Cairhienin. Ze vielen op en niet alleen omdat ze te paard waren. Sommige mannen droegen wijde broeken en vreemd krappe jassen met hoge, nauwe kragen tot aan de kin en rijen blinkende knopen op de borst.
1042 Of ze droegen wapperende, geborduurde jassen die bijna net zo lang waren als een vrouwenrok. Deze laatsten waren van het Bloed, evenals de vrouwen in merkwaardig gesneden rijkleding met wijde mouwen die tot aan de stijgbeugels reikten. Aan hun voeten droegen ze fleurige laarzen.
1043 Zelfs de andere Seanchanen leken zenuwachtig te zijn als de gardisten in de buurt waren, en dat was voor Mart genoeg om met een grote boog om hen heen te lopen. Hoe dan ook, geen van de Seanchanen keek naar de drie mannen en een jongen die langzaam naast de rij wagens en karren naar de stad liepen.
1044 Door Marts been gingen ze niet zo snel, maar hij probeerde voor de anderen te verbergen hoeveel hij op zijn stok moest steunen. De dobbelstenen verkondigden gewoonlijk gebeurtenissen die hij maar ternauwernood zou overleven, zoals veldslagen of een gebouw dat instortte.
1045 Tylin. Hij vreesde wat er zou gaan gebeuren als de stenen deze keer zouden stilliggen. Bijna alle wagens en karren die de stad uitreden, werden vergezeld door Seanchanen, die op de bok zaten of ernaast liepen. Ze waren eenvoudiger gekleed dan de ruiters en zagen er helemaal niet vreemd uit.
1046 Hun wagens en karren werden door ossen getrokken. Hier en daar in de rij bevonden zich uitlanders, kooplieden met een kleine stoet door paarden getrokken wagens. In de winter was er in Ebo Dar meer handel dan verderop in het noorden, waar kooplieden zich over besneeuwde wegen moesten worstelen.
1047 Misschien wist ze nog steeds niet dat haar grijze ruin en de paardenspannen voor haar wagens in beslag zouden worden genomen als ze eenmaal in de stad was. De Seanchanen hadden een op de vijf paarden van de inwoners afgenomen, en, om de handel niet af te schrikken, een op de tien van de uitlanders.
1048 Een dikke Cairhienin in een jas die er net zo gewoon uitzag als de jassen die zijn voerlieden droegen, schreeuwde boos over de vertraging, en zijn fraaie roodbruine merrie danste zenuwachtig rond. De merrie was heel fraai gebouwd en zou waarschijnlijk naar een officier gaan.
1049 Olver sprong achter hen aan, maar toen Mart het daglicht weer instapte, liep hij tegen Thom op voor hij in de gaten kreeg dat iedereen vlak voor de tunneltoegang stil stond. Hij wilde een bitse opmerking maken, toen hij plotseling zag waar iedereen naar stond te staren.
1050 De straten van Ebo Dar waren altijd overvol, maar niet zoals nu. Het leek of een dam was gebroken en een vloed van mensen de stad was ingestroomd. De straat was over de hele breedte volgepakt. Mensen stroomden om kudden levende have heen, diersoorten die hij nog nooit eerder gezien had.
1051 Wagens en karren zochten zich stapvoets een weg door de massa, als ze al bewogen, en het geschreeuw en het gevloek van de voerlieden verdronken bijna in het lawaai van stemmen en dieren. Mart kon geen woorden onderscheiden maar wel tongvallen. Trage, lijzige Seanchaanse tongvallen.
1052 Op een andere wagen stond een groot druk raam, en weer een andere, die er net in was geslaagd de tunnel in te draaien, voerde de geur van hop mee en iets dat op brouwersvaten leek. Op sommige wagens waren kratten gestapeld met vreemd gekleurde kippen, eenden en ganzen – het pluimvee van een boer.
1053 Licht! Hoeveel hadden er sinds de ochtend hun lading kunnen lossen? Hoeveel moesten er nog gelost worden? Hoeveel mensen konden er op dat aantal schepen vervoerd zijn? En waarom waren ze hier naartoe gekomen in plaats van naar Tanchico? Een huivering liep langs zijn rug.
1054 Mart gromde zuur. Waarom wilde men toch altijd dat hij de held uithing? Vroeg of laat zou hij er in blijven, ik hoef nergens over te praten. Ze zijn hier, Beslan. Als je ze er vanmorgen al niet van kon weerhouden om binnen te komen, zul je nu zeker niet in staat zijn om ze eruit te werken.
1055 Suroth zegt dat ik iemand van het Bloed moet huwen en de zijkant van mijn hoofd moet scheren, en moeder luistert. Suroth doet net alsof ze gelijken zijn, maar mijn moeder móét luisteren als Suroth spreekt. Wat Suroth ook zegt, Ebo Dar is niet meer van ons, en de rest ook niet.
1056 Hij beet op zijn tong en weerhield zich ervan om te zeggen dat er meer Seanchaanse soldaten in Ebo Dar waren dan Witmantels in Altara tijdens de Witmantel oorlog. Een straat vol Seanchanen was geen plaats voor loslippigheid, ook al leken de meesten boeren en ambachtslieden te zijn.
1057 Hij drong zich de menigte in en schoof iedereen opzij die hem in de weg stond. Mart zou niet verbaasd hebben opgekeken als er een gevecht was uitgebroken. Hij vermoedde dat Beslan er een zocht. Thom draaide zich om en wilde met Olver achter Beslan aan, maar Mart greep hem bij de mouw.
1058 Nooit. Hij keek even besmuikt naar de magere vrouw en naar de stalknecht met mest aan zijn laarzen. Licht, het hadden Hoorders kunnen zijn. Iedereen kon een Hoorder zijn. Deze gedachte zorgde ervoor dat hij een prikkeling tussen zijn schouderbladen voelde, alsof hij werd gadegeslagen.
1059 De kraampjes op de kanaalbruggen hadden hun luiken gesloten, de venters hadden hun dekens opgepakt, en de potsenmakers en tuimelaars die gewoonlijk op elke straathoek de mensen bezighielden, zouden geen ruimte voor een voorstelling hebben gehad. Er waren zoveel Seanchanen; te veel Seanchanen.
1060 Zoals het leger dat volgens een gerucht de vorige week in het oosten tegen hen had gevochten. Of eentje dat gewapend was met de geheimen van het Vuurwerkersgilde. Wat moest Aludra in Lichtsnaam toch met een klokkengieter? Hij zorgde er terdege voor niet te dicht in de buurt te komen van de haven.
1061 Maar ze had meegedaan toen hij haar had omgepraat om te wedden om zijn vrijlating, maar dat was toen hij het bed had moeten houden. Gelukkig kon je altijd wel aan dobbelstenen komen, en met zijn geluk was het trouwens altijd beter als hij de stenen van de ander gebruikte.
1062 Helaas, toen hij eenmaal ontdekte dat ze haar belofte om hem te laten gaan niet wilde inlossen – de vrouw deed net of ze niet wist waar hij het over had! – had hij de stenen gebruikt om haar een koekje van eigen deeg te geven. Een ernstige misrekening, hoe leuk het toen ook was geweest.
1063 De taveernes en gelagkamers die hij betrad, waren al even vol als de straten. Er was nauwelijks ruimte om een beker op te tillen, laat staan om dobbelstenen te werpen. Overal zag hij lachende en zingende Seanchanen en somber kijkende Ebodaranen, die de Seanchanen in stilte misnoegd bekeken.
1064 Hij had eigenlijk niet anders verwacht. Ook vóór de komst van de nieuwkomers was er niets vrij geweest. En hij begon zich al even somber te voelen als de buitenlandse kooplieden die hij in hun wijnglas zag turen met de vraag hoe ze zonder paarden hun koopwaar de stad uit konden krijgen.
1065 Hij had genoeg goud om Luca te betalen, maar dat zat allemaal in een kist in het Tarasinpaleis, en hij ging niet proberen om in één keer genoeg mee te nemen, niet nadat paleisdienaren hem uit de haven terug hadden gedragen, als een hert dat niet aan de jacht was ontkomen.
1066 Een paar keer gaf hij bijna toe, maar als ze hem eenmaal hadden gehoord, zouden ze hun geld teruggevraagd hebben. Een paar Ebodaranen met lange, kromme messen in hun riemen en vol boosheid die ze niet op de Seanchanen konden botvieren, dachten dat ze die dwaas wel te pakken konden nemen.
1067 Zijn maag was zo leeg als de herbergen vol waren en hij meende dat iedereen naar zijn opzichtige kleren gaapte. De vochtige kou sijpelde zijn botten binnen, en de enige dobbelstenen die hij vond, waren de stenen die nog steeds in zijn hoofd kletterden met een geluid als van paardenhoeven.
1068 Een paar voorbijgangers keken alsof hij inderdaad al een beschilderd gezicht had. Hij negeerde hen. Ze waren zijn aandacht niet waard. Door de manier waarop ze naar hem keken, zouden ze het verdiend hebben om met een stok op het hoofd te worden geslagen, maar hij deed het niet.
1069 Misschien. Zijn maag knorde, bijna luid genoeg om de dobbelstenen te overstemmen. Ze kon ook de keuken opdracht gegeven hebben om hem geen eten te geven als hij te laat was. Tien passen lang deed hij moeite door de menigte heen te komen, tot hij een smal, donker steegje in kon slaan.
1070 Er was geen plaveisel. Het witte pleisterwerk op de vensterloze muren was afgebladderd en op veel plaatsen waren de bakstenen zichtbaar. De lucht was een en al stank van afval, en hij hoopte dat het zuigende geluid onder zijn laarzen modder was, hoewel het een afgrijselijke geur verspreidde.
1071 Hij kon bijna niet wachten op de dag dat hij weer een paar span zonder pijn kon wandelen, zonder te hijgen en zonder te hoeven leunen op een stok. Kronkelsteegjes, waarvan de meeste zo smal waren dat zijn schouders de muren aan beide kanten raakten, liepen kriskras als een doolhof door de stad.
1072 Het was gemakkelijk om de weg kwijt te raken als je die niet kende. Hij sloeg geen enkele keer de verkeerde weg in, zelfs niet als een nauwe kronkelsteeg zich plotseling splitste in drie of vier steegjes die allemaal min of meer in dezelfde richting schenen te kronkelen.
1073 Er waren nogal wat momenten in Ebo Dar geweest waarop hij blikken had moeten ontwijken, en hij kende deze straatjes als zijn eigen broekzak. Toch had hij vreemd genoeg het gevoel dat hij gadegeslagen werd. Maar waarschijnlijk zou hij dat gevoel wel blijven houden zolang hij die stomme kleren droeg.
1074 Hij bereikte het paleis in de tijd die het hem anders gekost zou hebben om drie straten ver te komen. Hij haastte zich door een schemerige doorgang tussen een goedverlichte herberg en een gesloten winkel van lakdoosjes en vroeg zich af wat er nog in de keuken te krijgen zou zijn.
1075 Het steegje was breder dan de meeste en breed genoeg voor drie man naast elkaar. De steeg kwam uit op het Mol Hara Plein, bijna recht voor het Tarasinpaleis. Daar woonde Suroth, en de koks hadden zichzelf overtroffen nadat ze het hele stel na haar eerste maaltijd had laten geselen.
1076 Hij gromde opnieuw toen een stel laarzen op zijn schouder belandde. De kerel gleed vloekend van hem af en gleed door de modder verder de steeg in. Hij zakte door een knie en slaagde er maar net in om zich staande te houden tegen de zijmuur van de taveerne, anders was hij plat voorover gevallen.
1077 Het was genoeg om een magere, moeilijk te beschrijven man te zien. Een man met iets als een groot litteken op de wang. Maar geen man. Een wezen dat hij met de blote hand de keel van zijn vriend had zien openrijten en dat een mes uit zijn eigen borst had getrokken om het terug te werpen.
1078 Naar zijn benen, in de hoop hem te laten struikelen en zo tijd te winnen. Het ding vloeide als water naar de kant en ontweek de stok. Zijn laarzen gleden een stukje in de modder weg, en toen wierp het wezen zich op Mart. Maar het beetje tijd dat hij had gewonnen, was genoeg geweest.
1079 Het zilver, dat koel tegen zijn borst had gelegen, raakte met een gesis als van knapperend spek en de geur van brandend vlees een uitgestrekte hand. Het ding was zo beweeglijk als een tol en probeerde grauwend voorbij het rondzwaaiende zegel te komen om Mart ergens vast te kunnen pakken.
1080 Deze keer zou het wezen geen spelletje met hem spelen, zoals in de Rahad. Hij bleef het zegel rondzwaaien en raakte de andere poot en het gezicht van het wezen. Na elke aanraking klonk er gesis en stonk het naar brand, alsof het wezen met een hete ijzeren staaf werd geraakt.
1081 Mart liet het zegel onophoudelijk rondzwaaien terwijl hij wankel overeind kwam en de gholam in de gaten bleef houden, die leek op een man. Hij wil jou evenzeer dood hebben als hij haar wil hebben, had het wezen hem grijnzend in de Rahad gezegd. Maar nu grijnsde of sprak het niet.
1082 Om nog maar te zwijgen van de schouder waar de gholam bovenop was gesprongen. Hij moest terug naar de drukke straten, terug naar mensen. Het ding zou misschien worden afgeschrikt door een grote hoeveelheid mensen. Hij had niet veel hoop, maar het was de enige die hij had.
1083 Zijn laars gleed uit over iets wat verschrikkelijk stonk en hij gleed tegen de muur van de herberg. Alleen het woeste zwaaien met de zilveren vossenkop hield de gholam tegen. Die stemmen in de straat waren zo verlokkend dichtbij, maar ze hadden net zo goed in Barsine kunnen zijn.
1084 Het gleed een stukje weg in de modder, maar scheen nog steeds weg te vloeien tot het achter de taveerne verdween. Mart rende er achteraan. Hij zou niet hebben kunnen zeggen waarom, behalve dat het hem had proberen te doden en het opnieuw zou proberen. Zijn nekharen stonden recht overeind.
1085 Weer aarzelde het ding even. De achterdeur van de taveerne stond op een kier en Mart kon het geluid van feestvierende mensen horen. Het wezen stak zijn handen in een gat in de achtermuur van het gebouw tegenover de taveerne, waar een steen uit was gevallen. Mart verstijfde.
1086 Het wezen scheen nauwelijks wapens nodig te hebben, maar als het er daar een verstopt had... Hij geloofde niet dat hij het zou overleven als hij zich moest verdedigen tegen dat wezen met een wapen. De armen volgden de handen, en toen dook het hoofd van de gholam in het gat.
1087 Nee, ik zit hier al een poosje. Maar mijn slaapplaats op zolder in De Gouden Eend wordt nu ingenomen door een dikke oliekoopman uit Illian, die deze ochtend uit zijn kamer werd gezet om plaats te maken voor een Seanchaanse officier. Ik dacht dat ik vannacht iets in deze steeg kon vinden.
1088 Hij besefte dat de dobbelstenen nog steeds rondtolden in zijn hoofd. Hij was ze zowaar vergeten toen de gholam hem om zeep probeerde te helpen, maar ze kletterden nog steeds, lagen nog steeds niet stil. Als ze hem waarschuwden voor iets wat nog erger was dan de gholam, wilde hij het niet weten.
1089 Hij keek voortdurend om zich heen terwijl hij zich ondertussen afvroeg hoe klein het gat kon zijn waar dat ding doorheen kon. Hij merkte dat hij ongerust naar de spleten tussen de plavuizen liep te kijken. Hoewel het niet waarschijnlijk leek dat het ding openlijk op hem af zou komen.
1090 Op andere dagen behoorde het Mol Hara Plein op dit uur vol te zijn met slenterende verliefde paartjes, rondhangende venters en hoopvolle bedelaars, zelfs in de winter, maar na de komst van de Seanchanen waren de bedelaars opgepakt en aan het werk gezet, waarna de rest wegbleef, zelfs overdag.
1091 En, misschien nog belangrijker, het verblijf van hoogvrouwe Suroth Sabelle Meldarath, die voor de Seanchaanse keizerin, moge zij eeuwig leven, het bevel voerde over de Voorlopers. Zij bekleedde op dit moment een positie die van veel groter gewicht was dan die van Tylin.
1092 De koningin van Altara verlangde veiligheid en stilte voor haar rust. Dat had Suroth tenminste gezegd, en als Suroth iets had bedacht wat Tylin wenste, besliste de koningin al gauw dat ze dat inderdaad wilde. Mart dacht even na en bracht Noal toen naar de poorten van de stallen.
1093 Bijna de helft van de in grijs geklede vrouwen was donker gekleurd, zonder de sieraden die ze als windvindsters hadden gedragen. Er waren er nog meer in het paleis en elders; de Seanchanen hadden talloze Zeevolkschepen gekaapt die er niet in geslaagd waren weg te komen.
1094 Elk had een in Seanchan geboren damane naast zich, die haar hand vasthield of een arm om haar heen had geslagen, en die glimlachte of haar iets toefluisterde onder de goedkeurende blikken van de vrouwen met de armbanden die met zilverkleurige halsbanden waren verbonden.
1095 Een strenge moeder met een onhandelbaar kind, zoals ze naar de haar toevertrouwde damane keek. Teslyn Baradon was dikker geworden na anderhalve maand Seanchaanse gevangenschap, maar haar leeftijdloze gezicht zag er nog steeds uit alsof ze drie keer per dag doorns als eten kreeg.
1096 Teslyn was een harde, die waarschijnlijk voortdurend ontsnappingsplannen maakte, maar die hardheid kon je slechts tot een bepaald punt opbrengen. De Vrouwe der Schepen en haar Meester der Klingen waren zonder een kik te geven gestorven, maar het had hen niet gered van de brandstapel.
1097 Licht, wat zou het fijn zijn als die stomme dobbelstenen in zijn hoofd er gewoon mee ophielden! Dan had hij dat tenminste gehad. Nee, dat was een leugen. Toen het uiteindelijk tot hem was doorgedrongen wat ze betekenden, had hij gewild dat die dobbelstenen nooit meer zouden ophouden.
1098 Het was een lange, witgepleisterde kamer met een lage zoldering, met te veel bedden voor wie het tot nog toe hadden overleefd. Vanin lag als een kalende vetkwab in zijn hemdsmouwen met een boek op zijn borst te lezen. Mart was ooit verbaasd geweest dat de man kón lezen.
1099 Twee grepen hun jas al terwijl ze nog bezig waren hun hemden in hun broeken te proppen. Metwin, een jongensachtige Cairhienin die tien jaar ouder was dan Mart, greep zijn zwaard dat aan het voeteneind van zijn bed stond en trok een stuk van de kling uit de schede om de scherpte te bevoelen.
1100 Juilin Sandar kwam de hoek om rennen en liep bijna tegen hem aan. Met een gesmoorde vloek sprong de Tyreense dievenvanger achteruit en zijn donkere gezicht werd bleek, tot hij besefte wie hij bijna omvergelopen had. Toen mompelde hij een verontschuldiging en wilde langs hem glippen.
1101 In zijn donkere Tyreense jas die tot over de rand van zijn laarzen viel, zou Juilin tussen de bedienden opvallen als een eend in een kippenren. Suroth was strikt in die dingen, veel strikter dan Tylin. De enige reden die Mart kon bedenken, was die linke zaak waar Thom en Beslan bij betrokken waren.
1102 Thom mocht dan bij de bedienden slapen, hij had meteen beweerd dat het zijn eigen keuze was geweest, een eigenaardige karaktertrek. En niemand vond het vreemd om hem hier te zien, om misschien de kamers van Riselle binnen te glippen, die vroeger aan Mart hadden behoord.
1103 Juilin had behoorlijk zijn best gedaan om een dievenvanger te zijn, nooit en te nimmer een dievenpakker. Hij had al zoveel prikkelbare edelen en hooghartige kooplieden als iemand van gelijke stand uitdagend aangekeken, dat iedereen in het paleis wist wie en wat hij was.
1104 Ze wipte met haar been, waardoor haar groene en witte onderrokken opzwiepten. De uiterst lage halslijn van het lijfje was afgezet met lichtgroen kant en liet haar fraaie borsten half vrij, waartussen het met edelstenen versierde heft van haar trouwdolk bengelde. Ze was niet alleen.
1105 Tegenover haar zat Suroth, die fronsend in haar wijnbeker keek en met lange vingernagels op de armleuning van haar stoel tikte. Ze leek best knap, ondanks haar tot een opstaande kam gekapte haren, maar liet daardoor Tylin op een konijn lijken. Twee vingernagels van elke hand waren blauwgelakt.
1106 Het was vreemd, maar naast haar zat een klein meisje, eveneens in een drukbewerkt gebloemd gewaad dat over witte plooirokken viel. Ze had een sluier over haar hele hoofd – dat geheel geschoren leek – en droeg een fortuin aan robijnen. Al was hij nog zo geschokt, hij kon robijnen en goud herkennen.
1107 Haar opmerkelijke schoonheid plaatste zowel Tylin als Suroth in de schaduw. Al voelde Mart zich alsof hij met een hamer op zijn hoofd was geslagen, hij bleef mooie vrouwen opmerken. Maar het was niet de aanwezigheid van Suroth of die van de vreemdelingen waardoor hij met een ruk stil bleef staan.
1108 Het was een kleine vrouw van wie het goudkleurige haar voor de helft was afgeschoren, en met een boezem die die van Riselle zou kunnen overtreffen, maar haar gewaad van rode en gele vlakken was te hoogsluitend om daar zeker van te zijn. Niet dat hij ernaar verlangde erachter te komen.
1109 Sinds hij zijn bed weer had kunnen verlaten, was er geen dienstmeisje jonger dan zijn grootmoeder in haar vertrekken geweest. Suroth keek naar de jongeman alsof ze zich afvroeg wat hij was, schudde toen haar hoofd en richtte haar aandacht weer op Tuon, die de man wegwuifde.
1110 Nou ja, misschien was dat ook wel zo, maar slechts een heel klein beetje. Toch vond hij het niet leuk daaraan herinnerd te worden. Hij leunde op zijn stok en probeerde een gemakkelijke houding aan te nemen. Ze hadden een man per slot van rekening kunnen vragen om te gaan zitten.
1111 Tuons rokken ritselden toen ze over het tapijt naar hem toeliep. Het donkere gezicht achter die dunne sluier had mooi kunnen zijn als er niet die uitdrukking op had gelegen van een rechter die op het punt staat een doodvonnis uit te spreken. En met gewoon haar in plaats van die kale schedel.
1112 Al haar lange vingernagels waren felrood gelakt, merkte hij op. Hij vroeg zich af of dat iets betekende. Licht, een man kon voor de prijs van die robijnen jaren in weelde leven. Ze reikte met een hand naar zijn gezicht en legde haar vingertoppen onder zijn kin en hij wilde terugwijken.
1113 Ze liep langzaam om hem heen en bleef hem onderzoekend aankijken. Ze voelde met haar vingers aan het kant om zijn pols, raakte de zwartzijden halsdoek om zijn nek aan en lichtte de rand van zijn mantel op om het borduurwerk te bekijken. Hij verdroeg het en weigerde van houding te veranderen.
1114 Het was een meesterstuk van een gezel, om de kunde van de ambachtsman te tonen, en stelde een rennende vos en twee raven in de vlucht voor, alles omgeven door wassende manen. Hij had de ring toevallig gekocht maar hij was eraan gehecht geraakt. Hij vroeg zich af of ze de ring wilde hebben.
1115 Maar ik wil Tylin laten zien welke landen er voor haar in het verschiet liggen, zodat ze het zal weten en ze zich op haar gemak zal voelen. Er zijn kaarten in mijn vertrekken, Tylin. Wil je me de eer aandoen mij te vergezellen? Ik heb buitengewoon goede vrouwen om je te verzorgen.
1116 Hij zonk in een bamboestoel neer en liet zijn hoofd in zijn handen rusten. Elke andere tijd zouden die roze linten hem de gordijnen in hebben gejaagd. Hij had nooit moeten proberen om haar met gelijke munt terug te betalen. Zelfs de gholam was even uit zijn gedachten verdwenen.
1117 De grijze lucht bleef grijs en het bleef regenen. Op straat werd gepraat over een man met een opengereten keel die niet ver van de stad door een wolf gedood was. Niemand maakte zich echt zorgen; men was gewoon nieuwsgierig. In geen jaren waren zo dicht bij Ebo Dar wolven gezien.
1118 Harnan en de andere Roodarmen weigerden koppig om te vertrekken en beweerden dat ze hem voor aanvallen van achteren konden bewaken. Vanin weigerde zonder een reden op te geven, tenzij je zijn gemompelde bewering dat Mart een goed oog voor snelle paarden had, een reden noemde.
1119 Mart dacht dat Olver zelfs bereid leek te zijn het spelletje slangen en vossen, dat ze speelden voor het naar bed gaan, op te geven voor Riselle en de boeken. En als het joch de kamer uitrende die ooit aan Mart had toebehoord, glipte vaak Thom naar binnen, met zijn harp onder de arm.
1120 Als ze al verschil maakten tussen die mensen en de meubels. Het leek onwaarschijnlijk dat zo iemand twee keer keek naar een man uit de bediendenvleugel, maar het Licht wist dat vrouwen een rare smaak hadden als het om mannen ging. Hij was gedwongen Juilin met rust te laten.
1121 Dagenlang kwam er een stroom van mensen, dieren en goederen uit de nieuw aangekomen schepen. Als iedereen gebleven was, hadden de dikke stadsmuren onder de druk open kunnen barsten, maar velen trokken met hun gezin, werktuigen en vee door de stad naar het platteland om zich ergens te vestigen.
1122 Ze trokken noordwaarts in hun fel gekleurde wapenrustingen, en naar het oosten, over de rivier heen. Mart telde ze niet eens meer. Soms zag hij vreemde beesten, hoewel de meeste buiten de haven werden uitgeladen. Hij zag torms, die leken op drie ogige katten met bronzen schubben.
1123 Seanchan was een keizerrijk dat groter was dan alle landen tezamen tussen de Arythische Oceaan en de Rug van de Wereld, en dat alles onder een enkele keizerin, maar met een geschiedenis van voortdurende opstootjes en opstanden, die ervoor zorgden dat de soldaten scherp, geoefend en oplettend bleven.
1124 Uiteraard vertrokken niet alle soldaten. Er bleef een sterk garnizoen achter, dat niet alleen uit Seanchanen bestond, maar ook uit Taraboonse lansiers met hun metalen sluiers en Amadiciaanse piekeniers met beschilderde borstkurassen, zodat die op de Seanchaanse wapenrusting leken.
1125 En naast de wapenknechten van Tylins Huis ook Altaranen. Volgens de Seanchanen behoorden de Altaranen van het platteland, met de kriskras lopende rode strepen op hun kurassen, Tylin net zo goed toe als de schildwachten van het Tarasinpaleis. Dat leek haar gek genoeg niet al te best te bevallen.
1126 Het beviel de kerels uit de binnenlanden evenmin. De plattelanders en de groenwitte mannen van Mitsobar bekeken elkaar als vreemde katers in een klein hok. Er was genoeg onderlinge achterdocht. Tussen Taraboners en Amadicianen, tussen Amadicianen en Altaranen, enzovoorts.
1127 Alleen een dwaas verzette zich tegen de Doodswachtgarde, en nooit meer dan één keer. Een andere groep van de garde had zich ook in de stad gevestigd. Het waren Ogier, een honderdtal, in groen en zwart. Soms hielden ze de wacht met de anderen, soms liepen ze rond met grote bijlen op de schouders.
1128 Ze leken helemaal niet op Marts vriend Loial. Ze hadden uiteraard dezelfde brede neuzen, pluimoren, tot op hun wangen hangende wenkbrauwen en ogen zo groot als theekopjes, maar de Gardeniers bekeken een man alsof ze zich afvroegen welke ledematen gesnoeid moesten worden.
1129 Terwijl talloze Seanchanen Ebo Dar uitstroomden, stroomde het nieuws naar binnen. Zelfs terwijl ze op zolders moesten slapen, belaagden kooplieden de gelagkamers van herbergen, rookten er hun pijpen en vertelden wat ze wisten en wat niemand anders wist. Zolang het hun winst maar niet verkleinde.
1130 De wachters van de kooplieden gaven weinig om de winst, waar ze toch niet in meedeelden, en vertelden alles, en een deel ervan was nog waar ook. Zeelieden verspreidden verhalen aan iedereen die een kroes mede of, nog beter, een beker warme kruidenwijn voor hen betaalde.
1131 Maar het nieuws dat de meeste opschudding veroorzaakte was dat over Rhand. Mart probeerde zijn best te doen om niet aan hem en aan Perijn te denken, maar het was moeilijk om die vreemde kleurenwentelingen in zijn hoofd te vermijden als de Herrezen Draak op ieders lip lag.
1132 Nee, hij was zelf naar de Witte Toren getrokken en had gehoorzaamheid gezworen aan de Amyrlin Zetel. Dat laatste won veel aan geloofwaardigheid omdat een aantal lieden beweerde dat ze een proclamatie hadden gezien, die door Elaida zelf was ondertekend, waarin dit met zoveel woorden was aangekondigd.
1133 En wat dat andere betrof, hij geloofde nooit dat Rhand uit eigen beweging in de buurt van de Witte Toren zou komen. Herrezen Draak of niet, daar was hij verstandig genoeg voor. Dat nieuws – en al zijn verschillende versies – wond de Seanchanen op, zoals een stok een mierennest.
1134 De hele bos. Hij verbrandde ook een roze jas die ze voor hem had laten maken, twee paar roze broeken en een roze mantel. De kamers vulden zich met de stank van brandende wol en zijde, en hij opende een paar ramen om de stank te laten ontsnappen, maar hij gaf er eigenlijk niets om.
1135 Hij wilde nooit meer iets in die kleur zién! Hij zette zijn hoed op zijn hoofd en hobbelde het Tarasinpaleis uit, opnieuw vastbesloten een plekje te vinden voor zijn eigendommen die hij nodig had om te ontsnappen, al moest hij elke taveerne en elke zeemanskelder in de stad tien keer bezoeken.
1136 Zelfs die in de Rahad. Honderd keer desnoods! Grijze zeemeeuwen en schaarbekken met zwarte vleugels wervelden rond in een loodgrijze lucht met nog meer regen. Een ijzige wind die de scherpe geur van zout met zich meedroeg, geselde het Mol Hara Plein en liet mantels opwapperen.
1137 Hij stampte op de kasseien alsof hij elke steen wilde laten barsten. Licht, als het niet anders kon, vertrok hij met Luca in de kleren die hij nu droeg. Misschien liet Luca hem als paljas werken! Die vent zou er waarschijnlijk op staan. Het zou hem tenminste vlak bij Aludra en haar geheimen houden.
1138 Hij stampte het hele plein over voor hij besefte dat hij voor een bekend wit gebouw stond. Het uithangbord boven de deur gaf aan dat het De Zwerfster was. Er kwam een lange man naar buiten in een roodzwarte wapenrusting. Op de helm onder zijn arm zaten drie dunne zwarte veren.
1139 Hij stond te wachten tot men zijn paard gebracht had. De man had een bolrond gezicht en grijs haar aan de slapen. Hij keek niet naar Mart en Mart vermeed het om hem aan te kijken. Ook al zag de man er aardig uit, hij was en bleef een Doodswacht gardist, en ook nog eens een baniergeneraal.
1140 Bovendien hadden de mannen en vrouwen die bij een dienster meer drank bestelden, ook dat neerbuigende gedrag van officieren. Het betekende dat hun bazen een rang hadden die moeilijkheden kon veroorzaken. Enkelen merkten hem fronsend op en hij stond op het punt weer te vertrekken.
1141 Ze wist dat hij geacht werd een edelman te zijn, maar hij wist niet zeker of ze dat nog geloofde, of dat het hem van nut kon zijn als ze die onzin nog steeds slikte. Hoe dan ook, ze zag hem meteen en glimlachte vriendelijk en verwelkomend, wat haar gezicht nog veel aardiger maakte.
1142 Haar gespierde echtgenoot was de kapitein van een vissersboot met meer littekens van tweegevechten dan Mart lief was. Ze wilde onmiddellijk horen over Elayne en Nynaeve en tot zijn verbazing ook of hij iets van de Kinne wist. Hij had nooit geweten dat zij ooit van hen gehoord had.
1143 Haar donkergroene rok, die aan de linkerkant was opgenomen, toonde rode onderrokken. Ebodaranen volgden volgens hem ketellappers op de voet bij hun keus van kleuren. Her geroezemoes van de Seanchanen overstemde bijna de harde klanken van de muziek en ze zat hem streng aan te kijken.
1144 Ze leek op een kat die grinnikte! Een Seanchaanse in een roodblauwe wapenrusting en het gezicht van een buizerd genoot zozeer van de vertoning dat ze hem een zware zilveren munt met vreemde tekens toewierp: aan de ene kant een streng vrouwengezicht en aan de andere kant een soort van zware stoel.
1145 En zijn ronde buik schudde altijd van het lachen. Een tijdlang leek het erop dat hij na Naleseans dood met Nerim wilde wedijveren als het ging om het slaken van verzuchtingen, want dat deden ze bij het minste of geringste, maar de laatste weken was hij weer in zijn oude doen.
1146 Hij kon altijd nog een nieuwe boog maken, maar hij was niet van plan om de ashandarei achter te laten. Ik heb een te hoge prijs voor dat vervloekte ding betaald om hem achter te laten, dacht hij, en voelde aan het litteken onder de halsdoek. Een van de eerste, tussen te veel andere littekens.
1147 Of een vrouw die hij niet wilde of zelfs niet kende. Er moest meer zijn. Maar eerst moest hij heelhuids uit Ebo Dar zien te komen. Dat was het voornaamste. Lopin en Nerim verdwenen al buigend, met de inhoud van twee dikke geldbeurzen gelijkmatig verspreid over hun kleren, zodat er niets uitpuilde.
1148 Tylin maakte ernst van haar bezigheden en een tijdje vergat hij vuurwerk, Aludra en ontsnappen. Een tijdje... Na enig zoeken vond hij uiteindelijk een klokkengieter. Er waren een aantal gongenmakers in Ebo Dar, maar slechts één klokkenmaker, met een gieterij buiten de westermuur.
1149 Takelkettingen hingen aan de zolderbalken en uit de oven sloegen opeens vlammen die flakkerende schaduwen wierpen en Mart bijna verblind achterlieten. Hij had het beeld van een laaiend vuur nog niet weggeknipperd of een volgende uitbarsting deed hem opnieuw zijn ogen dichtknijpen.
1150 Mart probeerde Aludra te vermurwen, maar ze had net zo goed zelf uit gegoten brons kunnen bestaan. Ze was gelukkig aanzienlijk zachter dan brons toen ze hem eindelijk toestond zijn arm om haar heen te slaan, maar zijn kussen, die haar lieten beven, deden niets af aan haar standvastigheid.
1151 Ze trok haar haren strak naar achteren en bestudeerde zichzelf in de vergulde spiegel in haar slaapkamer; maar ze wilde eerst aan het idee wennen. Ze schikte zich in het leven met de Seanchanen en dat kon hij haar niet kwalijk nemen, hoeveel duistere blikken Beslan zijn moeder ook toewierp.
1152 Hij vond het ook niet erg dat hij zich een muis voelde die het speeltje van een kat was. Er waren echter maar weinig uren daglicht beschikbaar, al waren het er meer dan hij thuis in de winter gewend was, en een tijdlang vroeg hij zich of ze die allemaal wilde gebruiken.
1153 Niemand was bevriend met Suroth. Tylin leek Tuon als een soort aangenomen dochter te beschouwen, al leek het omgekeerde evenzeer het geval. Tylin vertelde hem weinig over de dingen die ze met hen besprak, soms zei ze iets vaags en algemeens, maar meestal vertelde ze helemaal niets.
1154 De drie Seanchaanse vrouwen – vier, met inbegrip van Selucia, maar hij dacht niet dat zij dat zo zagen – stonden vlak om de hoek bij elkaar. Terwijl hij de gang angstvallig afspeurde naar glimlachende dienstmeisjes, wachtte hij ongeduldig tot het viertal verder zou lopen.
1155 Nou ja, hij was er toch niet echt op gebrand geweest om onmiddellijk te vertrekken. Tuon maakte hem bezorgd. Als hij haar in de gangen zag, maakte hij zijn fraaiste buiging, terwijl zij hem volkomen negeerde, net als Suroth en Anath, maar hij kreeg de indruk dat ze elkaar iets te vaak tegenkwamen.
1156 Hij bevroor bij de aanblik van haar vingers die over de woorden gleden die in de Oude Spraak in de zwarte schacht waren gesneden. Aan het begin en eind van de regel stond een raaf in een nog donkerder stukje metaal, terwijl er ook nog twee op de ietwat gebogen kling waren gegraveerd.
1157 Voor de Seanchanen waren raven een keizerlijk zegel. Hij hield zijn adem in en probeerde geluidloos achteruit te lopen. Het gesluierde gezicht draaide zich naar hem toe. Het was een lief gezicht, dat zelfs knap genoemd kon worden als ze niet een gezicht trok alsof ze op een bundel doorntakken beet.
1158 Hij vond niet langer dat ze er als een jongen uitzag – haar ingesnoerde, brede gordels zorgden ervoor dat je haar ronde vormen zag – maar het scheelde niet veel. Hij zag zelden een volwassen vrouw zonder even te denken hoe het zou zijn om haar te kussen of met haar te dansen.
1159 Natuurlijk werd ze niet altijd gevolgd door Anath, Selucia of lijfwachten, maar hij kreeg de indruk dat ze veel te vaak opdoemde en naar hem keek als hij zich opeens omdraaide. Het gebeurde ook vaak dat als hij een kamer verliet, zij aan de andere kant van de deur stond.
1160 Meer dan eens keek hij bij het verlaten van het paleis over zijn schouder en zag hij haar gesluierde gezicht achter een venster. En ze staarde echt niet. Ze keek hem aan en liep dan weer verder, alsof hij niet meer bestond. Ze keek uit een raam en draaide zich om zodra hij haar opgemerkt had.
1161 Zijn vossenzegel werkte goed, maar een grote mensenmassa was beter. Bovendien wist hij zeker dat Aludra zich de laatste keer bijna iets had laten ontvallen, voor ze zich beheerste en hem haastig haar wagen uitwerkte. Een vrouw zou je alles vertellen als je haar maar vaak genoeg kuste.
1162 Maar hij begon zich zorgen te maken over die ruimte. Het was goed genoeg voor een kist. Een man zou zijn beitels moeten breken om erin te komen. En hij had toen in de herberg zelf gewoond. Nu kieperde Setalle het goud gewoon in het gat nadat ze iedereen had weggestuurd.
1163 Aan een tafel zaten drie mannen en een vrouw in hun lange geborduurde kleren te kaarten en pijp te roken. Ze hadden allemaal hun hoofd geschoren op de manier van de lagere edellieden. Marts aandacht werd getrokken door de gouden munten op hun tafel; ze speelden om een hoge inzet.
1164 De grootste stapel munten lag voor een kleine man met zwart haar die even donker was als Anath. Met in zijn mond een in zilver gevatte pijpensteel zat hij als een roofdier naar zijn tegenstanders te grijnzen. Maar Mart had zijn eigen goud en hij had evenveel geluk met kaarten als met dobbelstenen.
1165 Tijdens zijn verblijf in de herberg waren er twee man door zijn hand gestorven. Het waren weliswaar dieven geweest die geprobeerd hadden om zijn schedel te splijten, maar zulke dingen gebeurden niet in De Zwerfster. Ze had hem duidelijk gemaakt dat ze blij was zijn rug te zien toen hij opstapte.
1166 Hij kon niet begrijpen waarom het onthullen van wat meer onderrok zo schandalig was, terwijl iedere vrouw zo in Ebo Dar rondliep en haar halve boezem liet zien, maar als Marah zich een beetje losbandig voelde, zouden een paar vleierijtjes het hem misschien gemakkelijker maken.
1167 Niemand wilde graag in de gelagkamer wachten. Elke stoel was door een Seanchaan bezet, en nog meer mannen en vrouwen stonden. Het waren er zoveel dat de meiden gedwongen waren heel behoedzaam tussen iedereen door te lopen, terwijl ze bladen met eten en drinken omhooghielden.
1168 Caira vulde de beker van de donkere kleine man en bood hem de zwoele glimlach die ze Mart ooit eens had geschonken. Hij wist niet waarom ze nu iets tegen hem had, maar hij had op dit moment al genoeg met vrouwen te stellen. Wat was trouwens een luchtkapitein? Daar moest hij achter zien te komen.
1169 Alle meisjes leken bezig, dus keek Marah hem voor de laatste keer lelijk aan. Toen stoof ze weg en probeerde ze een vriendelijke glimlach op haar gezicht te toveren. Wat haar niet zo best afging. Mart hield zijn wandelstok van zich af en maakte een zwierige buiging naar haar verdwijnende rug.
1170 Zes zwetende vrouwen en drie keukenjongens renden rond onder de bevelen van de meester kokkin. Enid droeg een sneeuwwitte schort als was die de tabberd van een hoog ambt, en regeerde met een houten pollepel over haar gebied. Ze was de dikste vrouw die Mart ooit had gezien.
1171 Bloed en as! Iedereen wist het echt! Ik moet deze vervloekte stad uit, dacht hij, of ik hoor ze de rest van mijn leven lachen. Plotseling leek zijn angst over het goud dwaasheid. De grijze vloertegel voor de bakstoven lag stevig op zijn plaats en verschilde niet van de andere in de keuken.
1172 Lopin en Nerim zouden het hem gezegd hebben als er ook maar een enkele gouden munt tussen hun bezoeken verdwenen was. Vrouw Anan zou waarschijnlijk de schuldige hebben opgespoord en gevild als er iemand zou proberen iets in haar herberg te jatten. Hij kon beter vertrekken.
1173 Misschien zou ze hem eten geven. Hij was het paleis uit geglipt zonder te eten. Om dus geen nieuwsgierigheid over zijn bezoek te wekken, vertelde hij Enid hoezeer hij genoten had van haar visschotel en hoeveel beter die was dan die in het Tarasinpaleis. Hij hoefde geen haartje te overdrijven.
1174 Voor hem. Iemand in de gelagkamer kon wel even wachten, zei ze, en plaatste het bord aan het hoofd van de lange keukentafel. Ze wuifde met haar lepel en een stevige keukenhulp bracht hem een kruk. Hij keek naar de knapperige gouden platvis en voelde het water in zijn mond lopen.
1175 Ze sloot haastig de deur achter zich en hield haar vochtige mantel aan en de kap diep over haar gezicht getrokken. Hij kwam overeind, ving een glimp van het gezicht in de kap op en schopte bijna zijn kruk omver. Hij maakte een buiging voor de vrouw maar zijn hoofd spon.
1176 Ondanks hun klagende gemompel over de regen en kreten over verbrand eten was het duidelijk dat ze dit evenzeer gewend waren als Enid. Zijzelf keek niet eens naar vrouw Anan en haar gezellin voor ze zich door de deur naar de gelagkamer haastte, waarbij ze haar pollepel als een zwaard omhooghield.
1177 Plus een leeftijdloos gezicht, dat uitschreeuwde dat ze een Aes Sedai was. Met tientallen Seanchanen aan de andere kant van een deur die bewaakt werd door een kokkin met een pollepel. Joline trok haar mantel uit en hing hem aan een haak, en vrouw Anan maakte een geërgerd geluid in haar keel.
1178 Mart negeerde het protest van zijn been en bewoog sneller dan hij ooit in zijn hele leven had gedaan. Hij greep Joline om haar middel en schoof op de bank naast de deur naar het erf met de Aes Sedai op zijn schoot. Hij hield haar dicht tegen zich aan en deed net of hij haar kuste.
1179 Het was een dwaze manier om haar gezicht te verbergen, maar het was het enige dat hij kon bedenken, of hij moest een mantel over haar hoofd gooien. Ze zuchtte verontwaardigd, maar de angst vergrootte haar ogen toen ze de Seanchaanse stem hoorde, en in een flits sloeg ze haar armen om hem heen.
1180 Een lange vrouw met scherpe blauwe ogen in een bleek en streng gezicht kwam achter hem aan. Ze sloeg een geborduurde, blauwe mantel terug die bij haar keel werd vastgehouden door een lange zilveren speld in de vorm van een zwaard. Onder haar mantel waren plooien van een lichter blauw zichtbaar.
1181 Een klein beetje beter. Enid besefte dat de strijd was verloren en trok zich terug, maar aan de manier waarop ze haar pollepel vastgreep en woest naar de man staarde, was te zien dat ze gereed was om er in een oogwenk weer op los te slaan als vrouw Anan daartoe bevel zou geven.
1182 Toen de deur achter het stel dichtsloeg, probeerde hij Joline van zijn schoot te schuiven, maar ze klampte zich aan hem vast en begroef haar gezicht tegen zijn schouder en huilde zachtjes. Enid slaakte een diepe zucht en zakte tegen de werktafel aan alsof haar botten zacht geworden waren.
1183 Ze blies zorgvuldig de houtsplinter uit voor ze de hoge glaskap liet zakken en legde toen de rokende splinter op een klein tinnen bordje. Zonder enige haast haalde ze een grote sleutel uit haar beurs, maakte het ijzeren slot open en gebaarde hem ten slotte om voor te gaan.
1184 De trap erachter was breed genoeg voor de vaten, maar ook steil en hij verdween in de duisternis. Mart gehoorzaamde maar wachtte op de tweede trede, terwijl vrouw Anan de deur dichttrok en weer op slot deed. Ze ging hem weer voor en tilde de lamp hoog op. Hij kon nu helemaal geen valpartij hebben.
1185 Dat wilde hij ook wel, maar hij kon de woorden niet over zijn lippen krijgen. Hij zou als dat kon iedereen helpen om aan de Seanchanen te ontsnappen en hij was Joline Maza iets verschuldigd. De Zwerfster was een herberg met een goede voorraad en de donkere kelder was groot.
1186 Er strekten zich doorgangen uit tussen liggende wijn en biervaten, hoge bakken met aardappelen en koolrapen die op verhogingen boven de stenen vloer stonden, rijen met lange planken waarop zakken gedroogde bonen, erwten en pepers lagen, en stapels houten kratten met het Licht mocht weten wat.
1187 Er scheen weinig stof te zijn, maar de lucht had die droge geur die eigen is aan een goede voorraadkamer. Hij herkende zijn kleren, die netjes opgevouwen op een lege plank lagen – tenzij iemand anders hier beneden kleren bewaarde – maar hij kreeg niet de kans ernaar te kijken.
1188 Hij stond op en ging tussen de twee vrouwen in staan, want hij zag vrouw Anan er best voor aan om Joline een klap te geven, Aes Sedai of geen Aes Sedai. En Joline leek niet in de stemming om de mogelijkheid te overwegen dat er een damane boven zat die kon voelen wat ze zou doen als ze terugsloeg.
1189 Het bericht was in de zak van zijn jas gestopt en had helemaal niet op zijn kussen gelegen. En dat betekende dat hij zich vergist had over bij wie hij in het krijt stond. Hij vertrok zonder Joline of vrouw Anan op de leugen te wijzen. Ook al zei hij er niets van, het bleef een leugen.
1190 Toen hij terug was in het Tarasinpaleis, ging hij rechtstreeks naar Tylins vertrekken en legde zijn mantel over een stoel om te drogen. De regen sloeg tegen de ruiten. Hij legde zijn hoed op een vergulde klerenkast, droogde zijn gezicht en handen af en overwoog een andere jas aan te trekken.
1191 Vochtig. Licht! Hij gromde van afkeer, verfrommelde de gestreepte handdoek en wierp hem op bed. Hij treuzelde en hoopte zelfs – een klein beetje dat Tylin naar binnen zou komen en het mes in de bedstijl zou steken, zodat hij kon uitstellen wat hij moest doen. Joline had hem geen keus gelaten.
1192 Het paleis was vrij eenvoudig gebouwd, als je er op een bepaalde manier naar keek. Bedienden woonden op de laagste verdieping naast de keukens, en een paar in de kelders. De verdieping daarboven bevatte de ruime, voor iedereen toegankelijke zalen en de krappe hokjes van de schrijvers.
1193 Op de verdieping daar weer boven lagen de vertrekken voor de minder belangrijke gasten, die voor het merendeel nu bezet waren door Seanchanen. Op de bovenste verdieping bevonden zich Tylins vertrekken en de kamers voor belangrijke gasten, zoals Suroth, Tuon en een paar anderen.
1194 Wat er gestaan had voor de komst van de Seanchanen, was weggehaald en de ruimte was volgebouwd met kleine houten kamertjes, elk met zijn eigen deur. Eenvoudige staande lampen verlichtten de smalle gangetjes tussen de kamertjes. De regen die op het dak vlak boven zijn hoofd roffelde, was luid.
1195 Ze zouden er wel achter komen dat hij hier geweest was, maar pas nadat hij gevonden had wat hij nodig had, als hij tenminste snel was. De moeilijkheid was dat hij niet wist waar haar kamer was. Hij liep naar het eerste kamertje en hield de deur lang genoeg open om naar binnen te gluren.
1196 De meeste ruimte in de kamer werd ingenomen door het bed, een wastafel met een lampetstel en een kleine spiegel. Aan haken in de muur hingen een paar grijze kleren. De zilveren leiband liep in een boog van de zilveren halsband om haar nek naar de zilveren armband aan een haak in de muur.
1197 De gaatjes op de plaats waar haar oorringen en neusring hadden gezeten, hadden nog niet de tijd gehad om te helen. Ze zagen eruit als wonden. Toen de deur openging, kwam haar hoofd omhoog. De bange blik in haar ogen ging over in een vragende, misschien vermengd met iets van hoop.
1198 Hij sloot die deur zachtjes alsof hij probeerde een koek van vrouw Alveren onder haar neus weg te kapen. Misschien was de blonde vrouw geen Seanchaanse, maar hij wilde het risico niet lopen. Een dozijn deuren verder haalde hij opgelucht adem, gleed naar binnen en trok de deur achter zich dicht.
1199 Mart zuchtte en leunde naast haar aan haken hangende kleren tegen de muur. Ze wist wat er in het briefje had gestaan, een waarschuwing voor Elayne en Nynaeve. Licht, hij had gehoopt dat zij het niet geweest was, dat iemand anders dat stomme papier in zijn zak had gestopt.
1200 Het had trouwens niets geholpen. Ze wisten allebei dat Elaida achter hen aan zat. Het briefje had niets veranderd! Teslyn had trouwens niet eens echt geprobeerd om hen te helpen. Ze had alleen maar Elaida de voet dwars willen zetten. Hij kon weglopen met een zuiver geweten.
1201 Door en door een Aes Sedai. Bied haar aan om te helpen en voor je het weet laat ze je midden in de nacht een enorme rots beklimmen om vijftig mensen uit een kerker te helpen. Dat was een andere man geweest, iemand die al heel lang dood was, maar hij herinnerde het zich, en het klopte precies.
1202 Hij wist zeker dat Teslyn Edesina zo snel mogelijk zou inlichten. Drie vrouwen die weleens ongeduldig zouden kunnen worden als het hem niet snel lukte hen in veiligheid te brengen. Vrouwen hielden van praten, en als ze genoeg praatten, verklapten ze zaken die beter onbesproken konden blijven.
1203 En het uur kon weleens slaan door de bijl van een beul. Veldslagen kon hij met gemak in zijn hoofd terughalen, maar die oude herinneringen schenen hier niet veel hulp te bieden. Hij had iemand nodig die gewend was aan plannen maken en die op een kromme manier kon denken.
1204 Ze zorgde er altijd voor dat ze toonbaar was, alsof ze elk moment geroepen kon worden om voor iemand van het Hoge Bloed te verschijnen. Ze zei niets tegen Renna, die vandaag samen met haar de ronde moest doen. Ze werden geacht een toegewezen taak uit te voeren, niet om wat te kletsen.
1205 De regen was eindelijk opgehouden en veroorzaakte diepe stilte rond de hokken boven op zolder. Vandaag mochten de damane gelukkig wat oefenen – de meesten begonnen te mokken als ze te lang in de hokken moesten blijven – maar helaas was ze vandaag niet aangewezen om met ze rond te lopen.
1206 Hetzelfde gold voor Seta, die na Falme in Suroths persoonlijke dienst was opgenomen. Bethamin vond het net als iedereen heerlijk om boven een beker wijn te roddelen over het Bloed en wie hen dienden, maar als het gesprek op Renna en Seta kwam, hield ze haar mond. Ze dacht echter wel vaak aan hen.
1207 Ze tekende hun boosheid niet aan voor straf zoals sommigen gedaan zouden hebben. Deze damane dachten nog steeds dat zij verzet boden, maar de ongepaste eisen voor de teruggave van hun opzichtige sieraden waren al iets uit het verleden, en ze knielden en spraken op de juiste manier.
1208 Maar haar gezicht was gezwollen van het huilen, en ze was amper neergeknield of een nieuwe huilbui deed haar schokken terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Het grijze gewaad dat met zorg voor haar gemaakt was, hing nu los om haar heen, en ze was hiervoor al niet stevig geweest.
1209 Ze doopte de pen met de stalen punt in het inktpotje en schreef op dat Zushi ergens buiten het paleis moesten worden ondergebracht in een dubbel hok met een damane van het keizerrijk, bij voorkeur iemand die er goed in was om de boezemvriendin van pas beteugelde damane te worden.
1210 Suroth had deze damane uiteraard voor de keizerin opgeëist – iedereen die maar een tiende hiervan persoonlijk bezat, zou verdacht worden van het beramen van een opstand of daar zelfs rechtstreeks van beschuldigd worden – maar ze gedroeg zich alsof de damane haar persoonlijk eigendom waren.
1211 Als Suroth dit niet toestond, moest ze iets anders bedenken. Bethamin weigerde om een damane aan wanhoop te verliezen. Ze weigerde een damane om welke reden dan ook te verliezen! De tweede die een bijzondere aantekening kreeg, was Tessi, en bij haar verwachtte ze geen bezwaren.
1212 Zodra Bethamin de deur opende, knielde de Illiaanse met gevouwen handen neer. Haar bed was opgemaakt, haar andere grijze kleren hingen netjes aan de haken, haar borstel en kam lagen netjes naast elkaar op de wastafel en de vloer was geveegd. Bethamin had niet anders verwacht.
1213 Ze werd ook wat dikker nu ze geleerd had om haar bord leeg te eten. Behalve nu en dan wat snoepgoed werd aan het eten streng de hand gehouden; een ongezonde damane was verspilling. Maar Tessi zou nooit met linten getooid worden en meedingen naar de plaats van mooiste damane.
1214 Met een vinger tegen haar kin nam Bethamin bedachtzaam de knielende damane op. Ze wantrouwde iedere damane die zichzelf Aes Sedai had genoemd. Geschiedenis boezemde haar grote belangstelling in, en ze had zelfs vertalingen gelezen uit de enorme hoeveelheid talen van vóór de Bestendiging.
1215 Ze hadden met veel genoegen vastgelegd hoe ze aan de macht waren gekomen, buurlanden hadden vermorzeld en andere heersers hadden verslagen. De meesten waren omgekomen bij aanslagen, vaak door de handen van hun eigen erfgenamen of volgelingen. Ze wist heel goed wat Aes Sedai waren.
1216 Ze zou er niet blijven, maar alleen wat geld uit haar afgesloten kist pakken. De ronde was vandaag haar enige taak geweest en de rest van de dag was voor haarzelf. In plaats van nog wat taken te zoeken, wat ze normaal gesproken altijd deed, zou ze wat tijd nemen om aandenkens te kopen.
1217 Ze had wat ontspanning nodig. De stenen van het Mol Hara Plein glinsterden nog steeds van de regen van vanmorgen en de lucht rook prettig naar zout en herinnerde haar aan haar geboortedorp bij de Zee van Leye. De kou dwong haar om haar mantel stevig om zich heen te slaan.
1218 Maar de gedachten aan thuis boden haar nu geen troost. Terwijl ze haar weg zocht door de drukke straten, bleef ze piekeren over Renna en Seta. Ze was zo verstrooid dat ze tegen mensen aanbotste en eenmaal zelfs pal voor een rij wagens belandde van een koopman die de stad verliet.
1219 Maar het gezicht van die wanhopige twee vrouwen bracht ongewilde vragen aan het oppervlak. Vragen die een ander en beangstigend licht wierpen op alles wat altijd werd aanvaard. Zag ze bijna de wevingen of zag ze die nou echt? Soms meende ze dat ze het geleiden ook kon voelen.
1220 In plaats daarvan had ze zich in alle verwarring van een paard voorzien en was zo snel en zo ver mogelijk weggevlucht. Ze besefte dat ze voor een ruit stilstond en naar de uitstalling van een kleermaakster staarde, zonder te zien wat er binnen getoond werd. Niet dat ze iets van binnen wilde.
1221 De blauwe kleding met het rode vlak en de bliksems was de enige die ze al die jaren gedacht had te zullen dragen. En ze wilde zeker niet iets dragen wat haar onfatsoenlijk onthulde. Haar rok zwaaide om haar enkels toen ze doorliep, maar ze kon Renna en Seta niet uit haar gedachten bannen.
1222 Alwhin had haar plicht gedaan en was geëerd door Suroths Stem te worden. Ook Suroth had ondanks haar grote afkeer haar plicht vervuld. Er zou geen nieuwe proef bedacht worden. Haar eigen vlucht was dus overbodig geweest en dan, tja, dan zou ze niet in Tanchico terecht zijn gekomen.
1223 Er zou vreugde heersen in de stad en in het land als Tuon eindelijk zou onthullen wie ze was. En er zouden feesten zijn alsof ze net was aangekomen. Ze voelde een schuldig soort plezier als ze aan de Dochter van de Negen Manen dacht, alsof ze iets verbodens als kind had gedaan.
1224 Dat was allebei waar, maar als het nodig was geweest, had ze gelogen. De Gouden Zwanen was niet gevorderd, en ze deelde liever met drie een bed dan op een hooizolder te belanden. Ze probeerde uit te vinden of de vrouw het op prijs zou stellen als ze straks een kleinigheidje voor haar zou kopen.
1225 Ze kon de manier waarop vrouw Shoran over hen dacht, niet veranderen. De herbergierster bleef geloven dat zij hun vrije tijd allemaal met uitspattingen doorbrachten. Ze keek nog steeds verontwaardigd toen Bethamin de trap opliep en deed of winkelen het enige in haar gedachten was.
1226 Ze maakte zich niettemin wel degelijk zorgen over de onbekende man. Ze herkende hem beslist niet. Het was heel goed mogelijk dat hij op haar onderzoek was gestuit, en als hij haar had kunnen opsporen, was ze dus niet voorzichtig genoeg geweest. Misschien was ze wel gevaarlijk onvoorzichtig geweest.
1227 Ze hoopte dat hij terug zou komen. Ze moest het weten. Ze moest! Ze opende de deur naar haar kamer en bleef stokstijf staan. Het was onmogelijk, maar haar ijzeren kist stond met opengeslagen deksel op het bed. Er zat een heel goed slot op, en de enige sleutel zat in haar buidel.
1228 Hoe had de man in Lichtsnaam voorbij de waakzame vrouw Shoran kunnen komen? Ze verstijfde slechts een ogenblik. Toen trok ze haar mes uit de riem schede en wilde om hulp schreeuwen. Het gezicht van de man veranderde niet en hij probeerde niet weg te rennen of haar aan te vallen.
1229 Ze snakte naar adem en als verdoofd frommelde ze het mes terug, waarna ze haar handen spreidde om aan te geven dat ze geen wapens had en niet probeerde er een te pakken. In zijn vingers hield hij een goudgerande ivoren schijf waarin een raaf en een toren waren uitgesneden.
1230 Ineens herkende ze de blonde man van middelbare leeftijd. Wat vrouw Shoran over knap had gezegd, klopte wel, maar alleen een dwaas dacht op die manier aan een Waarheidszoeker. Ze had, het Licht zij dank, niets gevaarlijks in haar dagboek geschreven. Maar hij moest iets weten.
1231 Ze probeerde niet te verbergen hoezeer ze beefde. Ook iemand van het Bloed, zelfs iemand van het Hoge Bloed, zou piepen als hij door een Zoeker ondervraagd werd. Er restte haar een vage hoop. Hij had haar niet gevraagd hem te vergezellen. Misschien wist hij het toch niet.
1232 Het Licht zij geprezen! Het Licht zij geprezen in al zijn oneindige barmhartigheid! Ze had slechts willen weten of de vrouw in leven was en of ze voorzorgen moest nemen. Egeanin had haar ooit bevrijd; Bethamin kende haar toen al tien jaar en Egeanin was altijd een toonbeeld van plichtsbesef geweest.
1233 Er was nog steeds een mogelijkheid dat ze die ene dwaling zou betreuren, maar dat was wonder boven wonder niet gebeurd. En de Zoeker zat achter haar aan, niet... Er doemden mogelijkheden voor haar op, feiten, en ze verloor elke neiging om te lachen. In plaats daarvan maakte ze haar lippen nat.
1234 Je overleeft het echter niet als je er niet in slaagt om te doorgronden wat je tegemoet treedt. Als je ook maar iemand iets vertelt van wat ik je nu ga zeggen, zul je dromen van de Toren van de Raven. Je zult erover dromen, een te verwachten vrees van waar je zult belanden.
1235 Hij vermoedde dat zij een gevaar voor het rijk was. En door zijn dood lukte het haar het bevel over de Voorlopers te verwerven. Ik kan niet bewijzen dat ze zijn dood bevolen heeft, maar er is veel wat in die richting wijst. Suroth bracht een jonge damane naar Falme, een Aes Sedai.
1236 En zij worden van binnenuit geholpen door de giftige worm van verraad. Ik durf haar niet te grijpen voor ik de hele worm kan doden. Egeanin is een lijn die ik kan volgen naar de worm, en jij bent een lijn naar Egeanin. Dus ga jij je vriendschap met haar weer oppakken, wat her ook mag kosten.
1237 Haar lichtblauwe rok vormde een waaier over haar benen en ze probeerde heel stil te liggen, zodat ze de smalle plooien niet al te erg verkreukelde. De manier waarop een rok je in je beweging belemmerde, moest wel betekenen dat de rok een uitvinding van de Duistere Heer was.
1238 Al liggend bekeek ze haar nagels, die te lang waren om haar handen rond een touw te slaan zonder minstens de helft ervan te breken. Niet dat ze met haar eigen handen de laatste jaren een touw had ingehaald, maar ze was er altijd klaar voor en bereid het te doen als dat noodzakelijk was.
1239 En ze moest toegeven dat ze na eenmaal tot Voorloper te zijn gekozen, zelfs aan de kans op een nieuwe naam dacht. Ze hoopte er niet vast op, want daarmee zou ze boven zichzelf stijgen, maar iedereen had geweten dat de herovering van de gestolen landen nieuwe namen aan het Bloed zou toevoegen.
1240 Suroth zei dat ze haar geloofde, maar waarom had ze dan in Cantorin moeten blijven? En waarom moest ze toen de bevelen eindelijk kwamen zich hier melden en niet op een schip? Er was uiteraard maar een beperkt aantal posten beschikbaar, zelfs voor een Kapitein van het Groen.
1241 Ze had trouwens al op zeewater geleefd als die Zoeker zijn verdenkingen had geuit. Hij wist waarschijnlijk nog niet genoeg, want anders zou ze nu ongetwijfeld in een kerker zitten krijsen, maar als hij ook in deze stad was, zou hij haar in de gaten houden om haar te betrappen op een misstap.
1242 Ze had hem een keer geslagen en daarna had hij geweigerd in haar bed te komen tot ze haar verontschuldigingen had aangeboden. Verontschuldigingen! Haastig bedacht ze wat ze van zijn gemopper had opgevangen. Inderdaad, na al die maanden nog steeds dezelfde dingen en niets nieuws.
1243 Het was geen toeval of geluk, Baile, en dat weet je best. Hun eerste aanroep was een eis te weten of je de Zeehavik was. Door jou te laten oploeven en hun te zeggen dat we onderweg naar Cantorin waren met een geschenk voor de keizerin, moge zij eeuwig leven, heb ik hun verdenkingen gesust.
1244 Haar jaren op zee waren redelijk winstgevend geweest en de hoeveelheid goud die ze bezat, was voor iemand van het Bloed waarschijnlijk slechts een habbekrats, maar ze kon er best een schip van kopen, zolang hij maar geen grootschip wenste. Ze had niet ontkend dat ze zich een boot kon veroorloven.
1245 Dat laatste was altijd een eerste eis van haar geweest. Ze was echter niet bekend met zijn gewoonten. Op sommige plaatsen in het rijk vroegen de mannen een vrouw en waren ze beledigd als een vrouw voorstelde om te gaan trouwen. Ze wist niet hoe ze een man kon verleiden.
1246 Ze gaf hem een por in de ribben. Niet hard. Net genoeg om hem te laten kreunen. Hij moest het leren! Ze wilde de fraaie plekjes in Ebo Dar niet eens meer zien. Ze wilde lekker hier in Bailes armen blijven, niets te hoeven beslissen en heerlijk hier blijven, op deze plek, voor altijd.
1247 Hij had inmiddels al wel zoveel geleerd om nu niet te protesteren. Hij trok zijn jas goed en zij schudde de kreukels uit haar kleding en probeerde de rimpels glad te strijken die er door het liggen waren ontstaan. Het leken er verschrikkelijk veel terwijl ze zich amper had bewogen.
1248 Haar donkere ogen stonden wanhopig en smekend, zoals toen in Tanchico. Egeanin keek koeltjes terug. Ondiep water en een onverwachte storm. Het vreemde bevel dat ze had gekregen om naar Ebo Dar te gaan, werd nu duidelijk. Ze had geen beschrijving nodig om te weten dat het dezelfde man betrof.
1249 In Bethamins stem klonk steeds meer paniek door, terwijl ze van de ene ongelooflijke aanklacht naar de volgende schoot, en her duurde niet lang of Egeanin begon langzaam wat te drinken van haar brandewijn. Kleine slokjes. Ze was kalm. Zij had de leiding. Ze was... Dit was erger dan ondiep water.
1250 Na een tijdje geluisterd te hebben met steeds groter wordende ogen dronk Baile de tot de rand gevulde beker met donkere, sterke brandewijn in een teug leeg. Ze zag opgelucht hoe geschrokken hij was en voelde zich schuldig over haar opluchting. Hij was geen moordenaar volgens haar.
1251 Maar ben je onschuldig? vroeg ze zichzelf. De Duistere kwam eraan om haar ogen te stelen. Bij Bethamin biggelden de tranen over haar wangen en ze klemde de beker tegen haar borst alsof ze zichzelf wilde omhelzen. Als ze op die manier haar beven wilde stoppen, was het een mislukking van jewelste.
1252 Ze had Bethamin niet uit plichtsbesef bevrijd. Er waren zoveel dingen anders sinds Tanchico. Ze nam niet langer aan dat elke geleidster een halsband behoorde te dragen. Misdadigsters natuurlijk wel, en misschien vrouwen die weigerden gehoorzaamheid te zweren aan de Kristallen Troon en.
1253 Met een flinke deuk. Haar vader had haar deze bekers gegeven toen ze voor het eerst bevelvoerder werd. Ze leek alle kracht verloren te hebben. De Zoeker had maneschijn en toeval verweven tot een strop voor haar nek. Als ze tenminste voor die tijd al niet tot eigendom zou zijn verklaard.
1254 Ze zou niet toestaan dat de Zoeker haar kwam ophalen, wat het ook mocht kosten om hem tegen te houden. Dat besluit had ze al genomen vóór ze Bethamin had vrijgelaten. Ze vulde de gebutste beker tot de rand met brandewijn en wilde zo ontzettend dronken worden dat ze niet eens meer kon denken.
1255 Rond het plein stonden, net als bij de twee andere vreemdelingenmarkten, de hoge stenen huizen van de geldschieters, de herbergen met hun leien daken voor uitlandse kooplieden en de stevige vensterloze pakhuizen voor hun goederen. Daartussen lagen de stenen stallen en de ommuurde wagenerven geklemd.
1256 Het marmer toonde haar in een gewaad met veel bont en een fraai bewerkte ambtsketen om de hals. Haar marmeren gezicht stond streng onder haar met juwelen versierde diadeem en haar rechterhand lag ferm op het gevest van een zwaard waarvan de punt tussen haar muilen rustte.
1257 Haar opgeheven linkerhand wees waarschuwend naar de Tyrpoort, die driekwart span verder lag. Far Madding was afhankelijk van kooplieden uit Tyr, Illian en Caemlin, maar de Hoge Raad was van het begin af aan op zijn hoede geweest voor vreemdelingen en hun verderfelijke manieren.
1258 De linkerschouder vertoonde een Gouden Hand. Hij gebruikte een lange stok om de zwartvleugelduiven weg te jagen. Savion was een van de drie meest bewonderde vrouwen in de geschiedenis van Far Madding, hoewel men aan de overkant van het meer nog nooit van haar had gehoord.
1259 Twee mannen uit deze stad werden daarentegen wel in elk geschiedenisboek vermeld, hoewel de stad tijdens de geboorte van de een Aren Mador werd genoemd, en tijdens de geboorte van de ander Fel Moreina. Far Madding deed echter zijn uiterste best om Raolin Duistervaan en Jurian Steenboog te vergeten.
1260 De meeste anderen waren Kandori met hun gevorkte puntbaardjes, Arafellers met hun vlechten met belletjes, of Saldeaanse mannen en vrouwen met hun haviksneuzen, die dit weer zacht vonden in vergelijking met de winters in de Grenslanden. Nergens viel uit op te maken dat hij geen Grenslander was.
1261 Hij had de kou buitengesloten en negeerde hem zoals hij een bromvlieg negeerde. Een mantel zou hem in de weg zitten als hij de kans kreeg iets te doen. Vandaag trok zelfs zijn lengte geen aandacht. Er waren behoorlijk wat lange mannen in Far Madding, hoewel slechts enkelen uit de stad zelf kwamen.
1262 Rochaids felrode zijden jas viel behoorlijk op. Hij schreed als een koning over het plein, een hand op het gevest van zijn zwaard, terwijl zijn met bont afgezette mantel in de wind achter hem aan wapperde. De man was een dwaas. Die wapperende mantel en dat zwaard trokken de aandacht.
1263 Dat moet! Rhand lette niet op de stem. Hij trok zijn handschoenen goed en bleef Rochaid rustig volgen. Enkele straatwachten op het plein hielden de man in het oog. Vreemdelingen werden beschouwd als relschoppers en heethoofden, en Morlanders hadden de naam wel heel heetgebakerd te zijn.
1264 Kleine foutjes die een man in zijn haast zou maken en tezamen als een pijl naar Far Madding wezen. Rochaid en de anderen hadden ze snel opgemerkt, sneller dan hij verwacht had, of anders hadden ze hulp gehad om het duidelijk te maken. Hoe ze er ook achter waren gekomen, het maakte niet uit.
1265 Hij wist niet precies waarom de Morlander vooruit was gereisd, maar de anderen zouden volgen, Torval, Dashiva, Gedwyn en Kisman, om de in Cairhien gepleegde aanslag af te maken. Jammer genoeg was geen enkele Verzaker zo dwaas om hem hierheen te volgen. Ze zouden gewoon de anderen sturen.
1266 Hij wilde als het kon Rochaid doden voor de rest aankwam. Zelfs hier, waar ze op gelijke voet stonden, moest hij ervoor zorgen een voorsprong te krijgen. Rochaid bevond zich al twee dagen in Far Madding, waar hij openlijk vroeg naar een lange, rossige man, en hij struinde blijkbaar zorgeloos rond.
1267 Hij had inmiddels al enkelen gezien die min of meer pasten bij de beschrijving, maar hij dacht nog steeds dat hij de jager was, niet de opgejaagde. Je hebt ons hier gebracht om te sterven! kreunde Lews Therin. Om hier te zijn is al even erg als de dood! Rhand haalde zijn schouders op.
1268 Maar soms kon je alleen kiezen tussen slecht en slechter. Rochaid liep voor hem uit, bijna binnen handbereik. Dat was nu het enige dat telde. De grauwstenen winkels en herbergen langs de Straat van Plezier veranderden van aanzien naarmate de afstand tot de Amhara markt groter werd.
1269 Rhand keek nadenkend naar Rochaid, die door bleef lopen. Was hij op weg naar het Raadsplein midden op het eiland? Daar stonden alleen de Zaal van de raadsleden, gedenktekens van meer dan vijfhonderd jaar terug, toen Far Madding de hoofdstad van Maredo was, en de stadswoningen van de rijkste vrouwen.
1270 De stroblonde man, die groter was dan Rhand en gekleed in een heldergroene livrei, zette de mand goed die hij droeg en duwde Rhand rustig van zich af. Op de zijkant van zijn gebruinde gezicht liep een onregelmatig litteken. Hij boog het hoofd, mompelde een verontschuldiging en haastte zich verder.
1271 Je hebt hen al vernietigd, fluisterde Lews Therin in zijn hoofd. Nu moet je iemand anders vernietigen, en dat wordt tijd. Hoeveel zullen wij drieën er doden voor het einde, vraag ik me af. Hou op! dacht Rhand nijdig, maar het antwoord was een kakelend en minachtend gelach.
1272 Het was niet de ontmoeting met een Aiel die hem zo had doen schrikken. Hij had er velen gezien sinds hij naar Far Madding gekomen was. Om de een of andere reden waren honderden Aiel die gevlucht waren toen ze de waarheid van hun verleden vernomen hadden, hier terechtgekomen.
1273 Rhand dacht dat hij er twee tegelijk kon doden, of misschien wel alle vijf, maar niet zonder lawaai. Tegen vijf tegelijk kon hij gewond raken en wellicht zijn zwaard kwijtraken, en dat zag hij niet graag gebeuren. Het was een geschenk van Aviendha. Maar dat was nog het minste, op zijn ergst.
1274 Ze sloegen hem met harde ogen gade. Hij knikte hen toe, glimlachte en tuurde toen opzichtig zoekend de zijstraat in. Geen wegrennende dief maar gewoon een man die probeert iemand in te halen. De knuppel werd weer aan de riem gehangen, de vangstaak weer tegen het trapje gezet.
1275 Hij keek niet meer om. In de verte ving hij een glimp op van een mantel, misschien een rode jas, toen de drager ervan een andere steeg insloeg. Rhand hief zijn hand alsof hij iemand wilde aanroepen en rende achter de man aan, waarbij hij tussen de mensen en de handkarren van venters zigzagde.
1276 Want zelfs hier liepen wachten rond en zag hij wachthuisjes. Eindelijk kwam hij dichtbij genoeg voor een duidelijk beeld van de man die hij achtervolgde. Rochaid was eindelijk verstandig geworden en had de mantel om zich heen getrokken om de rode jas en het zwaard te verbergen.
1277 Rhand grijnsde bijna en rende zonder in te houden achter hem aan. In de steegjes van Far Madding waren geen straatwachten of wachthuisjes. Die steegjes kronkelden nog meer dan de straten die Rhand net achter zich gelaten had; ze vormden een eigen doolhof in het midden van elke wijk.
1278 Waarom was Rochaid deze doolhof ingelopen? Hij wilde blijkbaar snel zijn doel bereiken. Maar hij kon onmogelijk weten hoe je de steegjes moest gebruiken om ergens anders te komen. Ineens besefte Rhand dat de enige laarzen die hij hoorde die van hemzelf waren en hij bleef stokstijf staan.
1279 Stilte. Hij zag hier drie nauwe steegjes die op het zijne uitkwamen. Hij haalde nauwelijks adem en luisterde gespannen. Stilte. Hij had bijna besloten terug te gaan toen hij uit het dichtstbijzijnde steegje een kletterend geluid hoorde alsof iemand per ongeluk een steen tegen de muur had geschopt.
1280 Rhand schopte Rochaids benen opzij en liet zich boven op de man vallen. Het metalen geluid van een harde slag dreunde tegen steen, waarna er iemand vloekte. Rhand greep het heft van Rochaids zwaard, rolde verder en trok het wapen uit de schede toen hij op zijn rug rolde.
1281 Als hij die echter onder zijn mantel verborg, kon hij overal onopgemerkt in Far Madding rondlopen. Zijn ontsteltenis duurde maar even. Toen Rhand met het zwaard in beide handen overeind kwam, trok Kisman zijn eigen wapen los en lette niet meer op zijn stuiptrekkende metgezel.
1282 Hij sloeg Rhand gade en zijn hand verschoof zenuwachtig over het lange gevest van zijn zwaard. Hij was zonder twijfel een van die geleiders die zo trots waren op de Ene Kracht als wapen dat ze de lessen met het zwaard veronachtzaamd hadden. Rochaid gaf een laatste stuiptrekking en lag stil.
1283 Als de wachten hen hier aantroffen, zouden ze naar de kerkers onder de Zaal van de raadsleden worden gesleept. Nog meer gekletter en nog meer stemmen, dichterbij. De wachten moesten gezien hebben hoe drie man na elkaar dezelfde steeg in waren gedoken. Misschien hadden ze zelfs Kismans zwaard gezien.
1284 De Tyrener liep behoedzaam achteruit, en toen hij zag dat Rhand hem niet volgde, schoof hij zijn zwaard in de schede en rende met wild fladderende mantel weg. Rhand wierp Rochaids zwaard over het lijk en rende de andere kant op. Uit die richting hoorde hij nog geen gekletter.
1285 Met wat geluk kon hij terug op straat zijn en in de menigte opgaan voor hij gezien werd. Hij had een andere angst dan de strop. Als zijn handschoenen werden afgestroopt en de draken op zijn armen zichtbaar werden, zou hij niet meer opgehangen worden, dat wist hij zeker.
1286 Als hij eenmaal in een kerker zat, zou hij daar blijven tot de Witte Toren hem liet halen. Dus rende hij zo snel mogelijk weg. Kisman verdween in de mensenmassa op straat en slaakte een zucht van verlichting toen drie straatwachten de steeg inrenden waar hij net uit was gekomen.
1287 Dat had hijzelf kunnen zijn! Hij! Hij was om te beginnen al een dwaas geweest om zich door Rochaid te laten overhalen. Ze werden geacht op de anderen te wachten nadat ze een voor een de stad waren ingeglipt om aandacht te vermijden. Rochaid had de eer opgeëist om Altor te mogen doden.
1288 De Morlander had gebrand van verlangen om te bewijzen dat hij beter was dan Altor. Nu was ook dat verlangen gestorven en had hij bijna Raefar Kisman met zich meegesleurd. Dat maakte Kisman woest. Hij wilde liever macht dan roem, wellicht de macht om vanuit de Steen over Tyr te heersen.
1289 Hij wilde eeuwig leven. Die zaken waren hem beloofd; hij had er recht op. Zijn razernij kwam voor een deel voort uit zijn onzekerheid of ze inderdaad geacht werden om Altor te doden. De Grote Heer wist wat hij wilde... Hij zou niet goed meer slapen tot de man dood en begraven was! En toch.
1290 De wond klopte en begon te branden. Kisman liet zijn mantel los en drukte zijn hand tegen de bebloede mouw. Zijn arm voelde gezwollen en gloeiend heet. Hij staarde naar zijn rechterhand en zag tot zijn afgrijzen hoe die zwart werd en opzwol als een zeven dagen oud lijk.
1291 Een paard. Hij had een paard nodig! Hij moest een kans krijgen. Hem was beloofd dat hij eeuwig zou leven! Het enige dat hij zag, waren mensen te voet die voor hem opzij stoven. Hij meende de ratels van de wachten te horen, maar het kon ook het bonzende bloed in zijn oren zijn.
1292 Zijn gezicht raakte iets hards en hij wist dat hij gevallen was. Zijn laatste gedachte was dat een Uitverkorene had besloten hem te straffen, maar waarom, dat wist hij niet. Toen Rhand binnenkwam, zaten er maar een paar klanten aan de ronde tafels in de gelagkamer van De Kroon van Maredo.
1293 Ondanks zijn grootse naam was het een bescheiden herberg, met een twintigtal kamers op de twee verdiepingen erboven. De muren waren geel gepleisterd en de bedienden droegen gele voorschoten. Twee stenen haarden aan weerskanten van de gelagkamer zorgden voor een behaaglijke warmte.
1294 De luiken waren vergrendeld, maar de lampen aan de muren verdreven alle schaduwen. De geuren uit de keuken beloofden een smakelijk middagmaal van zoetwatervis, dat Rhand niet graag had willen missen. De koks in De Kroon van Maredo waren erg goed. Hij zag Lan alleen bij een muur zitten.
1295 Het gevlochten Ieren koord om Lans haren had de verholen blikken van sommige aanwezigen getrokken, maar hij weigerde om de hadori zelfs maar voor een korte poos af te doen. Zijn ogen vingen die van Rhand op en toen Rhand naar de trap achterin knikte, verspilde hij geen tijd met vragende blikken.
1296 Behalve een paar bloemen die op de gele muren waren geschilderd, was de vrouwenkamer niet veel fraaier dan de gelagkamer, hoewel ook de lampen ook geel waren, evenals de schoorsteenmantels. De gele voorschoten van de dienstmeiden verschilden in niets van de voorschoten van de mannen.
1297 Ze wilde Alivia er om de een of andere reden bij hebben. Nadat hij haar na de nacht met Elayne weer had opgezocht, was ze zich heel vreemd gaan gedragen, alsof ze de grootst mogelijke moeite deed om een Aes Sedai te zijn. De drie vrouwen hadden de hooggesloten kleding uit Far Madding aangeschaft.
1298 Min draaide zich op haar stoel om en grijnsde, zoals ze elke keer deed als hij haar zijn vrouw noemde. Het gevoel van haar aanwezigheid in zijn hoofd was dat van warmte en verrukking, en een onverwacht bruisend vermaak. Ze vond hun toestand in Far Madding buitengewoon vermakelijk.
1299 Daarna stapte hij uit de Ongeziene Wereld weer in de wakende, en werd Luc. Het leek passend. De kamer was donker in de wakende wereld, maar het raam liet genoeg maanlicht binnen om de omtrekken van twee mensen onder de dekens te ontwaren. Zonder aarzelen dreef Luc in beide personen een dolk.
1300 Het vergif was zo sterk dat geen van beiden de kracht zou hebben gehad om zo hard te schreeuwen dat ze buiten gehoord werden, maar hij wilde deze moord de zijne maken met een voldoening die vergif niet schonk. Hij veegde de dolken aan de sprei af en stak ze zorgvuldig terug in de schede.
1301 Zijn opdrachtgever wachtte hem op. Het was een man, dat wist hij zeker, maar Luc kon niet naar hem kijken. Het was niet zoals met die slijmerige griezels die je gewoon niet opmerkte. Hij had er ooit een gedood, in de Witte Toren zelf. Bij een aanraking voelden ze koud en leeg aan.
1302 Onhandig spoorde ze haar paard aan en volgde Harine en Moad, haar zwaardmeester, door het gat in de lucht dat van een stal in het Zonnepaleis naar... Ze wist niet eens waarheen, alleen dat het een langwerpig open gat was. Werd dit een tra genoemd? Ze meende dat dat juist was.
1303 De pijnbomen, de enige bomen die ze kende, waren klein en krom, dus alleen voor teer en terpentijn te gebruiken. Voor haar waren bomen alleen van belang als ze voor schepen gebruikt konden worden. Bijna alle andere bomen toonden grijze takken die haar aan botten deden denken.
1304 De ochtendzon rees net boven de boomtoppen uit en de kou leek hier zo mogelijk nog erger dan in de stad achter haar. Ze hoopte dat haar paard niet misstapte en haar op de rotspunten liet vallen die uit de sneeuw omhoog staken of op een plek waar nog rottende bladeren de grond bedekten.
1305 Ze vertrouwde paarden niet. Die hadden zo hun eigen wil en dat kon je van schepen niet zeggen. Bovendien hadden paarden tanden. Telkens als haar rijdier ze vlak bij haar benen toonde, kromp ze ineen, waarna ze het klopjes op de nek gaf en geruststellende geluiden maakte.
1306 Ze hoopte tenminste dat dit beest ze geruststellend vond. Cadsuane, gekleed in onopvallend donkergroen, zat ontspannen op een groot paard met zwarte manen en een zwarte staart. Ze stond naast de poort en hield de weving in stand. Ze bekommerde zich niet om paarden. Ze bekommerde zich nergens om.
1307 Ze reed door de poort heen en vermeed de ogen van de Aes Sedai, al voelde ze die op haar rusten. Ze kromde haar tenen en probeerde meer houvast te vinden dan de stijgbeugels haar verschaften. Ze zag op dit moment geen uitweg, maar hoopte er een te vinden door de Aes Sedai te bestuderen.
1308 Ze wilde best toegeven dat ze heel weinig van Aes Sedai af wist. Ze had er voor haar reis naar Cairhien nog nooit een ontmoet en dacht alleen aan hen wanneer ze het Licht prees dat zij niet was uitverkoren om er een te worden. Niettemin waren er sterke onderstromen te bespeuren bij haar gezelschap.
1309 Ze zwaaide van links naar rechts door de bewegingen van het paard en dreigde bij iedere stap op de grond te vallen. Opnieuw stak de wind op en de losse einden van haar sjerp waaiden op, waardoor haar mantel opbolde, maar ze had geen zin om het kledingstuk strak te houden.
1310 Die voorwaarden waren heel strikt geweest, maar Harine had geen enkele keus gehad dan instemmen, wat haar verbittering slechts vergrootte. Shalon luisterde maar half, knikte zo nu en dan en mompelde de gepaste antwoorden. Ze was het er natuurlijk mee eens. Haar zuster rekende altijd op instemming.
1311 Alhoewel Harine bij ieder ander zo strak als een natte knoop was, bood ze Moad zoveel ruimte dat iedereen had kunnen denken dat de grijze man met de harde ogen haar minnaar was, zeker omdat ze allebei nu weer alleen leefden. Dat zouden echter alleen mensen denken die Harine niet kenden.
1312 Toen ze hun paarden bij de bomen tot stilstand hadden gebracht, steunde Moad met een elleboog op de hoge zadelboog en liet een hand op het lange ivoren gevest rusten van het zwaard dat achter zijn groene sjerp was gestoken; hij nam de Aes Sedai en hun mannen openlijk op.
1313 En nadat die jonge landrot van een Min haar had verteld dat ze ooit Vrouwe der Schepen zou zijn, was ze zelfs nog strenger en harder geworden. Ze keek Shalon met harde ogen aan en tilde haar gouden geurdoosje op alsof ze een nare stank wilde verjagen, hoewel de kou elk geurtje verjoeg.
1314 Die bomen wraren wel klein, maar ze kon nog steeds de einder niet zien. Naar het noorden toe stegen de heuvels tot een gebergte dat van het noordoosten naar het zuidwesten liep. Ze kon niet eens zeggen hoe hoog ze zaten. Er was aan alle kanten te veel land en ze had niets om zich op te richten.
1315 Harine knikte langzaam en keek door Shalon heen alsof ze de klippers al door de doorgangen zag glijden die met de Ene Kracht waren geweven. De zeeën zouden hun echt toebehoren. Ze schudde die gedachten van zich af en boog zich naar Shalon toe, terwijl haar ogen zich als enterhaken in haar sloegen.
1316 Harine wist alles. Behalve het geheim dat Verin uit haar had getrokken. Behalve dat Shalon met Cadsuanes eisen had ingestemd, zodat haar geheim bewaard bleef. De genade van het Licht mocht op haar vallen, en ze had spijt van Ailil, maar ze was zo eenzaam geweest tijdens die lange zeereizen.
1317 Ze was eigenlijk van plan geweest Cadsuane net dat te vertellen waarmee ze veilig kon wegkomen, tot ze een uitweg had gevonden. Als ze elke dag met de Aes Sedai moest praten, of nog erger, haar recht in het gezicht moest voorliegen, zou de vrouw meer uit haar lospeuteren dan Shalon wenste.
1318 Merise, een grote vrouw met ogen die zelfs nog blauwer waren dan die van Kumira en een knap uiterlijk dat echter zo streng keek dat zelfs Harine zich even rustig hield, gebaarde de vier mannen die de pakpaarden meevoerden dat ze door konden rijden. Iedereen pakte de teugels op.
1319 Ze betwijfelde of de Aes Sedai besefte dat op een schip een oppasser weinig meer was dan wat de landrotten hier een bediende noemden. Harine zou waarschijnlijk gaan lachen en willen weten of de Aes Sedai wist hoe ze linnen goed schoon kon krijgen. Het zou prettig zijn haar in een goede bui te zien.
1320 Shalon had het als een teken van ongeduld kunnen opvatten, maar ze meende dat het opluchting was. Opluchting! Opgelucht of niet, Harine werd weer als vanouds, overtuigd van zichzelf en heerszuchtig. Ze keek de Aes Sedai recht in de ogen alsof ze haar wilde dwingen die neer te slaan.
1321 Zorg ervoor bij te blijven en niet van het paard af te vallen. Het zou heel onprettig zijn als ik u als een zak graan moet vervoeren. Als we eenmaal in de stad zijn, houdt u zich stil, tenzij ik u vraag iets te zeggen. Ik sta u niet toe om moeilijkheden te veroorzaken doordat u niets weet.
1322 Wat Shalon betrof, zij was blij dat ze in stilte reden. Paardrijden was al moeilijk genoeg zonder een gesprek te moeten voeren. Bovendien besefte ze opeens waarom Harine zich zo vreemd gedroeg. Harine probeerde olie op de golven van de Aes Sedai te gieten. Dat moest het wel zijn.
1323 Harine beheerste zich nooit, tenzij daar grote noodzaak toe was. De inspanning die het nu kostte om haar woede te onderdrukken, moest haar inwendig op een kookpunt hebben gebracht. En als haar inspanning niet het gewenste resultaat had, zou ze Shalon in de kookpot gooien.
1324 Er moest een uitweg zijn. Soms draaide ze zich om en keek ze naar de Aes Sedai achter haar. Uit de vrouwen voor haar kon ze niets wijs worden. Regelmatig wisselden Cadsuane en Verin van gedachten, maar dan bogen ze zich naar elkaar toe en spraken zo zacht dat niemand anders het kon horen.
1325 Alanna leek volkomen gespitst op hun reisdoel en haar ogen waren voortdurend op het zuiden gericht. Driemaal wilde ze haar paard sneller laten voortstappen, maar telkens haalde Cadsuane haar met een kalm woord terug, waarop Alanna aarzelend, met felle blikken en boze grimlachjes, gehoorzaamde.
1326 Cadsuane en Verin leken de vrouw te beschermen. Cadsuane gaf haar klopjes op de arm, net zoals Shalon op de nek van haar paard deed. En Verin keek haar stralend aan, alsof Alanna herstellende was van een ziekte. Shalon kon er niets belangrijks uit afleiden. Dus ging ze over de anderen nadenken.
1327 Ze had al een behoorlijk aantal zaken door waarneming opgestoken, al wist ze nog niet precies wat ze ermee kon. Vier van de andere Aes Sedai, Nesune, Erian, Beldeine en Elza, reden in een groepje niet ver achter haar, al waren ze niet echt samen. Ze praatten niet met elkaar en keken elkaar niet aan.
1328 Merise, Corele, Kumira en Daigian voeren in de andere boot, die bestuurd werd door Cadsuane. Soms leek Alanna in de ene boot te horen, soms in de andere, terwijl Verin ergens bij Cadsuanes boot leek te horen maar er niet in zat. Ze zwom wellicht langszij mee terwijl Cadsuane haar hand vasthield.
1329 Vreemd genoeg leken de Aes Sedai hun vermogen in de Ene Kracht boven ervaring of kunde te stellen. Hun rangen waren dan ook gebaseerd op dat vermogen. Allen toonden natuurlijk eerbied ten opzichte van Cadsuane, maar hoeveel eerbied men naar anderen toe verschuldigd was, was onduidelijk.
1330 Misschien betekende het allemaal niets, maar als zij touw moest pluizen, dan kon ze dat alleen doen door een draadje op te sporen en te gaan trekken. De wind begon op te steken. Windvlagen drukten haar mantel tegen haar rug en lieten hem aan beide kanten fladderen. Ze merkte het amper.
1331 De zwaardhanden waren wellicht een ander draadje. Ze reden allemaal achteraan en waren slecht zichtbaar door de Aes Sedai die voor hen reden. Shalon had gedacht dat er bij twaalf Aes Sedai toch wel meer dan zeven zwaardhanden zouden zijn. Iedere Aes Sedai werd geacht er een of meer te hebben.
1332 Ze was niet volslagen onbekend met de Aes Sedai. In elk geval was de vraag niet hoeveel zwaardhanden er waren, maar of ze allemaal wel zwaardhand waren. Ze was er zeker van dat ze de oude Damer en de knappe Jahar ook in het zwart had gezien voor ze plotseling goede maatjes werden met de zusters.
1333 Wat er ook met Eben aan de hand was, ze wist bijna zeker dat Damer en Jahar nu zwaardhand waren. Bijna. Jahar sprong even snel op als Nethan of Bassane wanneer Merise in de vingers knipte en uit de manier waarop Corele naar Damer lachte, was hij of haar zwaardhand of haar bedverwarmer.
1334 Of misschien wel drie. Niemand weet het. Ze, of die ene, kunnen niet worden bestudeerd en niet worden verplaatst. Ze moeten tijdens het Breken zijn gemaakt, toen de vrees voor krankzinnige geleiders zich op een hoogtepunt bevond. Maar voor die veiligheid moest een hoge prijs betaald worden.
1335 Waarom zou een Aes Sedai bang zijn voor een sprookje? Harine wilde al wat zeggen, maar gebaarde toen naar Shalon dat ze de voor de hand liggende vraag moest stellen. Werd zij misschien ook geacht vriendin van Sarene te worden om alles keurig te effenen? Shalons hoofd deed werkelijk pijn.
1336 Terwijl ze de Aes Sedai aangaapte, vergat ze haar zadel goed vast te houden en alleen doordat Moad haar arm greep, viel ze niet van haar paard af. Shalon herinnerde zich niet dat Harine het ooit over wijsgeren had gehad, maar op dit moment maakte het haar niet uit waar haar zus over sprak.
1337 Net zoiets als de zon die vanuit je ooghoeken loerend net buiten je gezichtsveld viel? Hoe zou het voelen als je de zon kwijtraakte? Toen ze het meer naderden, voelde ze de aanwezigheid van de Bron als nooit tevoren, nog sterker dan die eerste keer toen ze de Ene Kracht vol vreugde aanraakte.
1338 Ze kon alleen maar verhinderen er meer van te drinken, maar de Aes Sedai zou de gloed om haar heen zien en waarschijnlijk de reden kennen. Ze ging zichzelf of Harine op die manier niet te schande maken. Kleine scheepjes van niet meer dan zes of zeven stap lang vormden vele vlekjes op het water.
1339 Op sommige werden de netten binnengehaald, terwijl andere langzaam voort bewogen met behulp van lange roeiriemen. Aan de door de wind voortgejaagde golven over het oppervlak te zien, die soms tegen elkaar rolden of in fonteinen van schuim uitbarsten, konden zeilen hier zowel lastig als nuttig zijn.
1340 Shalon maakte haar lippen nat. Het was niet zo erg als ze aanvankelijk had gevreesd. Het gaf haar een... leeg gevoel, maar ze kon ertegen, zolang het maar niet te lang zou duren. De windstoten die rondwervelden en trachtten hun mantels te stelen, voelden opeens veel kouder aan.
1341 Aan het eind van de landtong lag een dorpje met grijsstenen huizen met donkere leidaken; het lag tussen de weg en het water in. Dorpsvrouwen liepen met grote manden haastig rond, maar stopten even om naar de groep ruiters te kijken. Velen voelden tijdens dat kijken aan hun neus.
1342 Shalon was aan die blikken in Cairhien gewend geraakt. Bijna gewend. In elk geval trok de verdedigingsmuur aan de andere kant van het dorp al haar aandacht. De stenen muur was ongeveer tien pas hoog, met op de hoektorens soldaten die hen door hun helmvizieren in de gaten hielden.
1343 Cadsuane boog zich uit het zadel naar hem toe en wisselde zachtjes enkele woorden met de man. Ze trok een dikke beurs uit haar zadeltas en overhandigde hem die. Hij nam hem aan en stapte achteruit. Hij gebaarde een soldaat, een lange uitgeteerde kerel zonder helm, naar voren te treden.
1344 Hij droeg een schrijfplankje en zijn achter op het hoofd bijeengebonden haar was even lang als dat van zijn aanvoerder. Hij boog eerbiedig het hoofd voor hij Alanna om haar naam vroeg en die zorgvuldig opschreef, zijn tong tussen zijn tanden en de pen heel vaak in de inkt dopend.
1345 Met de helm aan zijn zij stond de aanvoerder verveeld de anderen achter Cadsuane op te nemen zonder iets te laten blijken. De beurs in zijn hand leek vergeten. Hij leek zich er niet bewust van te zijn met een Aes Sedai te hebben gesproken. Maar het kon ook zijn dat het hem niets kon schelen.
1346 Terwijl de man aan het schrijven was, drong een stevige gehelmde soldaat met een leren tas aan de schouder zich tussen Harines paard en dat van Moad door. Achter de spijlen van zijn vizier vertrok een lelijk litteken zijn mond tot een spottende trek, maar hij gaf Harine wel een beleefde hoofdknik.
1347 De man stak de lange dolk in zijn eigen riem en pakte een rol fijn draad uit zijn tas, waarna hij nauwkeurig het zwaard in een fijn maas begon te wikkelen. Nu en dan stopte hij, pakte een zegel uit zijn riem en vouwde een klein loden plaatje rond de draden. Hij deed het snel en handig.
1348 Opnieuw snoof Harine. Shalon vroeg zich af hoe die kerel zijn lirteken had opgelopen als Far Madding dan zo veilig was. Er klonken wat bezwaren achter in de groep mannen, maar ze werden snel tot zwijgen gebracht. Door Merise, waagde Shalon te denken. Soms plaatste die zelfs Cadsuane in de schaduw.
1349 Nadat alle zwaarden en dolken verzegeld waren en de pakpaarden nagezocht op verborgen wapens, reden ze met kletterend hoefgetrappel de brug over. Shalon probeerde alles tegelijk in zich op te nemen, niet zozeer uit belangstelling als wel door haar poging te vergeten wat ze miste.
1350 Lage stenen randen zorgden ervoor dat een wagen niet het water in kon rijden, maar ze boden geen enkele bescherming tegen aanvallers. De brug was lang, zeker driekwart span, en kaarsrecht. Nu en dan gleed er een boot onder hen door, wat ze niet hadden kunnen doen als ze masten hadden gehad.
1351 Hoge torens stonden aan weerszijden van de met ijzeren banden beslagen stadspoort. Dit was de Caemlinpoort, volgens Sarene, waar wachten met het teken van het gouden zwaard op de schouder bogen voor de vrouwen en achterdochtig naar de mannen loerden. De straat erachter.
1352 De straat was breed en recht, vol mensen en karren, en liep russen stenen gebouwen van twee of drie verdiepingen door; alles leek in elkaar over te gaan. De Bron was nog steeds weg! Ze wist dat die terug zou komen als ze hier vertrok, en Licht, hoe eerder dat gebeurde hoe beter.
1353 Hoelang zouden ze hier nog blijven? Misschien was de Coramoor in deze stad en Harine was van plan zichzelf heel snel aan hem voor te stellen, misschien omdat hij was wie hij was, misschien omdat ze meende dat zij met zijn hulp bevorderd zou worden tot Vrouwe der Schepen.
1354 Tot Harine wegging en tot Cadsuane hen van de overeenkomst ontsloeg, moest Shalon hier voor anker. Hier in deze stad, waar geen Ware Bron was. Sarene bleef maar doorpraten maar Shalon hoorde haar amper. Ze staken een groot plein over met in het midden een enorm groot standbeeld van een vrouw.
1355 Verderop verdeelde een rij kale bomen de straat. Draagstoelen, koetsen en mannen in wapenrustingen met vierkante maliën bewogen zich door de menigte, maar de beelden reikten niet verder dan haar ogen. Rillend trok ze zich in zichzelf terug. De stad verdween. De tijd verdween.
1356 Nooit eerder was het tot haar doorgedrongen dat die onzichtbare aanwezigheid haar zoveel troost had geboden. De Bron was er altijd geweest, had haar ongekende vreugde beloofd, had het leven zo verrijkt dat de kleuren verbleekten wanneer de Ene Kracht weer uit haar verdween.
1357 Tussen die vrouwen waren schoven graan en rollen stof uitgebeeld waarvan de losse uiteinden vrij in de wind rimpelden; ernaast lagen stapels staven die wellicht gouden, zilveren of ijzeren baren aanduidden, of misschien alledrie, en zakken waaruit munten en edelstenen stroomden.
1358 Harines stroom van verwachte boze woorden bleef uit en dat kwam waarschijnlijk omdat ze van plan was iets veel ergers over haar uit te storten. Cadsuane stak het plein over en reed door de open poort van de Zaal van de raadsleden een grote ruimte in met een hoog plafond.
1359 Ze keken verbaasd op toen Cadsuane naar binnen reed. En dat deden ook de in lange blauwe vesten geklede mannen die de paarden van een koets uitspanden waarop het wapen met het zwaard en de hand stond afgebeeld en de mannen die met grote bezems de stenen vloer aanveegden.
1360 Ze wist niet hoelang ze als verdoofd had doorgereden, maar het voelde of ze elke span van die ongetwijfeld vele honderden roeden na Cairhien in het zadel had gezeten. Ze voelde zich net zo verkreukeld als haar kleren. Opeens besefte ze dat ze Jahars knappe gezicht niet bij de andere mannen zag.
1361 Dienaren in het blauw staarden hen eerst verbaasd aan, maar maakten vervolgens haastig buigingen. Ze ging hen voor omhoog over lange rondwentelende trappen van witstenen treden die nergens op rustten; soms raakten de treden een lichtgetinte muur, maar dat was niet altijd het geval.
1362 Cadsuane voerde hen ten slotte een laatste zwevende trap tussen vier blinde muren op, en opeens stonden ze op een balkon met een fraai bewerkt, verguld metalen hek dat helemaal rond en rond... Heel even viel Shalons mond open. Boven haar steeg een blauwe koepel wel honderd voet de lucht in.
1363 Haar onwetendheid van de landrotten omvatte naast hun aardrijkskunde en geschiedenis eveneens hun bouwkunst, en feitelijk ook de Aes Sedai. Ze wist hoe je een tekening voor een klipper maakte en hoe je die moest bouwen, maar ze had geen flauw vermoeden hoe zoiets als deze koepel gebouwd werd.
1364 Even later kwam Harine erbij. Tot Shalons verrassing bevond de vloer zich amper twintig voet onder hen. De gladde vloer bestond uit blauwe en witte tegels die een ronddraaiende doolhof vormden die in het midden eindigde in een rood ovaal met een goudkleurige rand en twee middelpunten.
1365 Metalen randen omringden de schijven, die de tekens van een kompas vertoonden, maar de lijntjes tussen de dikkere lijnen werden steeds kleiner. Shalon wist het niet zeker maar de metalen rand onder haar leek van getallen te zijn voorzien. Dat was alles. Geen monsterachtig grote vormen.
1366 Ze had zich iets enorms voorgesteld, iets zwarts dat het Licht opzoog. Ze greep met beide handen het hek vast om te voorkomen dat ze zou gaan beven en ze klemde haar knieën tegen elkaar om ze stil te houden. Wat zich daar ook beneden bevond, het had echt het Licht gestolen.
1367 De mantels waren voorzien van rijk goudborduursel en sleepten achter hen aan over de vloer. Deze mensen wisten waaraan je een hogere stand kon herkennen. Elke vrouw droeg een grote hanger in de vorm van dat goudgerande rode ovaal aan een halsketting van zware gouden schakels.
1368 Haar zwarte haar was in een grote ronde vorm opgekamd en vertoonde aan de zijkant grote witte lokken, al vertoonde haar gezicht geen rimpels. De andere vrouwen waren groot, klein, stevig, mager, mooi en kalm, en iedereen straalde gezag uit, maar zij viel veel meer op door haar juwelen.
1369 Dingen leken bij de landrotten anders en vaak slordig te worden gedaan. De ogen van Aleis keken Cadsuane nu strak aan en straalden zowel haat als gejaagdheid uit. Misschien voelde ze wel twaalf paar ogen in haar rug. De andere raadsleden plaatsten haar lot op de weegschaal.
1370 O nee, ik denk dat de Herrezen Draak allang tegen jullie zou zijn opgetrokken als hij zoiets van plan was. Nee, ik vermoed dat de Seanchanen... Hebt u van ze gehoord? Wat we uit Altara en uit landen nog verder westwaarts vernemen, is heel afschuwelijk. Ze lijken iedereen voor zich uit te drijven.
1371 Ze meende nu te weten waar Jahar was. Ze wist alleen niet waarom. De twee vrouwen die Aleis zojuist had genoemd, een knappe vrouw die Cadsuane boos had aangekeken en een slanke grijze vrouw, vatten het verzoek van de Eerste Raadsvrouwe op als een bevel, wat het misschien ook was.
1372 In bloemrijke bewoordingen spraken ze hun genoegen uit dat ze haar mochten begeleiden. Harine luisterde met een zuur gezicht. Ze konden manden met rozenblaadjes voor haar voeten strooien als ze dat wensten, maar de Eerste Raadsvrouwe had haar wel naar ondergeschikten doorgeschoven.
1373 Ze legde haar armen half om de rug van beide vrouwen en leidde ze naar de trap. De twee vrouwen keken elkaar bezorgd aan maar lieten Cadsuane begaan, waarbij Harine blijkbaar geheel werd vergeten. In de deuropening bleef Cadsuane staan, keek om, maar niet naar Harine of Shalon.
1374 Shalon schoot achter de anderen aan en Harine was even snel. Cadsuane bleef beide raadsleden min of meer vasthouden en liet ze naast haar meelopen. Ze ging zachtjes pratend voor naar de rondlopende trappen. Doordat Kumira tussen haar en het voorste drietal liep, kon Shalon niets opvangen.
1375 Als je in haar nabijheid bent, moet jij uitzoeken waarom, Shalon. Ik zou graag Aleis de kat met zeven staarten gunnen. Mij zomaar laten staan zonder iets te zeggen. Maar dat mag niet betekenen dat Cadsuane daardoor een kans krijgt om de Coramoor in deze stad moeilijkheden te bezorgen.
1376 De kamer had bewerkte lambrizeringen en ramen die uitkeken op de Nethvinmarkt; hij was beter dan die vorige in De Kroon van Maredo. De kussens op het bed waren gevuld met eiderdons, het bed had een geborduurde hemel en gordijnen, en de spiegel boven de wasbak vertoonde geen enkel blaasje.
1377 Hij was niet meer gewend om veel geld mee te sjouwen. Alles werd voor de Herrezen Draak geregeld. Maar hij kon nog steeds met de fluit een slaapplek verdienen. De melodie heette Treurzang voor de lange nacht, en hij had hem nog nooit van zijn leven gehoord. Maar Lews Therin wel.
1378 In zijn hoofd lag vlak naast Alanna de bundel die Min was. Ook zij stroomde over van bezorgdheid en woede, maar daar straalde liefde als een baken doorheen, telkens als ze naar hem keek, en vaak ook als ze niet keek. Maar hij voelde ook angst, hoewel ze die probeerde te verbergen.
1379 Min stond hem met de armen over elkaar aan te kijken, trok toen haar rok goed en streek die glad op haar heupen. Met een zucht liet hij de fluit zakken en wachtte. Als een vrouw haar kleren zonder reden in orde maakte, leek ze op een man die de riem van zijn wapen aantrok en de zadelriem nakeek.
1380 Cadsuane kwam de kamer in, stond stil en keek fronsend naar het mes in de deur. Ze had kunnen doorgaan voor een succesvolle koopvrouw of geldwisselaarster. Ze droeg fijne, donkergroene wol en een met bont afgezette mantel die met een zilveren speld bij de keel werd dichtgehouden.
1381 Rhand voelde Lews Therin als het ware stil worden; hij zat in zijn hoofd als een ineengedoken klipkat in de schaduw. Lews Therin was minstens evenzeer op zijn hoede voor die vrouw als hijzelf. Met een rood gezicht krabbelde Min overeind, waarna ze woest haar rok gladstreek.
1382 Cadsuane sloot de deur. Alanna keek even naar Min en zette haar uit haar gedachten. Ze schonk Rhand alle aandacht en slingerde zonder haar donkere ogen van hem af te wenden haar mantel over een stoel. Haar handen hielden haar donkergrijze rok vast. Ook zij droeg haar gouden Aes Sedai ring niet.
1383 Alanna moest je eenvoudig zien, en alleen een hart van steen kon haar weigeren. En Sorilea zei dat sommigen die zich aan jou verbonden hadden, nergens goed voor waren, tenzij ze met Alanna mee konden, en dus eindigde het ermee dat ik Nesune, Sarene, Erian, Beldeine en Elza ook heb meegebracht.
1384 Boosheid en vreugde streden met elkaar in de binding, ik had gehoopt dat het beter zou gaan als ik dichterbij was, maar je ligt nog steeds als een steen in mijn hoofd. Zelfs terwijl ik hier sta, kan ik nauwelijks zeggen of je ontdaan bent of niet. Hoe dan ook, hier is het beter.
1385 Hij nam er twee dagen voor om het te aanvaarden, en ik heb nooit gemerkt dat ze hem onder druk zette. Ik kan niet voor de anderen spreken, maar zoals Cadsuane al zei, je kunt het hun altijd vragen. Rhand, je moet begrijpen dat die mannen bang waren om terug te gaan naar die Zwarte Toren van je.
1386 Cadsuane vertrouwt ze echter niet en liet niet toe dat iemand een zwaardhand meenam. Ik moet toegeven dat ik eerst twijfelde, maar ik geloof dat je hen kan vertrouwen. Ze hebben een eed aan jou gezworen. Je weet wat dat voor een zuster betekent. We kunnen geen eed breken, Rhand.
1387 Een groot aantal zou best kunnen overlopen naar Toram Riatin, als die weer opdaagt. Hoogheer Darlin zit veilig in de Steen, hebben we gehoord, en is aangekondigd als jouw Stedehouder in Tyr, maar de opstandelingen zijn niet uit Haddon Mir teruggestroomd om hem steun te betuigen.
1388 En wat Andor betreft, Elayne Trakand zegt dan wel dat ze je zal steunen als ze eenmaal de troon heeft bestegen, maar ze heeft jouw soldaten uit Caemlin weten te krijgen, en ik ga belletjes in de Verwording dragen als ze die in Andor laat zitten als ze eenmaal de troon bestijgt.
1389 De opstandelingen in Cairhien en Tyr zullen luisteren. De Witte Toren heeft drieduizend jaar lang oorlogen voorkomen en opstanden beëindigd. Het verdrag waarover Rafela en Merana met Harine hebben onderhandeld, staat jou wellicht niet aan, maar ze kregen alles waar je om gevraagd had.
1390 Dat de Aes Sedai hem trouw gezworen hadden, had slechts een manier geleken om mensen onder de indruk te laten raken van zijn macht. De vrees dat de zusters hem zouden gebruiken voor hun eigen doeleinden had hem blind gemaakt voor al het andere. Hij vond het niet prettig dat te moeten toegeven.
1391 Wat had ze gezegd over de vijf anderen die Cadsuane had meegebracht? Dat elk van hen hem op haar eigen manier van dienst zou zijn. Dat was niet goed genoeg, nog niet. ik wil Darlin Sisnera als mijn plaatsvervanger en ik wil dat de wetten die ik heb uitgevaardigd, van kracht blijven.
1392 De dragers mochten geen geld aannemen, maar het zilver verdween in een oogwenk in hun jas, en de jongste van het stel, een knappe kerel van middelbare leeftijd, maakte zelfs een zwierige buiging alvorens de draagstoel weer op te pakken en in de richting van de stallen te verdwijnen.
1393 Het had niet lang geduurd voor ze het gevoel kreeg nooit uit Far Madding te zijn weggegaan. Daar moest ze voorzichtig mee zijn. Het kon gevaarlijk zijn, zeker als Aleis of de anderen haar dekmantel doorzagen. Ze vermoedde dat het bevel aangaande Verin Matwins verbanning nooit herroepen was.
1394 Far Madding hield het stil als een Aes Sedai de wet overtrad, maar de raadsleden hadden geen reden om Aes Sedai te vrezen. Daarnaast had de Toren zo haar eigen redenen om te zwijgen over die zeldzame gelegenheden dat een zuster voor een gerechtelijke geseling aan de schandpaal stond.
1395 Aan beide kanten van het paleis stonden grotere en kleinere landhuizen naast elkaar, allemaal omgeven door een hoge muur. Behalve aan het eind, waar de Hoogte lag. Deze plek, die hoog en steil boven het water oprees, was de enige plek op het eiland die op een heuvel leek.
1396 De Barsalla vrouwen handelden al in koopwaar en politiek toen de stad nog Fel Moreina heette. Het Barsalla paleis werd op beide verdiepingen omringd door wandelgangen tussen hoge zuilen, en het witmarmeren vierkante gebouw nam de ommuurde grond bijna helemaal in beslag.
1397 Ze trof Cadsuane aan in een zitkamer die een mooi uitzicht over het meer zou hebben geboden als de gordijnen niet gesloten waren geweest om de warmte van het haardvuur binnen te houden. Cadsuane zat met haar naaimandje op een tafeltje naast de marmeren schouw kalm op haar borduurraam te werken.
1398 Ze was niet alleen. Verin legde haar mantel over de rug van een stoel, ging op een andere zitten en wachtte. Elza keek nauwelijks naar haar. De Groene zuster, die gewoonlijk een aardig gezicht had, stond voor Cadsuane. Met haar rode gezicht en boze ogen zag ze er opgewonden uit.
1399 Dat meisje Min heeft hem verteld dat hij me nodig heeft; zoveel heb ik uit haar gekregen zonder haar achterdocht te wekken. Maar ik moet wachten tot hij naar mij toe komt. Je ziet hoe hij over Alanna en de anderen heen walst. Het zal al moeilijk genoeg zijn om hem iets bij te brengen.
1400 Nu reikten haar donkere haren tot de schouders, bijeengehouden door een kapje van fijn kant, en waren haar kleren even verfijnd als die van Elayne. Ze waren diepblauw, met zilverkleurig borduurwerk op het lijfje, rond de hals, op de rokzoom en op de boorden van de mouwen.
1401 Er werd zelfs een dikke stenen muur rond de stad opgetrokken, met wachttorens en met ijzer beslagen poorten die bij een stad in de Grenslanden zouden hebben gepast. Buiten de muren bevonden zich graan en houtmolens, een ijzergieterij en grote werkplaatsen voor wol en tapijtwevers.
1402 De zon stond recht boven hun hoofd, al hoopte Elayne vurig dat het nog steeds nacht was in de echte wereld. Ze wilde echt wat slapen voor de ochtend aanbrak. Ze was de laatste paar dagen steeds vermoeid geweest. Er moest zoveel worden gedaan en ze had maar zo weinig uren.
1403 Ze waren hier gekomen omdat het niet waarschijnlijk leek dat een verspieder hen hier zou vinden, maar Egwene had lang staan staren naar de veranderingen die haar geboortedorp had ondergaan. Elayne had, afgezien van Rhand, haar eigen redenen om in Emondsveld rond te kijken.
1404 De moeilijkheid, of liever een van de moeilijkheden, was dat je in de Wereld der Dromen wel vijf of tien uur kon doorbrengen terwijl er in de echte wereld nog maar een uur voorbij was gegaan. Maar het omgekeerde kon ook het geval zijn. In Caemlin kon het al morgen zijn.
1405 Ze hield van Rhand, maar als iemand in het dorp waar hij was opgegroeid Manetheren uit zijn oeroude graf probeerde te wekken, zou ze daar iets aan moeten doen, al zou hem dat nog zoveel pijn bezorgen. Die banier en die naam maakten nog genoeg indruk om een gevaar te vormen voor Andor.
1406 Ze had Egwene alles, bijna alles verteld, maar niet dat ze Rhand samen met Min en Aviendha had gebonden. De wetten van de Toren verboden niet wat ze hadden gedaan. Ze had er heel behoedzaam bij Vandene navraag naar gedaan. Maar of het was toegestaan, was nog heel onduidelijk.
1407 Heel even bleef Elayne naar de plek staren waar Egwene had gestaan. Waar had ze het over? Rhand zou zoiets nooit doen! Al was het maar uit liefde voor haar. Ze porde in de rotsharde knoop in haar achterhoofd. Nu hij zo ver weg was, glansden de gouden draden alleen in haar geheugen.
1408 Dat zou hij toch zeker niet doen? Bezorgd stapte ze uit haar droom en daarmee weer haar slapende lichaam in. Ze had slaap nodig, maar ze was amper terug of het zonlicht raakte haar oogleden. Hoe laat was het? Ze had afspraken, moest haar plicht doen. Ze kon maanden slapen.
1409 Ze had moeite met haar plicht, maar de plicht won, want het zou een drukke dag worden. Elke dag was druk. Haar ogen sprongen open en voelden aan alsof ze vol zand zaten. Door het schuin naar binnen vallende licht kon ze zien dat de zon al een tijdje geleden was opgekomen.
1410 De plicht. Aviendha bewoog in haar slaap en Elayne gaf haar een harde por in de ribben. Als zij dan wakker moest zijn, gunde ze het Aviendha niet dat die maar lekker door kon dromen. Met een ruk werd de ander wakker en reikte naar haar mes, dat op een klein tafeltje naast haar bed lag.
1411 Het verbaasde haar enigszins dat Aviendha dat al niet had gedaan. Voor Aviendha bestond het ontbijt in de zitkamer uit gerookte ham met rozijnen, gekookte eieren met gedroogde pruimen, gedroogde vis bereid met pijnboompitten, vers brood met boter, en thee die wat stroperig was gemaakt met honing.
1412 Ze treurde niet echt om het gemis van kruidenwijn en zoetigheid en al die andere dingen die ze niet meer mocht hebben, behalve wanneer Aviendha zat te schransen van de taarten en koeken, maar iedereen in het paleis leek te weten dat ze zwanger was. Ze wisten alleen niet wie de vader was.
1413 Ze dwong zich verder te eten, want de pap was eigenlijk nog niet zo slecht, maar ze zou heel duidelijk hebben genoten van de ham die Aviendha net afsneed of van het ei met pruimen. Ze keek bijna met verlangen uit naar de gebruikelijke misselijkheid, zodat ze dat ongemak kon overdragen aan Birgitte.
1414 Enkele Jagers op de Hoorn die een hogere rang eisten, hadden besloten dat het dienen in de lijfwacht van Elayne misschien een zeker aanzien bood. Ze gaf toe dat de vrouwen niet allemaal dag en nacht op wacht konden staan, maar wat Birgitte ook zei, het doel van honderd leek overdreven.
1415 De kerel meesmuilde aanstellerig! Zowel de gardisten op de gang als in haar vertrekken keken als bevroren recht voor zich uit, en toen Elayne zich omdraaide, staarde Aviendha haar vol verbazing aan. Elayne zuchtte. Ze liep over het kleed naar haar zuster, bukte en sloeg een arm om haar schouder.
1416 Hij was nog steeds niet gewend aan haar en de vrouwelijke gardisten. Aviendha toonde hem haar tanden en hij knipperde met zijn ogen en kuchte toen achter een magere hand. Meester Hoffing en vrouwe And schaal waren aanvankelijk wat... aarzelend, maar ze kennen de markt voor aluin even goed als ik.
1417 Het was al duidelijk dat het herstel van de paleisdaken langer zou duren en meer geld zou kosten dan de bouwers aanvankelijk hadden ingeschat, maar voedingsmiddelen werden altijd kostbaarder met het verstrijken van de winter en bouwvakkers kostten altijd meer dan ze eerst hadden gezegd.
1418 Norrij gaf toe dat zijn laatste brieven uit Nieuw Breem enkele dagen oud waren, maar de Grenslanders leken te blijven waar ze waren, wat hij niet begreep. Elk leger dat kleiner was dan dit volgens de geruchten grote leger zou het platteland nu helemaal hebben leeggegeten.
1419 Dat was volgens Norrij het minst belangrijke nieuws, maar niet voor haar. Rhand kon het zich niet veroorloven de zusters rond Egwene van zich te vervreemden. Hij kon zich dat met geen enkele Aes Sedai veroorloven. Maar hij kreeg het op de een of andere manier toch voor elkaar.
1420 Na Halwin Norrij verscheen Reene Harfor. Ze gaf de lijfwachten een knikje bij haar binnenkomst en Aviendha openlijk een glimlach. Wellicht was de gezette vrouw ooit wat onzeker geweest over het feit dat Elayne Aviendha haar zuster noemde, maar ze leek het nu allemaal goed te keuren.
1421 Ze zouden gewoon worden vervangen door onbekende verspieders. Een verspieder is bet gereedschap van je vijand tot je hem kent, had haar moeder gezegd, maar daarna is het jouw gereedschap. Wanneer je een verspieder vindt, had Thom haar verteld, wikkel ze dan in zwachtels en voed ze met een lepel.
1422 De wandkleden aan weerszijden van de marmeren haard toonden jachttaferelen, niet de Witte Leeuw, en de glimmende houten panelen waren heel eenvoudig. Het waren handelaren, geen gezanten, hoewel sommigen zich wat te kort gedaan voelden doordat ze slechts wijn aanbood en niet met hen meedronk.
1423 Zowel de Kandori als de Illianers wierpen scheve blikken op de twee lijfwachten die haar volgden en zich naast de deur opstelden. Als ze inmiddels nog niet bekend waren met de verhalen over een aanslag op haar, moesten ze wel doof zijn. Zes andere lijfwachten stonden vlak buiten de deur.
1424 Hun beleefde vragen over haar plannen nu ze de Drakenbanieren en de banieren van het Licht uit Caemlin had verwijderd, volstonden. Ze vertelde hun wat ze iedereen zei, dat Andor wel een bondgenootschap zou sluiten met de Herrezen Draak, maar dat ze niet zijn onderdanen waren.
1425 Toen de Illianers na de nodige buigingen en kniksen het vertrek hadden verlaten, sloot ze even haar ogen en wreef over haar slapen. Er stond nog een bijeenkomst met een afvaardiging van glasblazers voor het middageten gepland en nog vijf andere met handelaren en ambachtslieden voor later.
1426 Misschien had ze Reanne niet moeten leren hoe je kon Reizen, aangezien de Kinsvrouw nog geen Aes Sedai was, maar geen enkele zuster was zo sterk dat ze deze weving kon maken. En als de windvindsters het mochten leren, dan mochten volgens haar die paar Kinsvrouwen het ook.
1427 Bovendien kon ze niet alles zelf doen. Licht, was de winter altijd zo ijzig geweest voor ze had geleerd hoe koude en hitte haar niet konden raken? Tot haar verbazing reed Merilille door de poort terwijl ze sneeuw van haar donkere mantel schudde. Ze werd gevolgd door de gehelmde gardisten.
1428 Het was pas zeven dagen geleden dat ze waren vertrokken. Zaide en de windvindsters waren, om het mild uit te drukken, heel onaangenaam verrast geweest toen ze verdwenen was, maar de Grijze zuster had de kans met beide handen aangegrepen om voor onbepaalde tijd aan het Zeevolk te ontkomen.
1429 De andere hand hield haar goudblonde vlecht vast, bijna net als Nynaeve. Vandaag droeg ze een ruim zittende groene broek bij haar rode jasje, een combinatie die pijn deed aan de ogen. Kapitein Mellar maakte een ingewikkelde buiging voor Elayne, waarbij zijn hoed met witte pluim breed uitzwaaide.
1430 Alle vier de vorsten zijn er, in vier legerkampen op enige afstand van elkaar. In elk kamp bevindt zich een volledig leger. De Shienaranen kwam ik op de eerste dag tegen en het grootste deel van de week erna heb ik besteed aan gesprekken met Easar van Shienar en de andere drie.
1431 Birgittes schouderophalen zei dat ze dankbaar moest zijn dat die twijfel nu was verdwenen, maar Elayne vroeg zich af hoe die Grenslanden iets hadden vernomen dat slechts weinigen wisten. En als zij het wisten, hoeveel anderen waren dan ook op de hoogte? Ze zou zeker haar ongeboren kind beschermen.
1432 Waarvoor die haast? Laat Merilille doen wat de Grijzen doen, maak een afspraak tot overleg over enkele dagen of een week. Koninginnen houden niet van verrassingen en koningen haten ze. Geloof me, ik heb het op de harde manier moeten leren. Ze vinden altijd wel een weg om het je betaald te zetten.
1433 Haar vermoeidheid was door het nieuws dan wel verdwenen, maar het bleek op dit moment heel moeilijk om keurig en mooi te schrijven. Ze moest de juiste woorden zien te vinden. Dit zou geen brief worden van de erfdochter van Andor, maar van Elayne Trakand, Aes Sedai van de Groene Ajah.
1434 Tot haar verbazing uitte Mellar geen bezwaren dat hij achter moest blijven. Een vergadering met vier vorsten zou toch lang niet zo saai zijn als een met kooplieden, maar in plaats daarvan verzocht hij verlof van zijn taken omdat zij hem toch niet nodig had. Ze vond het wel goed.
1435 Ze eiste dat zij en de hele lijfwacht met Elayne mee zouden rijden. Birgitte moest haar uiteindelijk met een rechtstreeks bevel wegsturen. Birgitte leek nu eindelijk te accepteren dat Elayne niet omgepraat kon worden en ze vertrok samen met Caseille om zich om te kleden.
1436 Aviendha vloekte niet, maar bleef vermaningen rondstrooien. Alles moest echter zo verschrikkelijk snel gebeuren dat Elayne een goede smoes had om er niet naar te luisteren. Essande werd opgetrommeld om gepaste kleding klaar te leggen, terwijl Elayne snel een vroeg middagmaal genoot.
1437 Blijkbaar had Monaelle ook gezegd dat het overslaan van maaltijden even slecht was als te veel eten. Ze vroeg vrouwe Harfor of zij de glasblazers en de andere afgevaardigden wilde ontvangen. Reene Harfor grimlachte zwakjes en maakte met een hoofdbuiging kenbaar dat ze dat zou doen.
1438 Vandene bood ook geen raad, tenminste niet van het soort dat haar gezondheid betrof. Als onderdeel van haar opleiding had Elayne ook de naties langs de Verwording bestudeerd. Ze had haar bedoelingen besproken met Vandene, die de Grenslanden goed kende, maar ze zou haar liever hebben meegenomen.
1439 Ze stelde Vandene nog haastig enkele vragen terwijl Essande haar kleedde, enkel om zich wat zekerder te voelen over datgene wat Vandene haar al had verteld. Ze besefte ook dat ze eigenlijk niet gerustgesteld hoefde te worden. Ze voelde zich even scherp als Birgitte die een boog aanlegde.
1440 Reanne had elke dag dezelfde weving bij de stallen gemaakt nadat Merilille daar de eerste keer was vertrokken en ze zou diezelfde plek in het Breemwoud zo weer kunnen terugvinden. Er waren geen kaarten van die streek die Merilille goed genoeg vond om de plaatsen van de legerkampen aan te duiden.
1441 Als Elayne of Aviendha de poort zou maken, kon die weleens veel verder weg staan en niet op het kleine veld dat Reanne kende. En een lange rit door pasgevallen sneeuw naar de kampementen zou te veel tijd vergen. Elayne wilde dit snel achter de rug hebben. Snelheid, daar ging het om.
1442 Als Zaide ondanks Elaynes weigering per se mee zou willen, was ze in staat een windvindster een poort te laten maken. De vrouw gedroeg zich alsof ze evenveel recht op het paleis had als Elayne. Als Zaide zou meegaan en zou proberen de baas te spelen, kon ze alles kapotmaken.
1443 Haastig iets doen leek boven Essandes macht te gaan, maar ieder ander vloog en toen de zon recht boven hen stond, reed Elayne op Vuurhart langzaam door de sneeuw van het Breemwoud. In vogelvlucht ongeveer vijftig roede ten noorden van Caemlin, maar voor haar slechts een stap door een poort.
1444 Haar mantel was gevoerd met marterbont, maar de stof zelf was van donkergroene wol, zacht en dik, en haar rijrok was gemaakt van eenvoudige groene zijde. Zelfs haar fraaie rijhandschoenen waren van eenvoudig donkergroen leer. Dit was de wapenrusting van een Aes Sedai aan een hof.
1445 Ze droeg nog steeds haar Aielkleren, met als enige sieraden de zilveren ketting en de dikke ivoren armband. Haar stevige vos was een hand kleiner dan Vuurhart of Pijl, het magere grijze rijdier van Birgitte, en veel gemakkelijker te berijden, hoewel ze duidelijk meer ontspannen reed dan vroeger.
1446 Haar donkere mantel lag breed uitgewaaierd achter haar zadel en haar ingewikkelde vlecht reikte uit de opening van haar mantelkap bijna tot haar middel. Ze trok die kap net ver genoeg naar voren om haar gezicht te omlijsten en dat was het enige dat ze vanwege de kou bereid was te doen.
1447 Ze wilde voortdurend goed zicht hebben. De hoes die haar boog droog diende te houden hing open, zodat ze de boog snel kon pakken. Het voorstel een zwaard te dragen was met evenveel verontwaardiging afgewezen als wanneer Elayne aan Aviendha had gevraagd om er een te dragen.
1448 Haar korte groene jas zou prachtig in het bos zijn opgegaan als het zomer was geweest en wonderlijk genoeg vertoonde haar broek dezelfde kleur. Nu was ze een zwaardhand en niet de kapitein generaal van de koninginnegarde. De binding bracht naast oplettende aandacht ook ergernis over.
1449 De waakzaamheid liet de ergernis en al het andere in de binding verdwijnen. Aviendha voelde aan de greep van haar mes alsof ze er zeker van wilde zijn dat die er zat. Op de plek waar Merililles sporen in het bos waren verdwenen, stond tussen de bomen een groep mannen en paarden te wachten.
1450 Aan hun zwaardgordels en zadels hingen ook goedendags. Hun donkere ogen knipperden niet eenmaal. Een van de paarden zwiepte met de staart en die beweging leek angstwekkend. Een man met een scherp gezicht en een schorre stem nam het woord toen de drie vrouwen vlak voor hem de teugels aantrokken.
1451 Sommige Shienaranen wierpen nietszeggende blikken op Aviendha omdat ze een Aiel herkenden, maar de meesten sloten gewoon aan. Alleen de hoeven die krakend op de harde sneeuwkorst onder de verse vlokken stapten, verbraken de stilte tijdens hun korte rit. Ze had gelijk gehad.
1452 Maar weinigen droegen een wapenrusting, maar wapens en bewapening lagen wel binnen handbereik. De stank was niet zo erg als Merilille had beschreven, maar ze kon de zwakke stank van vuilkuilen en paardenmest wel ruiken onder de geuren van wat er in die kookpotten werd bereid.
1453 Aan vlees was waarschijnlijk moeilijker te komen dan aan graan, al werden ook de voorraden graan aan het eind van deze winter schaars. Gerstesoep gaf een man niet voldoende kracht en daarom dienden ze snel verder op te trekken, want deze streek kon vier legers van deze omvang nauwelijks onderhouden.
1454 Ze zag mannen pijlen maken, wagensmeden werken aan wagenwielen, hoefsmeden paarden beslaan, wasvrouwen in kokende ketels roeren en vrouwen met naald en draad kleren verstellen. Een leger werd altijd gevolgd door grote aantallen mensen, soms door evenveel mensen als het leger groot was.
1455 Ze keek woest rond of iemand haar ook uitlachte, streek toen haar ruim vallende rok goed en haalde de omslagdoek van haar hoofd en legde hem om haar schouders. Birgitte keek hoe haar paard werd weggeleid en leek vurig te wensen dat ze haar boog en pijlkoker had losgemaakt en meegenomen.
1456 Kayen trok een zeilflap opzij en maakte een buiging. Elayne haalde nog eenmaal diep en kalmerend adem en ging toen de andere twee voor. Ze kon niet toestaan dat ze haar behandelden alsof ze een verzoekschrift kwam afgeven. Ze kwam hier niet om te bedelen of iets te verdedigen.
1457 Soms merk je dat je met minder in aantal bent, had Garet Brin haar eens gezegd, en zie je geen uitweg. Doe dan altijd wat de vijand het minst verwacht, Elayne. Val aan. Vanaf het begin diende ze aan te vallen. Binnen liep Merilille snel over de tapijten naar haar toe.
1458 Dit was niet de grootse ontvangst die de erfdochter van Andor normaal gesproken mocht verwachten, met hovelingen en vele bedienden en wat ontspannen gebabbel voor de echte onderhandelingen zouden beginnen, waarbij mannen en vrouwen achter de vorsten hun raad verstrekten.
1459 Zeker geen dwaas. Terwijl de anderen hun leeftijd met waardigheid toonden, straalde Tenobia van Saldea eerder jeugd dan schoonheid uit door haar scherpe neus en brede mond. Haar scheef staande, bijna lichtpurperen ogen die recht in die van Elayne keken, waren haar fraaiste uiterlijke kenmerken.
1460 Misschien haar enige. Terwijl de anderen, al regeerden ze sterke naties, heel eenvoudig gekleed gingen, was haar lichtblauwe gewaad afgezet met parels en saffieren en ze droeg nog meer saffieren in het haar. Heel geschikt voor een koninklijk hof maar nauwelijks voor een legerkamp.
1461 Vorsten of niet, maar nu hadden ze geen andere keus dan haar te volgen of naar haar rug te staren. Naar Birgittes rug eigenlijk, want die stond achter haar. Zoals gewoonlijk liet Aviendha zich op de vloer zakken, waarna ze haar rok in een mooie waaier om zich heen schikte.
1462 Elayne dwong zich rustig adem te halen en hun blikken zonder met de ogen te knipperen te beantwoorden. Een leger uit de Grenslanden was een veel te grote val voor Elaida als ze zo graag Elayne Trakand in handen wilde krijgen, maar dat lag anders bij Rhand Altor, de Herrezen Draak.
1463 Merilille schoof onrustig heen en weer, maar hield zich aan haar opdracht. De Grijze zuster had ontzettend veel onderhandelingen gevoerd, maar als Elayne het woord zou nemen, moest zij zwijgen. Door de binding met Birgitte stroomde vertrouwen. Rhand was een rots, onleesbaar en ver.
1464 Haar optreden had haar ervan gered dat ze steeds om de zaken heen moest draaien om de waarheid geen geweld aan te doen. Egwene had gezegd dat ze moest proberen te leven alsof ze de Drie Geloften reeds had afgelegd, maar hier, in dit kampement, voelde Elayne hoe zwaar dat woog.
1465 Zo zal elke Andoraan het tenminste zien. Ook als de winter niet zo streng is, zal het nog weken duren voor we Andor bereiken. Tegen die tijd zal ze meer dan voldoende Andoraanse Huizen tegen ons op de been hebben gebracht en dat betekent voor haar dat ze de Leeuwentroon in bezit zal hebben of bijna.
1466 Ze was het punt waarop ze alles kon terugdraaien al voorbij. Ze zouden nu zeker naar het zuiden trekken, wist ze, maar zonder hun instemming zou er veel bloed worden vergoten. De stilte bleef lang in de tent hangen. Alleen wat kolen knisperden in een bak. Ethenielle keek de twee mannen aan.
1467 Egwene was vandaag uit Morland vertrokken en voerde het leger met zich mee dat Arathelle Renshar en de anderen in het zuiden had vastgehouden. Misschien zouden de naar het zuiden trekkende Grenslanders Arathelle, Luan en Pelivar dwingen te beslissen om haar te steunen. Het licht mocht dat geven.
1468 Afgezien van Tenobia leken de Grenslanders niet echt uitzonderlijk blij om Rhands verblijfplaats te weten. Ethenielle slaakte een lange zucht en Easar knikte slechts en kneep nadenkend de lippen op elkaar. Paitar dronk zijn beker half leeg en dat was zijn eerste echte slok.
1469 Het leek erop dat, hoe graag ze de Herrezen Draak ook wilden vinden, ze niet echt uitkeken naar een ontmoeting. Tenobia daarentegen riep de oude soldaat toe wijn te brengen en bleef maar praten dat ze haar oom zo graag wilde zien. Elayne had nooit kunnen denken dat die vrouw zoveel om familie gaf.
1470 Ze hielden ook de aanwezigheid van zusters geheim. Maar ze zouden van hem wegrijden als ze eenmaal naar Morland onderweg waren. Dat moest voor nu volstaan, maar ze wilde hem waarschuwen, als ze tenminste een manier kon bedenken zonder hem in gevaar te brengen. Zorg voor hem, Min, dacht ze.
1471 Zeker het bos achter hen. De zon stond laag boven de boomtoppen. Een witte vos verscheen en verdween weer. Ze zag iets wegflitsten op een kale grijze tak; een vogel misschien of een eekhoorn. Opeens dook er een zwarte havik omlaag en een ijle kreet doorboorde de stilte en stierf weg.
1472 Ze werden niet gevolgd. Ze maakte zich geen zorgen over de Shienaranen maar over die onzichtbare zusters. De uitputting die eerder op de dag door het nieuws van Merilille was verdwenen, was dubbel zo erg teruggekeerd, nu haar gesprek met de Grenslanders achter de rug was.
1473 Ze was zo moe dat het de grootst mogelijke moeite kostte; zo moe dat ze niet eens dacht aan de angreaal rond haar hals, waardoor het een kleine moeite zou zijn geweest. Ze dacht er pas aan toen de zilveren spleet verscheen en die uitzicht bood op een veld met bruin gras.
1474 Slapen zou heerlijk zijn. Van het oude oefenveld naar de hoge hoogpoort in de vijftig voet hoge stadswal was een korte rit. De lange rij marktgebouwtjes langs de toegangsweg naar de poort waren op dit tijdstip verlaten, maar gardisten met scherpe ogen hielden nog steeds de wacht.
1475 De schemering viel snel in en de hemel werd donkergrijs; de schaduwen in de straten versmolten met elkaar. Maar weinig mensen waren nog aan het werk; de meesten haastten zich om een eind te maken aan het werk van die dag voor ze thuis gingen eten en genieten van een warm haardvuur.
1476 Een stel dragers met een donker gelakte draagstoel van een koopman draafde verderop door een straat en enkele ogenblikken later reed een van de grote pompwagens achter een span van acht de andere kant op. De hoefijzers kletterden luid over de kasseien. Een brand ergens.
1477 Een groepje van vier gardisten kwam te paard op hen af, maar reed hen zonder op of om te kijken voorbij. Ze herkenden haar niet, evenmin als de mannen bij de poort. Zwaaiend in haar zadel reed ze verder, verlangend naar haar bed. Geschokt besefte ze opeens dat ze uit het zadel werd getild.
1478 Haar mes stak in de bedstijl en ze lagen nog steeds op de verkreukelde linnen lakens en warrige dekens. Hij droeg slechts de zijden das die zijn litteken om zijn hals verborg, en zij had alleen maar haar vel aan. En een mooi vel, de zachtste huid die hij ooit had aangeraakt.
1479 Verstrooid liet ze een lange, groengelakte nagel langs zijn andere littekens glijden. Hij had er op de een of andere manier nogal wat opgelopen, hoezeer hij ook had geprobeerd dat te voorkomen. Zijn vel zou op een veiling beslist niet veel opbrengen, maar zij vond de littekens boeiend.
1480 Hij was er redelijk zeker van dat ze een grapje maakte, maar niet volkomen zeker. De kleren die ze vandaag had gekozen, tooiden hem helemaal in een rood dat zo fel was dat het pijn deed aan je ogen. Alles was rood, zelfs zijn das en hoed, behalve de bloemen op de jas en de mantel.
1481 Het witte kant om zijn hals en polsen maakte alles nog roder. Maar hij trok de kleren haastig aan, verlangend om haar vertrekken uit te komen. Met Tylin deed een man er goed aan om nergens al te zeker van te zijn. En ze kon het weleens helemaal niet als grap bedoeld hebben.
1482 Een gevaarlijk idee misschien, maar hij had niet veel keus. De andere mogelijkheid was veel gevaarlijker. Hij reed niet alleen achteraan. Meer dan vijftig mannen en vrouwen stapten in twee rijen achter hem aan. Ze droegen dikke witte wollen kleren over hun gebruikelijke flinterdunne kleren.
1483 Een hoogblonde man van zijn leeftijd zou afgeranseld worden en de man had zich gehaast om het gereedschap voor zijn eigen bestraffing te halen. Hij had geen enkele poging gedaan om tijd te rekken of zich te verbergen, laat staan de bestraffing te ontlopen. Mart begreep zulke mensen niet.
1484 Onder hun rijrok waren hun enkels te zien, bij sommigen een fraai stel, maar de vrouwen zaten in het zadel of ook zij van het Bloed waren. De mantelkappen hingen op de rug en de koude wind blies hun mantels omhoog, alsof de kou hen niet deerde. Twee hadden een damane aan een leiband naast hun paard.
1485 Ebo Dar was een grote zeehaven, misschien wel de grootste haven in de bekende wereld, en de steigers staken als lange grijze vingers van steen uit de kade, die over de hele lengte van de stad liep. Bijna alle aanlegplaatsen waren ingenomen door allerlei Seanchaanse vaartuigen.
1486 Maar eerst gaf Tylin Mart een laatste kus en trok ze hem bijna de haren uit toen ze zijn hoofd omlaag trok, waarna ze hem in zijn bil kneep alsof er niemand stond te kijken, bloed en as! Suroth keek ongeduldig tot Tylin in de lange boot zat, en ook daarna bleef ze zich ergeren.
1487 Ze voeren tussen de verspreid voor anker liggende Seanchaanse schepen en de tientallen gekaapte Zeevolkschepen door, die overal in de haven dobberden. Het grootste deel scheen opnieuw te zijn opgetuigd, met Seanchaanse geribbelde zeilen en ander soort tuigage. Hun bemanningen waren ook Seanchaans.
1488 En hij kon er niets tegen ondernemen. Meer viel er niet over te zeggen. Hij wilde onmiddellijk wegrijden en de Zeevolkschepen achter zich laten. Niemand op de pier besteedde enige aandacht aan hem. Zodra de boten waren losgegooid, verdwenen de officieren. Een onbekende had de pakpaarden weggeleid.
1489 Maar als hij te snel wegging, kon Tylin wellicht denken dat hij regelrecht de stad uit wilde rijden en zou ze mensen achter hem aansturen, dus liet hij Pips aan het einde van de pier stilstaan en zwaaide als een gek tot ze zo ver weg was dat ze een verrekijker nodig had om hem nog te kunnen zien.
1490 Eenvoudig geklede kooplieden stonden te kijken hoe hun lading geladen of gelost werd. Soms werd een beurs in handen van een man of vrouw in een groenleren vest gedrukt om ervoor te zorgen dat hun goederen minder ruw of sneller werden behandeld, hoewel het gilde volgens hem niet sneller kon.
1491 Het moest dus Valan Luca worden. De enige andere keuze was gewoon te gevaarlijk, behalve in nood. Ook Luca was niet zonder gevaar, maar het was de enige echte keuze die hem overbleef. Terug in her Tarasinpaleis steeg hij met een pijnlijk gezicht van Pips af en trok zijn wandelstok uit de zadelriem.
1492 Iedereen die zoiets beweerde, moest wel ongevaarlijk zijn. Maar Mart had hem ook bezig gezien met die lange dolken die hij onder zijn jas droeg, en toen had hij er verre van ongevaarlijk uitgezien. Aan de manier waarop een man een wapen gebruikt, kun je zien of hij eraan gewend is.
1493 Mart gluurde om toen de oude man zich weghaastte. Onder een vergulde staande lamp stond Tuon, die hem door haar sluier gadesloeg. Ze keek tenminste zijn kant op. Gadeslaan? Zoals altijd draaide ze zich om zodra hij haar zag en verdween. Haar witte plooirok ruiste zachtjes.
1494 Nadat hij Lopin had weggestuurd om de rest van zijn kleren uit Beslans speelgoedkast te vissen, en Nerim om Juilin te vinden, voelde hij zich wat beter. Zijn been stak nog wel en hij wankelde nog steeds tijdens het lopen, maar als hij geen tijd wilde verknoeien, kon hij maar beter opschieten.
1495 Minder, als je aan de veilige kant bleef. Toen de dievenvanger zijn hoofd om de slaapkamerdeur stak, stond Mart zichzelf te bekijken in Tylins hoge staande spiegel. De rode kleren had hij in de klerenkast gestopt, samen met alle andere opzichtige kleding die ze hem gegeven had.
1496 Misschien kon Tylins volgende speeltje er wat van gebruiken. De jas die hij aan had, was het eenvoudigste dat hij bezat, een blauwe jas van fijne wol zonder borduursel. Het soort jas dat een man kon dragen zonder dat iedereen hem stond aan te gapen. Een fatsoenlijke jas.
1497 Zijn eigen kleren, dus. Ze grijnsden bij hoorbaar afgesloten weddenschappen over hoe snel hij zich weer zou verkleden als Tylin terug was. De meesten schenen te denken dat hij al rennend in de gang alles uit zou rukken zodra hij hoorde dat ze onderweg was. Maar hij lette er niet op.
1498 In hun ogen was Mart de kruidnagelolie tegen Tylins kiespijn, en ze wilden niet dat zij hen zou gaan bijten omdat er geen olie meer was. Als hij er niet voor gezorgd had dat Lopin of Nerim in Tylins vertrekken zijn bezit bewaakten, zouden zijn kleren waarschijnlijk verdwenen zijn.
1499 Mart probeerde het vuurtje op te stoken. Als hij ervandoor ging en er tegelijkertijd twee damane verdwenen, zouden die gebeurtenissen zeker met elkaar in verband worden gebracht, maar nu Tylin uit de weg was en hij doelbewust voor haar terugkomst weg wilde zijn, zou zij de schuld niet krijgen.
1500 Elke keer vertoonde haar gezicht meer vastbeslotenheid. En ook iets wat wellicht op paniek leek. Hij begon zich zorgen te maken over haar. Vanwege haar ongeduld. Hij wilde Teslyn geruststellen, want hij had geen oude herinneringen nodig om te weten dat een paniekerige vastberadenheid mensen doodde.
1501 Op elke hoek en in elke zijgang leek Tuon te staan, en dan keek ze hem aan of gleden haar blikken over hem heen of zoiets dergelijks. Het gebeurde iets te vaak om zich gerust te blijven voelen. Maar ook niet zo vaak dat hij meende dat ze hem volgde. Waarom zou ze dat doen? Toch wel vaak.
1502 Wilde ze hem wellicht nog steeds kopen? Maar ook in dat geval begreep hij er nog steeds niets van. Hij begreep toch al nooit wat vrouwen in een man aantrok, want ze leken bij de gewoonste kerel uit hun bol te gaan. Hij besefte echt wel dat hij ondanks Tylins woorden geen schoonheid was.
1503 Vrouwen logen om een man in bed te krijgen, en ze logen nog erger als ze hem daar eenmaal in hadden. Hoe dan ook, Tuon was slechts een kleine ergernis. Een vlieg op zijn neus. Niet meer dan dat. Er was meer nodig dan enkele kletsende vrouwen of starende meisjes om hem te laten zweten.
1504 Daar zorgde Tylin wel voor, zelfs nu ze afwezig was. Als ze terugkwam en hem betrapte, zou ze van mening kunnen veranderen en hem kunnen verkopen. Per slot van rekening was ze nu zelf een hoogvrouwe, en volgens hem zou het niet lang meer duren voor ze haar haren in een kam schoor.
1505 Tylin liet hem wel zweten, maar niet genoeg om in te verdrinken. Noal hield hem op de hoogte van de moordpartijen van de gholam, en soms deed Thom hetzelfde. Er was elke nacht een nieuwe moord, hoewel niemand anders dan zij drieën de moorden met elkaar in verband bracht.
1506 Als dat een nacht op de hooizolder van een stal betekende, nou ja, hij had eerder op hooizolders geslapen, hoewel hij zich niet meer herinnerde dat hooi zo scherp door je kleren prikte. Het was echter beter om door hooi geprikt te worden dan zijn keel open te laten scheuren.
1507 Thom kon net zo goed met koks omgaan als met boeren en kooplieden en edelen. Thom Merrilin had zijn eigen maniertjes waarmee hij geruchten kon opvangen en samenvoegen tot een volledig plaatje. Hij bekeek dingen op een andere manier en zag zo wat anderen over het hoofd zagen.
1508 Zodra de kip verorberd was, had Thom de enige manier bedacht waarop een Aes Sedai voorbij de stadswacht kon komen. Alles had toen zo gemakkelijk geleken. Eventjes. Maar er doemden al snel hindernissen op. Juilin bezat datzelfde vermogen om zaken op een heel andere manier te bekijken.
1509 Juilin zat in zijn hemdsmouwen op de rand van een bed met een gezicht waaruit niets viel op te maken, en Thom lag in zijn volle lengte op het andere bed en bekeek nadenkend zijn knokkels. Mart had geen andere keus dan bij de deur te gaan staan om te voorkomen dat er nog iemand zou binnenkomen.
1510 Juilins liefje had hem stevig in de vingers. Hij leek het niet erg te vinden om voor haar zijn Tyreense kleren te verwisselen voor de groenwitte bediendenlivrei, of het slapen te vergeten, zodat hij twee nachten na elkaar de vloer stond te vegen, niet ver van de trap naar de zolder.
1511 Hij deed of hij wilde leren hoe je onder Seanchaanse bezetting moest leven, en ze was volledig bereid om het haar Seanchaanse vriend te vragen. Ze zou zeer zeker niet bereid zijn om haar fraaie hoofdje op een staak te laten steken. Ze kon zelfs iets doen wat erger was dan nee zeggen.
1512 En opeens waren er al zes dagen voorbij. Nog vier dagen over. Voor Mart voelde het aan alsof er sinds Tylins vertrek zes jaar voorbij waren, en dat er nog maar vier uur resteerden. Op de zevende dag hield Thom Mart in de gang aan zodra hij van zijn paardrijden terugkwam.
1513 De enige zichtbare persoon was een stevige grijze man die Narvin heette. Hij was in livrei maar haastte zich nergens naar toe, en droeg niets. Dienaren die zo hoog waren als Narvin, haastten zich niet en droegen niets. Hij knipperde met zijn ogen toen hij Mart zag en keek achterdochtig.
1514 De hele stad was in rep en roer, beweerden ze. Het laatste slachtoffer, een vrouw, was gevonden bij een steeg en ineens waren de mensen aan het praten en brachten ze de ene moord in verband met de andere. Er liep een krankzinnige rond, en de mensen eisten meer Seanchaanse stadswachten op straat.
1515 Mart duwde zijn bord weg. Zijn honger was verdwenen. Meer soldaten. En alsof dat nog niet erg genoeg was, zou Suroth misschien besluiten om eerder terug te komen en Tylin met zich meebrengen. Hij kon op zijn hoogst op nog een dag of twee rekenen. Hij dacht dat hij ging overgeven.
1516 Hij had zijn wandelstok aan de kant gelegd en oefende om aan kracht te winnen. Hij meende twee of drie span te kunnen lopen zonder het been rust te moeten geven. Zonder al te veel rust, dan. In de middag bracht Juilin hem het enige goede nieuws dat hij in een eeuw had gehoord.
1517 Na bijna een week genoten te hebben van de zorg van vrouw Anan en van Enids kookkunst zag de Aes Sedai er niet meer zo verlopen uit. De gerafelde kleren waar Mart haar de eerste keer in had gezien, waren vervangen door fijne blauwe wol met een beetje kant aan hais en polsen.
1518 De halsband en de armband sleepten over de stenen. Joline nam haar rok op en stapte achteruit om elke aanraking te vermijden. Aan de manier waarop haar mond vertrok, had het ding een adder kunnen zijn. Hij vroeg zich af of de halsband wel paste; hij leek groter dan haar slanke hals.
1519 Hij was iets kleiner dan Blaeric en misschien wat breder in de borst en schouders, maar ze zouden zonder veel moeite elkaars kleren hebben kunnen dragen. Fens sluike zwarte haar hing bijna tot op zijn schouders, terwijl dat van Blaeric wat lichter was en in een knot was opgestoken.
1520 Ze hadden allebei veel met Joline op. Het stel praatte hetzelfde, dacht hetzelfde, bewoog zich hetzelfde. Ze droegen sjofele hemden en gewone wollen werkmansvesten tot over hun heupen, maar iedereen die hen voor werklieden aanzag, zelfs in dit armzalige licht, was blind.
1521 Licht! Ze keken naar Mart als hongerige leeuwen naar een geit. Hij ging anders staan, zodat hij de zwaardhanden zelfs niet eens meer vanuit zijn ooghoeken zag. De messen die hij op verschillende plaatsen op zijn lichaam verborgen had, boden hem weinig troost, met dat stel achter hem.
1522 Natuurlijk wilde hij graag de damane bevrijden, maar waarom zou zij zich daar zo over opwinden? En opgewonden was ze; haar hand gleed langs de greep van de lange, kromme dolk in haar riem. Ebo Dar had weinig op met beledigingen, en in dat opzicht was ze een zuivere Ebodaraanse.
1523 Maar iets heel anders kneep zijn keel dicht. Ineens zag hij zichzelf opgezadeld met de hele familie van vrouw Anan, onder wie haar getrouwde zonen en dochters met al hun kinderen, en misschien ook nog wat ooms, tantes, nichten en neven. Tientallen. Misschien wel honderd.
1524 Als je weg wilt, ga dan met een vissersboot van je man. Maar ik stel voor dat je een paar dagen wacht. Misschien wel een week of zo. Als de Seanchanen eenmaal ontdekken dat er twee damane vermist worden, zullen ze iedereen die wil vertrekken, het hemd van het lijf vragen.
1525 Hij had Joline waar hij haar wilde hebben, maar ze was lichtgeraakt, eigenzinnig en verwend, en dat waren nog maar de eerste woorden die bij hem opkwamen. Als ze ook maar even zou denken dat er een grote kans op mislukking was, zou ze waarschijnlijk een onzinnig plan proberen.
1526 De vrouw was nog steeds eigenzinnig. Ze kon eisen om ook de andere twee te redden, zoals Pura. Licht, hij had zich nooit met Aes Sedai moeten inlaten, en voor die waarschuwing had hij geen oude herinneringen nodig! Zijn eigen ervaring was in dit geval meer dan voldoende.
1527 Mart voelde een spierknoop in zijn nek wat losser worden, ongeveer op de plek waar de beulsbijl zou treffen. Aes Sedai verdraaiden hun woorden wanneer het hun uitkwam, maar ze verwachtten niet dat anderen hun eigen kunstje tegen henzelf gebruikten. Hij wendde zich tot Setalle.
1528 Dat was slechts een kwestie van de juiste plekken induwen aan de boven en onderkant, net niet tegenover de plek waar de leiband vastzat. Hij kon het met één hand doen en de armband ging met een klik open. De sluiting van de halsband was iets ingewikkelder, en je had er beide handen voor nodig.
1529 Er gebeurde zo te zien niets, tot hij de twee helften de andere kant op draaide. Toen vielen ze open, met een scherpere klik dan bij de armband. Eenvoudig. Natuurlijk, het had hem in het paleis bijna een uur gekost om erachter te komen, zelfs met wat Juilin gezien had hoe het werkte.
1530 Maar niemand hier stak de loftrompet. Iedereen keek zelfs alsof hij iets had gedaan dat zij ook konden! Setalle klikte de armband om haar pols, wikkelde de lijn om haar onderarm en hield de open halsband omhoog. Joline staarde er met afkeer naar; haar handen werden vuisten en grepen haar rok vast.
1531 Hij hield zijn adem in. De vrouwen stonden naast elkaar en deden een stap naar Mart toe, die weer begon adem te halen. Jolines gezicht betrok en werd onzeker. Toen zetten ze een tweede stap. Met een kreet viel de Aes Sedai op de vloer, waar ze in grote pijn rondkronkelde.
1532 Ze kromp in elkaar en haar armen en benen en zelfs haar vingers trilden en bogen zich in vreemde hoeken. Nauwelijks lag Joline op de vloer of Setalle viel op haar knieën, en haar handen gingen naar de halsband, maar Blaeric en Fen waren sneller, al handelden ze heel vreemd.
1533 Mart zag alleen maar al zijn mooie plannen in duigen vallen en zag de mannen nauwelijks. Hij wist niet wat hij nu moest doen of waar hij moest beginnen. Tylin kon binnen twee dagen terug zijn en hij wist dat hij weg moest zijn voor ze terug was. Hij schoof langs Setalle en klopte op haar schouder.
1534 Behalve een groep Doodswachtgardisten, mensen in plaats van Ogier, die over het plein heen en weer stampten, haastte iedereen zich het Mol Hara Plein over om hun werk voor de regen af te hebben. Toen hij de voet van het hoge standbeeld van koningin Nariene bereikte, viel een hand op zijn schouder.
1535 Er was geen manier om van de man af te komen, of hij zou erom moeten vechten, dus ging Mart mee. Een gevecht was niet de manier om onopvallend te blijven. Bovendien wist hij niet zeker of hij wel kon winnen. Domon zag er dik uit, maar dat vet lag over harde spieren heen.
1536 Drinkebroers praatten. Domon duwde hem de gelagkamer door en boog links en rechts naar het Bloed en naar officieren, die hem nauwelijks zagen, maar hij ging de keuken niet in, waar Enid hem een bank in de hoek had kunnen geven. In plaats daarvan troonde hij Mart de trap op.
1537 Ze droeg een lichtgele plooirok, met daaroverheen een met bloemen geborduurd gewaad. Mart herinnerde zich haar. Haar bleke gezicht had harde trekken en haar blauwe ogen waren even dwingend als die van Tylin. Alleen vermoedde hij dat Egeanin niet op zoenen en vrijen uit was.
1538 Maar ze moeten in staat zijn om hun mond te houden. Mijn zaken zijn mijn zaken. Baile noemde twee andere namen. Thom Merrilin en Juilin Sandar. Als een van hen in Ebo Dar is, kan ik hun bekwaamheden ook gebruiken. Ze kennen mij en ze weten dat ze mij met hun leven kunnen vertrouwen.
1539 Ze waren allebei beduidend minder verheugd over zijn nieuws dan Mart verwacht had. Thom had net gezegd dat hij eindelijk een van de juiste zegels goed had kunnen bekijken. Maar Juilin keek elke keer weer boos als hij naar het weggesmeten bundeltje in de hoek van de kamer keek.
1540 En Egeanin vond hen ook aardig. Ook al waren ze Aes Sedai, wat ze geloofde. Ze was heel bruikbaar in Tanchico. Heel bruikbaar. Meer dan bekwaam. Ik zou waarachtig wel willen weten hoe ze zich tot het Bloed heeft laten verheffen, maar ik geloof dat we Egeanin kunnen vertrouwen.
1541 Verhalen hebben macht. De verhalen van speelmannen, de vertellingen van minstrelen, en ook de geruchten op straat. Ze voeden hartstochten en veranderen de manier waarop de mensen de wereld zien. Vandaag hoorde ik dat Rhand trouw heeft gezworen aan Elaida en dat hij in de Witte Toren is.
1542 Tyr voegt zich naar Rhand, tenminste de edelen, omdat ze bang zijn dat hij anders terugkomt. Maar als ze geloven dat de Toren hem heeft, kan hij misschien niet meer terugkomen. Als ze geloven dat hij een speelpop van de Toren is, hebben ze nog meer reden om zich tegen hem te keren.
1543 Een man wilde altijd de vijandelijke generaal laten geloven dat hij iets anders ging doen dan wat hij ging doen. En de vijand probeerde hetzelfde, als de vijand in dat soort dingen kundig was. Soms konden beide partijen zo warrig handelen dat er heel vreemde dingen gebeurden.
1544 Hij hield alleen niet van dingen die hij niet begrijpen kon. Vooral als ze iets met de Ene Kracht te maken konden hebben. Het zilveren zegel met de vossenkop onder zijn hemd mocht hem dan tegen de Kracht beschermen, maar die bescherming had evenveel gaten als zijn eigen herinneringen.
1545 Die gedachte deed hem lachen, hoewel het te veel het geluid van hees gefluister had om leuk te zijn. Een goede veren matras en kussens met eiderdons waren nu eenmaal te verkiezen boven een hooizolder, vooral als een man niet wist wanneer hij weer fatsoenlijk van zijn nachtrust kon genieten.
1546 Hij kon echter niet in slaap komen en lag in het donker met een arm onder zijn hoofd en het leren koord van de vossenkop om zijn pols, klaar om te gebruiken voor het geval de gholam door de spleet onder de deur zou glijden, maar het was niet de gholam die hem wakker hield.
1547 Het was een dag voor moordpartijen. Geen plezierige gedachte als je hoopte de dauw van de volgende dag mee te maken. Het plan was eenvoudig. Nu hij iemand van het Seanchaanse Bloed kon gebruiken, kon er gewoon niets misgaan. Mart probeerde zichzelf daar heel hard van te overtuigen.
1548 Nerim vouwde de laatste kleren op die naar de herberg zouden gaan, met inbegrip van enkele hemden die Tylin had laten maken. Het waren tenslotte goede hemden, en Nerim beweerde dat hij iets aan het kantwerk kon doen, al liet hij het als altijd klinken alsof hij aanbood een doodskleed te naaien.
1549 Metwin en de andere twee krijgslieden zouden hen ervan overtuigen, als dat nog nodig mocht zijn. Die drie zouden Mart Cauton volgen, maar ze waren niet zo dwaas om hun nek op het blok te leggen als het zijne reeds gevallen was. Maar van Lopin en Nerim was hij niet geheel zeker.
1550 Hij opende het houten doosje dat Riselle hem had gegeven net lang genoeg om te zien of zijn roodhavikveer er veilig in lag, sloot de doos en borg hem op in de leren tas die hij zelf zou dragen. Hij paste net zo goed op de veer als op de beurs waarin twintig goudkronen en een vuistvol zilver zaten.
1551 Zelfs nu Vanin en Harnan kennelijk nog veilig in de grote barak bij de stallen zaten, wist het paleis dat Mart Cauton er heel gauw vandoor zou gaan en werden er reeds weddenschappen uitbetaald. Hij moest er slechts voor zorgen dat niemand erachter kwam hoe gauw dat was.
1552 Misschien praatten de kamermeisjes niet rechtstreeks met de Seanchaanse vrouwen, maar wat één vrouw wist, zou al gauw aan alle vrouwen binnen een span omtrek bekend zijn. Een bosbrand kon niet zo snel van droge boom tot boom overslaan als de onderlinge praatjes van vrouwen.
1553 Geluk luisterde heel nauw, met de dobbelstenen. Elders op geluk vertrouwen kon een man zijn dood betekenen. Hij ging op het bed liggen, legde zijn gelaarsde benen over elkaar en bleef naar de boog en speer kijken. De deur naar de zitkamer stond open en hij kon de klok zacht elk uur horen slaan.
1554 Werklieden die het weer hadden getrotseerd, zouden hun gereedschap nu neerleggen en naar huis sloffen. Niemand kwam de lampen aansteken of de haarden verzorgen omdat niemand hem hier verwachtte. De vlammen in de slaapkamer werden kleiner en stierven weg. Alles was nu in beweging.
1555 Er waren zelfs geen bliksems om de duisternis te verbreken. Alle straatlampen waren kennelijk door de regen en de wind uitgeblazen. Als ze het paleis zouden verlaten, zou het nachtelijke donker hen verbergen. En iedere nachtwacht die hen deze nacht wilde zien, zou twee keer moeten kijken.
1556 Hij huiverde toen de wind door zijn natte jas sneed en sloot het raam. Hij ging op een leuning van een stoel zitten, leunde met de ellebogen op zijn knieën en keek naar de klok boven de koude haard. Hij kon de klok niet zien in het donker, maar hij kon het regelmatige tikken wel horen.
1557 De lege gangen waarin hij liep, waren slechts vaag verlicht. Een op de drie of vier staande lampen brandden met kleine vlammetjes voor de spiegels en vormden kleine lichtpoelen met bleke schaduwen ertussen die net geen duisternis werden. Zijn laarzen klonken luid op de vloertegels.
1558 Ze weerkaatsten op de marmeren trappen. Het was heel onwaarschijnlijk dat er nog iemand wakker was op dit uur, maar als iemand hem zag, moest hij er niet uitzien alsof hij aan het rondsluipen was. Hij stak zijn duimen achter zijn riem en dwong zichzelf om onbezorgd voort te stappen.
1559 De Seanchaanse wachten zouden even onbeweeglijk staan als op een zonnige namiddag. Maar dat gold ook voor de Ebodaranen: ze hielden er niet van om door iets in verlegenheid gebracht te worden. Na een paar tellen trok hij zich terug in de voorhal om niet helemaal doornat te worden.
1560 Er bewoog niets op het erf. Waar bleven ze? Bloed en as, waar...? Er verschenen ruiters in de poort, voorafgegaan door twee man te voet met stoklantaarns. Hij kon hen in de regen niet tellen, maar het waren er te veel. Hadden Seanchaanse boodschappers lantaarndragers? Misschien, in zulk weer.
1561 De mantels hingen op hun rug en ze hielden hun ogen op de vloer gericht. Domon liep achter hen, alsof hij hen in de gaten moest houden. De vlecht opzij van zijn hoofd zwaaide mee als zijn ogen een zijgang inschoten, en soms voelde hij aan zijn middel alsof hij een zwaard of een knuppel wilde pakken.
1562 Ze klaagde echter niet meer. Snel klommen ze naar de bovenste verdieping van het paleis en vervolgens de smalle zoldertrap op. Er waren maar een paar lampen aangestoken, minder dan in de gangen beneden, en de doolhof van smalle gangetjes tussen de houten hokken vormde een massa vage schaduwen.
1563 Vooral als hij geen keus had. Egeanin keek hem nog een keer boos aan en bromde nog wat, dit keer woordeloos, en schreed toen met wapperende mantel achter de anderen aan. Hij trok een lelijk gezicht en keek haar na. Zoals die vrouw liep, zou je haar in een broek voor een man kunnen houden.
1564 Zodra Egeanin achter Domon en de anderen om een hoek verdween, schoot hij naar de dichtstbijzijnde deur van de kamer waar volgens hem iemand van het Zeevolk zat. Hij opende geluidloos de houten deur en glipte de inktzwarte duisternis in. De slapende vrouw daarbinnen snurkte met een raspend geluid.
1565 Hij hoefde alleen maar haar vingers op de juiste plekken te leggen en haar het kunstje één keer te tonen voor ze het doorhad, maar hij liet haar de halsband drie keer sluiten en openen voor hij tevreden was. Als hij dit toch ging doen, moest hij er ook voor zorgen dat het goed gebeurde.
1566 Ze kon alles bederven, maar als hij niet durfde te gokken, wie durfde het dan? Hij was per slot van rekening de man van het geluk. Misschien was dat de laatste tijd wat minder merkbaar geweest, maar had hij niet Egeanin gevonden, net toen hij haar nodig had. Mart Cauton bezat nog steeds geluk.
1567 Ik kwam juist naar boven om haar te zien. Ze doet het heel goed nu, vrouwe, maar... Mart hield nog steeds zijn adem in en liep op zijn tenen achteruit. Hij ging voorzichtig de donkere smalle trap af en drukte zijn handen tegen de muren om zoveel mogelijk van zijn gewicht te verdelen.
1568 Een man in nood pakte elke kans en stelde zijn geluk niet op de proef. Dat was de manier om lang te leven, en daar verlangde hij heel erg naar. Aan de voet van de trap bleef hij staan om diep in te ademen tot zijn hart zou ophouden met bonzen. Tot het bonzen in elk geval iets minder werd.
1569 Hij greep een zomertapijt om overeind te blijven, en de kleurige zijde scheurde half uit de kroonlijst. De grote, witte, porseleinen vaas op het tafeltje viel om en brak op de blauwwitte vloertegels met een klap die door de hele gang galmde. Daarna kon hij alleen nog strompelen.
1570 Het haardvuur was opnieuw aangestoken met houtblokken uit de vergulde houtmand. Tylin hield haar armen achter zich voor haar rugknopen en keek vragend op. Haar donkergroene rijkleren waren gekreukeld. Het vuur knapperde en spuwde een fontein van vonken de schoorsteen in.
1571 Dat mens had een tand kunnen breken! Maar ze had in elk geval zijn gedachten flink losgeschud. Als Suroth in De Zwerfster zat, was ze niet in het Tarasinpaleis om te zien wat ze niet zou mogen zien. Zijn geluk was er nog steeds. Hij moest zich alleen om de vrouw voor hem bekommeren.
1572 Ik ben koningin van Altara, het Licht mag me bijstaan, en ik laat mijn land niet in de steek. Ben je echt van plan om die Aes Sedai te bevrijden? Ik wens je alle succes toe en ik wens de zusters het beste toe, maar het lijkt mij een goede manier om je hoofd op een staak te krijgen, lieverd.
1573 Hij geloofde haar echt. Ze ging hem verkopen als hij gepakt werd. Vrouwen zijn als een nachtelijke doolhof vol doornen, luidde het oude spreekwoord, en zelfs zij weten daarbinnen de weg niet. Tylin stond erop om zelf aan te geven hoe ze moest worden vastgebonden. Ze scheen er trots uit te putten.
1574 De gangen bleven leeg en stil, alleen zijn hinkende voetstappen waren te horen, maar zijn opgeluchte gevoel verdween toen hij de voorhal naast de binnenplaats bereikte. De staande lamp wierp nog steeds een vaag licht op de alomtegenwoordige bloementapijten, maar Juilin en zijn meisje waren er niet.
1575 Egeanin en de anderen evenmin. Door de verloren tijd bij Tylin hadden ze hier eigenlijk al moeten zijn. Achter de zuilengang viel de regen als een zwart, alles verbergend gordijn omlaag. Konden ze naar de stallen zijn gegaan? Die Egeanin scheen zijn plan te veranderen wanneer het haar uitkwam.
1576 Haar donkere gezicht achter haar lange, doorzichtige sluier stond streng. De smalle diadeem die de sluier op haar geschoren hoofd vasthield, was een zee van vuurdruppels en parels, een fortuin, samen met de brede met juwelen bezette gordel om haar middel en de lange halsketting.
1577 Ze waren wel heel kostbaar. Waarom was ze in Lichtsnaam wakker? Bloed en as, als ze ervandoor ging om de wachten te waarschuwen...! Wanhopig probeerde hij het meisje vast te pakken, maar ze wrong zich uit zijn greep en liet de ashandarei wegvliegen met een scherpe klap die zijn pols verdoofde.
1578 Er stond nu beslist geen verrukking meer op haar gezicht te lezen, maar slechts intense concentratie. Ze zette haar voeten zorgvuldig neer en begon toen, zonder dat haar ogen zijn gezicht één tel verlieten, langzaam de witte plooirok rot boven haar knieën in haar handen te verzamelen.
1579 Hij sprong op haar af en alles gebeurde tegelijk. Door een pijnscheut in zijn heup viel hij op een knie. Tuon trok haar rok tot bijna haar heupen omhoog en haar dunne, in een witte kous gestoken been flitste naar hem toe. Haar schop schoot echter over zijn hoofd heen toen ze opeens werd opgetild.
1580 Uit haar keel kwamen nijdige geluiden en in haar ogen vonkte een woede die ze tijdens het gevecht niet had laten zien. Ze kronkelde heen en weer in Noals greep en trappelde met haar benen, maar het lukte de oude man zichzelf en zijn last zo te draaien dat haar hielen hem misten.
1581 Hij was het niet gewend vrouwen vast te binden. Hij scheurde een tweede strook van haar rok, raapte de diadeem op en ging staan. Hij gromde van pijn toen ze met een laatste schop zijn heup in brand zette. Toen hij de diadeem weer op haar hoofd zette, keek Tuon hem recht in de ogen.
1582 De kleine vrouw hield haar hoofd omhoog en weigerde minachtend zich los te worstelen. Zelfs met een prop in haar mond was haar verachting zichtbaar. Ze weigerde te vechten, niet omdat het hopeloos was, maar omdat ze verkoos niet te vechten. Er weerklonken voetstappen in de gang, die luider werden.
1583 Haastig gebaarde Mart de twee anderen dat ze uit het zicht in twee hoeken moesten gaan staan, waarna hij naar zijn zwarte speer hinkte. Juilin trok Thera overeind en hield haar naast zich, waar ze ineengedoken bleef zitten terwijl hij voor haar ging staan met zijn stok in beide handen.
1584 De Dochter van de Negen Manen. De Aelfinn hadden hem de waarheid verteld, hoezeer hij die kennis ook haatte. Hij zou sterven en opnieuw leven, als hij dat niet al gedaan had. Hij zou het halve licht van de wereld opgeven om de wereld te redden, en hij wilde niet eens bedenken wat dat inhield.
1585 Deze mollige kleine vrouw zei het echter en al was ze groter dan haar meesteres, hij bande haar dreigement uit zijn gedachten. Het Licht mocht weten dat vrouwen gevaarlijk waren, maar hij meende de kamenierster van een edelvrouwe wel aan te kunnen. Ze sloeg tenminste geen wartaal meer uit.
1586 Alle vreemdelingen in de gelagkamer waren mannen, aangezien de vrouwen meestal in de vrouwenkamer zaten. In de lucht hing de geur van vis en schapenvlees die in de keukens werden bereid. Soms werd met een kreet van een tafel een bediende geroepen die naast de anderen achterin stond te wachten.
1587 Een lange, bleke vrouw in donkergroene zijde schudde haar hoofd tegen een gedrongen man in een strakke zwarte Tyreense jas. Met haar grijze knot leek ze van opzij wel wat op Cadsuane. De man leek van steenblokken te zijn gemaakt, maar zijn donkere, vierkante gezicht stond bezorgd.
1588 Een Kandori met grijze strepen in zijn gevorkte baard en een grote parel in zijn linkeroor boog zich naar een stevige vrouw in donkergrijze zijde, die haar donkere haar in een strakke knot op haar hoofd droeg, ik heb gehoord dat de Herrezen Draak tot koning van Illian gekroond is, meesteres Shimel.
1589 Hoe dan ook, de Toren zal met hem afrekenen, als dat al niet gebeurd is, en vanmorgen ontving ik bericht dat de Steen van Tyr wordt belegerd. Dat is toch nauwelijks een situatie waarin je je bont gemakkelijk kwijt kunt, nietwaar? Nee, Tyr is niet de plaats als je het gevaar wilt ontlopen.
1590 De bediende bracht hem een tinnen beker met dampende kruidenwijn, mompelde haastig zijn dank voor het zilver en schoot weg toen er van een andere tafel geroepen werd. Twee grote haarden aan elke kant van de kamer verjoegen de kou, maar Rhand hield zijn handschoenen aan.
1591 De meeste opgevangen nieuwtjes vond hij niet interessant. Hij had het allemaal al eerder gehoord, en soms wist hij meer dan deze mensen. Elayne was het bijvoorbeeld met de lange, bleke vrouw eens, en zij kende Andor beter dan een koopvrouw uit Far Madding. Dat van de belegerde Steen was nieuw.
1592 Ze was zo ver weg dat hij niet kon zeggen of ze in Haddon Mir zat of in Tyr, maar hij wist zo goed als zeker dat ze in gezelschap was van de vier andere zusters die hij vertrouwde. Als Mera en Rafela konden krijgen wat hij van het Zeevolk wilde, dan konden ze dat ook bij de Tyreners klaarspelen.
1593 Er kwam een lange man binnen, gehuld in een vochtige mantel waarvan de kap zijn gezicht verborg. Rhands ogen volgden hem tot aan de trap achter in de gelagkamer. De kerel beklom de treden en gooide zijn kap terug, waardoor een bleek en ingevallen gezicht en een krans van grijs haar zichtbaar werd.
1594 Waarom kunnen de vrouwen niet gelijk hebben? fluisterde Lews Therin heftig in zijn hoofd. Deze stad is nog erger dan een kerker waar dan ook. Er is geen Bron hier! Waarom zouden ze blijven? Waarom zou een man met enig verstand hier blijven? We kunnen tot buiten de grenzen rijden.
1595 Een dag lang, een paar uur lang. Licht, slechts een paar uur! De stem lachte wild en onbeheerst. O Licht, waarom moet ik een krankzinnige in mijn hoofd hebben zitten? Waarom? Waarom? Boos dwong Rhand Lews Therin tot een gedempt gezoem, bijna als dat van een rondvliegende bijter.
1596 Hij had overwogen de vrouwen op hun rit te begeleiden, alleen maar om de Bron weer eens te voelen, maar alleen Min had iets van geestdrift getoond. Nynaeve en Alivia wilden niet zeggen waarom ze naar buiten wilden, terwijl de ochtendlucht de regen had beloofd die nu met bakken uit de hemel viel.
1597 Om de Bron te voelen, vermoedde hij. Om de Ene Kracht weer in te drinken, al was het maar voor even. Nou, hij kon er wel tegen om niet te kunnen geleiden. Hij kon de afwezigheid van de Bron verdragen. Hij kon het! Hij moest wel, zodat hij de mannen kon doden die geprobeerd hadden om hem te doden.
1598 Als de ziekte je te pakken krijgt wanneer je probeert om de toegangsangreaal te gebruiken, kan die poging je dood zijn, of erger nog. Het zou ons allemaal kunnen doden! kreunde hij. Er stroomde wijn over Rhands pols en zijn mouw werd nat. Hij liet de wijnbeker los uit zijn verkrampte greep.
1599 Hij was niét bang! Hij weigerde de angst hem aan te laten raken. Licht, hij zou toch ééns moeten sterven. Dat had hij aanvaard. Ze hebben geprobeerd me te doden, en daarom wil ik ze dood hebben, dacht hij. Als het tijd kost, is de ziekte misschien tegen die tijd voorbij.
1600 De regen, voortgezweept door de windstoten van het meer, had bijna iedereen van straat verjaagd. Met zijn ene hand trok hij de mantel om zich heen om de tekeningen in zijn zak te beschermen en zich zo goed mogelijk droog te houden, en met de andere hand hield hij de kap vast.
1601 De door de wind voortgeblazen regendruppels sloegen als ijspegeltjes tegen zijn gezicht. Nu en dan kwam er een draagstoel langs. Het haar van de dragers plakte doorweekt op de rug en hun laarzen spetterden door de plassen op de kasseien. Het zou nog wel enkele uren zo grauw blijven.
1602 Ik ben bang dat vrouw Keene weinig aandacht schenkt aan het komen en gaan van mannen. En hier ben ik, met doornatte schoenen en kousen. Toen ik een meisje was, hield ik ervan om door de regen te lopen, maar in de loop der tijd heeft het elke aantrekkingskracht verloren.
1603 Maar ze zijn de grens over. Ze richten versterkte kampen in langs de kust en in het binnenland. Ik weet weinig van krijgskunde. Als ik een geschiedenisboek lees, sla ik de veldslagen altijd over. Maar waar ze ook zitten, ik vermoed dat ze zich op de stad zullen richten.
1604 Verin tuurde naar hem als een dikke huismus. Al dat vechten, al die mensen die hij gedood had, en er was niets door veranderd. Niets! Ze heeft het mis, mompelde Lews Therin in zijn hoofd. Veldslagen kunnen de geschiedenis veranderen. Hij leek uit die woorden geen troost te kunnen putten.
1605 Of die in ieder geval zoveel mogelijk te verdoezelen. Er zijn maar weinig zusters onder de indruk van titels en kronen, Rhand, en voor Cadsuane geldt dat zeker. Ze vindt het veel belangrijker of mensen dwaas doen of niet. Als je aantoont geen dwaas te zijn, zal ze luisteren.
1606 Soms jaagt die vrouw me angst aan, mompelde Lews Therin, en Rhand knikte. Cadsuane joeg hem geen angst aan, maar deed hem op zijn hoede zijn. Bij iedere Aes Sedai die hem geen trouw gezworen had, paste hij op zijn tellen, behalve bij Nynaeve. En zelfs van haar was hij niet altijd zeker.
1607 Toen hij de twee span naar Het Raadshoofd terugliep, hield de regen op, maar nam de wind toe. Het uithangbord boven de deur, waarop een strenge vrouw was geschilderd die de met juwelen bezette diadeem van een Eerste Raadsvrouwe droeg, zwaaide aan piepende hengsels heen en weer.
1608 In Het Raadshoofd hadden de bedienden hun lange haren opgestoken met glimmende zilveren spelden. Er waren er slechts twee te zien, die bij de keukendeur stonden, maar er zaten dan ook slechts drie mannen aan de tafels, uitlandse kooplieden die ver van elkaar in hun wijn waren verdiept.
1609 Het konden rivalen zijn, aangezien zo nu en dan wel iemand op zijn stoel zat te schuiven om naar de andere twee te gluren. Een ervan was een oudere, magere man in een donkergrijze jas. Hij had een hard gezicht en droeg een rode steen zo groot als een duivenei in zijn oor.
1610 De klok op een schoorsteenmantel in de vrouwenkamer, waarvan Min beweerde dat het een klok met een zilveren kast was, sloeg met kleine belletjes het uur toen hij de gelagkamer betrad. Voor hij zijn mantel had uitgeschud, kwam Lan binnen. Zodra de zwaardhand Rhand aankeek, schudde hij zijn hoofd.
1611 Maar de glimlach reikte niet tot aan zijn ijzige ogen. ik mocht het van haar niet aan jou vertellen, maar aangezien je het al weet... Zij en Min hebben Alivia ervan overtuigd dat als ze Cadsuanes aandacht konden trekken, ze misschien in staat waren om haar nader tot jou te brengen.
1612 De binding waarschuwde hem en hij keek om toen Nynaeve door de erfdeur naar binnen kwam, gevolgd door Min en Alivia, die hun mantels uitschudden, aan hun rijrok trokken en nijdig naar de vochtige plekken keken alsof ze verwacht hadden dat ze in dit weer niet nat zouden worden.
1613 Rhand liet zijn adem langzaam ontsnappen. Nynaeve had haar geschillen met Cadsuane, die ze mettertijd kon overkomen. Min zag in de vrouw een strenge tante en Alivia vond haar een strenge lerares. Nynaeve kennende zouden de vonken opspatten tot alle geschillen geslecht waren.
1614 En op een strenge tante en lerares zat hij al helemaal niet te wachten. Maar hij zat eraan vast. Hij nam nog maar een slok wijn. De mannen aan de tafels zaten te ver om iets van hun gesprek op te vangen, maar toch liet Nynaeve haar stem dalen en boog zich naar Rhand toe.
1615 Die ontmoeting van vanavond was al erg genoeg zonder de wetenschap dat ze in Far Madding toch kon geleiden. Hij wilde juist vragen om samen naar boven te gaan, toen vrouw Keene haastig kwam aanlopen. De witte knot op haar hoofd zat zo strak dat het leek of de huid van haar gezicht werd getrokken.
1616 Hij keek nadenkend naar het opgevouwen stuk papier in Mins hand en wenste ongeduldig dat de herbergierster weg zou gaan. Mins lippen krulden en ze vermeed uit alle macht hem aan te kijken, waardoor hij wist dat hij de glimlach veroorzaakte. Haar vermaak druppelde door de binding.
1617 Op iedereen zou ze de indruk maken dat ze een burgeres van deze krankzinnige stad was. Er verschenen rimpels in haar voorhoofd toen ze las, maar een kleine vlam in de binding was de enige waarschuwing die hij kreeg. Ze verfrommelde de brief en draaide zich om naar de haard.
1618 Het was een volmaakt onbruikbaar handigheidje, had Thom haar eens verteld, dat echter heel eenvoudig de aandacht van de mensen wist trekken. Rhand stond midden in hun kamer en hield zijn zwaard in de schede op om nauwkeurig de zorgvuldig doorgesneden draden van de vredesband te bekijken.
1619 En net zoveel gezond verstand. Hij was niet van plan om gedood te worden, alsof ooit iemand dat wel van plan was! Ze klom het bed af en opende het laatje van het bedtafeltje om er de knoet uit te halen die vrouw Keene in elke kamer liet neerleggen, zelfs als ze die aan uitlanders verhuurde.
1620 En precies op dat moment kwamen Nynaeve, Lan en Alivia binnen. Nynaeve en Lan hadden hun mantels om, en Lan had zijn zwaard aangegord. Nynaeve had al haar sieraden afgedaan, behalve een met edelstenen ingelegde armband en de versierde gordel, de bron. Lan deed de deur zacht achter zich dicht.
1621 Haar gezicht hoorde op dat van een porseleinen pop te zitten, zo weinig gevoelens weerspiegelde het. O ja, ze was tot aan haar teennagels een echte Aes Sedai. Hij is niet je zwaardhand, hij is je echtgenoot, had Min willen zeggen, en jij kunt tenminste mee om een oogje in het zeil te houden.
1622 Bijna. Rhand gordde zijn zwaard aan over zijn jas, deed zijn mantel om en wendde zich naar haar toe. Zijn gezicht stond net zo hard als dat van Lan en zijn blauwgrijze ogen waren bijna net zo koud, maar in haar hoofd straalde die bevroren steen met aderen van glinsterend goud.
1623 In plaats daarvan vouwde ze haar armen en hief haar kin op en maakte haar afkeuring duidelijk. Zij was niet van plan om hem hier te laten sterven, en ze wilde niet dat hij dacht dat ze alleen maar toegaf omdat hij zo koppig was. Hij probeerde haar niet in zijn armen te nemen.
1624 Min had de laatste dagen veel tijd besteed om Alivia beter te leren kennen en had enkele opzienbarende dingen ontdekt. Oppervlakkig gezien was de vroegere damane een volwassen vrouw van middelbare leeftijd, streng en fel, zelfs overheersend. Ze wist stellig indruk te maken op Nynaeve.
1625 Alivia was op haar veertiende damane gemaakt, en haar voorliefde voor kinderspelletjes was niet het enige vreemde aan haar. Min had graag een klok in de kamer gezien, maar de enige herberg met een klok in elke kamer, was waarschijnlijk een herberg voor koningen en koninginnen.
1626 Het plaveisel was nog steeds glad van de regen en de koude wind probeerde Rhands mantel te grijpen, maar de mensen waren weer buiten en het was druk op straat. Drie straatwachten, waarvan een met een vangstaak, bleven even staan om naar Rhands zwaard te kijken, en liepen weer door.
1627 Het was twee verdiepingen hoog, de zoldering onder het steile puntdak niet meegerekend. Een magere man met weinig kin liet Rhands munt in zijn beurs vallen en gebruikte een dunne houten spatel om een vleespasteitje met een bruine korst van het houtskoolrooster te halen.
1628 In de hele straat haalden anderen snel wat eten bij de marskramers in de vorm van vleespasteitjes, gebakken vis of bakjes geroosterde erwten. Drie of vier mannen die even lang waren als hijzelf en twee of drie vrouwen die net zo lang waren als de meeste mannen op straat, zouden Aiel kunnen zijn.
1629 Misschien was die kerel zonder kin niet zo onbetrouwbaar als hij leek, of misschien kwam het doordat Rhand sinds het ontbijt niets meer had gegeten, maar hij merkte dat hij het pasteitje naar binnen wilde schrokken en er nog een wilde kopen. In plaats daarvan dwong hij zich langzaam te eten.
1630 Er was een geregelde stroom klanten die zijn winkel inging. De meesten hadden laarzen bij zich die opgelapt moesten worden. Zelfs als hij bezoekers de trap liet opgaan zonder eerst bericht naar boven te sturen, zou hij hen later kunnen aanwijzen, en misschien konden twee of drie anderen dat ook.
1631 Aan de andere kant stond een huis van twee verdiepingen, waarin beneden een naaister werkte. Dit huis stond vast aan het huis van Zeram. Achter het huis was nog een steegje om afval en zo weg te halen; daar had Rhand al rondgekeken. Zerams huis had geen ramen, behalve aan de voorkant.
1632 Er moest een manier zijn om van binnenuit op het dak te komen, want de leien moesten bij een lekkage hersteld kunnen worden. Vanaf het dak was het een kleine sprong naar het dak van het huis van de naaister, waarna er nog drie daken moesten worden overgestoken, tot er weer een lager gebouw kwam.
1633 De Blauwkarperstraat was zo kronkelig dat het dichtstbijzijnde wachthuisje niet te zien was. Rhand zag twee mannen bij het huis van de laarzenmaker aankomen. Hij draaide zich snel om en deed of hij door de ruitjes van de messenwinkel naar de uitgestalde messen en scharen keek.
1634 Charl Gedwyn had de gewoonte overgenomen om zijn haar achter met een zilveren speld bijeen te houden. Op de speld zat een rode steen. De man had een hard gezicht en hij keek met uitdagende blikken de wereld in. Gedwyns aanwezigheid betekende dat de andere man Torval moest zijn.
1635 Daar wilde Rhand wel om wedden. Geen van de anderen was zo lang. Rhand wachtte tot het stel in Zerams winkel was verdwenen en ging toen op zoek naar Nynaeve en Lan terwijl hij een paar vettige kruimels van zijn handschoenen likte. Hij vond hen al snel, in de bocht van de straat.
1636 Natuurlijk zouden ze proberen om hen zonder waarschuwing te doden. Dit was geen tweegevecht, het was een terechtstelling, zoals ze zelf al had gezegd. Rhand hoopte tenminste vurig dat het dat ook zou zijn. De steeg achter de gebouwen was iets breder dan het steegje naar de straat toe.
1637 De steenachtige bodem vertoonde de sporen van vuilkarren die er in de ochtenden langs werden getrokken. Om hen heen rezen blinde stenen muren op. Niemand wilde een raam met uitzicht op de vuilwagens. Nynaeve tuurde omhoog naar de achterkant van Zerams huis en zuchtte toen opeens.
1638 Iets onzichtbaars wikkelde zich onder zijn armen om zijn borst heen en langzaam steeg hij op; hij zweefde omhoog tot hij boven de overhangende dakrand was. Het onzichtbare tuig verdween en zijn laarzen klapten op het hellende dak en gleden iets weg op de vochtige grijze leien.
1639 De zolder was leeg, op een stoel met drie poten en een openstaande kist na. Kennelijk gebruikte Zeram de zolder niet meer als opslagruimte sinds zijn vrouw huurders aannam. Zachtjes stappend zochten de twee mannen de vloerplanken af tot ze een tweede luik in de vloer vonden.
1640 Rhand wist niet wat hij aan zou aantreffen. Hij landde licht op de bal van zijn voeten in een kamer die in plaats van de zolder als opslagruimte werd gebruikt. Kasten en klerenkasten stonden tegen de muren aangeschoven, houten kisten waren op elkaar gestapeld en stoelen stonden op tafels.
1641 Maar het laatste dat hij had verwacht, waren de twee dode mannen op de vloer. Ze lagen erbij alsof ze de opslagruimte waren ingesleept en ter plekke waren neergegooid. Hun zwarte, opgezwollen gezichten waren onherkenbaar, maar de kleinste had een zilveren haarspeld met een grote rode steen.
1642 Hij had de afvalligen met zijn eigen handen willen doden, maar nu Torval en Gedwyn dood waren, besefte hij dat hij er niet om gaf wie hen doodde, zolang ze maar dood waren. Hij bedacht dat Kisman ook dood moest zijn. Hij moest dat gezwollen lijk zijn dat de koopman in Het Gouden Wiel had genoemd.
1643 Als Dashiva door een vreemdeling zou worden gedood, zou dat evenmin uitmaken. Maar Fajin was een andere zaak. Fajin had samen met de Trolloks Tweewater aangevallen en hem een tweede wond gegeven die niet genezen kon. Als Fajin binnen bereik was, wilde Rhand hem niet laten ontsnappen.
1644 Hij gebaarde Lan hetzelfde te doen als bij het luik en plaatste zich voor de deur, met zijn zwaard in beide handen. Toen Lan de deur openrukte, sprong hij een grote, door lampen verlichte kamer in waar een spijlenbed tegen de achtermuur stond en een klein haardvuur brandde.
1645 Zijn ooghoek ving een flikkering op en iets trok aan de mantel die achter hem opbolde. Hij draaide zich onhandig om en weerde de steken van de kromme dolk af. Elke beweging kostte hem inspanning. De wonden in zijn zij klopten niet meer, maar klauwden in hem als gesmolten ijzer en ijzig ijs.
1646 Lan beantwoordde hem met dezelfde sierlijkheid in hun dans van staal en dood. Rhand schrok bij het zien van de man die geprobeerd had de troon van Cairhien op te eisen en zich nu in een versleten jas in Far Madding bevond, maar hij hield zijn ogen en zwaard op Fajin gericht, de vroegere marskramer.
1647 Duistervriend en erger, had Moiraine hem lang geleden genoemd. De verblindende pijn in Rhands zij liet hem struikelen toen hij Fajin naderde. Hij sloeg geen acht op het gestamp van laarzen en het gegalm van staal op staal achter hem, zoals hij ook Lews Therins gekreun negeerde.
1648 Fajin danste en sprong en probeerde dicht genoeg bij hem te komen om de dolk te gebruiken die de nooit helende wond in Rhands zij had gemaakt. Hij gromde en vloekte toen Rhands wapen hem achteruit dwong, en opeens draaide hij zich om en rende naar de achterkant van het gebouw.
1649 De martelende pijn in Rhands zij vervaagde tot niet meer dan pijnlijk geklop toen Fajin verdween, maar hij volgde hem niettemin heel behoedzaam. In de deuropening zag hij al dat Fajin niet probeerde zich te verbergen. De man wachtte hem boven aan de trap op met de kromme dolk in zijn hand.
1650 Lan lachte niet, maar dat deed hij zelden, behalve bij Nynaeve. Uit het trapgat klonken geschreeuw en gekrijs van beneden. Misschien zouden de straatwachten Fajin grijpen. Misschien werd hij gehangen als straf voor de lijken die hier lagen. Het was niet genoeg, maar hij moest het ermee doen.
1651 Daar klommen ze verder omhoog naar de nok. Hoewel de straatwachten zich nog op straat bevonden, was er nog steeds een goede kans om ongezien weg te komen, vooral als ze Nynaeve konden gebaren om voor afleiding te zorgen. Rhand reikte naar de nok toen achter hem Lans laars krassend weggleed.
1652 Rhand gooide zich om en greep Lans pols, maar zijn gewicht trok hem over de gladde grijze helling omlaag. Tevergeefs grabbelden ze met hun vrije hand naar uitsteeksels, naar de rand van een lei, naar alles. Geen van beiden sprak een woord. Eerst gleden Lans benen over de rand, toen de rest.
1653 Ze stopte haar hand onder haar mantel om die van binnenuit tegen de wind dicht te houden. De mantel was mooier dan de mantels die de andere mensen op straat droegen, maar toch zo eenvoudig dat de mensen geen aandacht aan haar besteedden. Dat zouden ze wel doen als ze de gordel zagen.
1654 Nadat ze er lang genoeg had gestaan om zowat elke tres, elke nestel en elke boord te hebben aangeraakt, betrok het gezicht van de magere verkoopster, maar Nynaeve had al drie stukken boord gekocht, twee rollen lint en een pakje spelden, om een reden te hebben daar zo lang rond te hangen.
1655 De straatwacht klom van zijn hoge plek omlaag. Voorbijgangers in de buurt van het huisje keken de zijstraat in, naar het andere eind van de Blauwkarperstraat, waarna ze zich haastig tegen de gevels drukten toen er hollende wachten verschenen die met houten ratels boven hun hoofd rondzwaaiden.
1656 Nog meer wachten uit een andere straat voegden zich bij de groep. Mensen die te traag opzij gingen, werden opzij geduwd. Een man viel en werd onder de voet gelopen, maar de wachten hieven geen tel staan. De bandverkoopster verloor de helft van haar blad terwijl ze zich tegen een muur aandrukte.
1657 Ook Nynaeve perste zich snel tegen de stenen gevel, vlak naast de verkoopster, die met open mond rondkeek. Een menigte wachten vulde de hele straat en hun vangstaken en vechtstokken staken als pieken omhoog. Ze botsten hard met hun schouders tegen Nynaeve en sleurden haar langs de muur mee.
1658 Toen ook de laatste voorbij was gerend, bevond Nynaeve zich zeker twintig stappen verder van de plaats waar ze eerst had gestaan. De bandverkoopster schudde met haar vuisten en gilde de mannen boze woorden achterna. Nynaeve trok verontwaardigd haar weggeschoven mantel min of meer fatsoenlijk.
1659 Ze was eraan toe om meer te doen dan wat geschreeuw. Ze was eigenlijk van plan... Opeens stokte haar adem in de keel. De straatwacht was in een grote groep blijven staan. Zeker honderd man riepen elkaar van alles toe alsof ze opeens twijfelden over wat ze hierna moesten doen.
1660 O, Licht, Lan! En Rhand ook, natuurlijk, maar op de eerste en belangrijkste plaats kwam toch het hart van haar hart, Lan. Ze dwong zichzelf rustig te ademen. Honderd man. Ze voelde aan de brongordel rond haar middel. Nog niet de helft was gevuld met saidar, maar wellicht was het genoeg.
1661 Niemand keek haar kant uit. Ze kon... Ze werd gegrepen door sterke handen die haar achteruit trokken en haar toen ronddraaiden om de andere kant uit te kijken. Cadsuane hield haar ene arm vast, besefte ze, en Alivia de andere. Samen droegen de twee vrouwen haar de straat uit.
1662 Zijn handschoenen. Ze wisten dus wie hij was. Voorzichtig ging hij rechtop zitten. Zijn gezicht voelde gekneusd aan en iedere spier in zijn lichaam deed pijn, alsof hij geslagen was, maar er leek niets gebroken. Hij ging langzaam rechtop staan en liep al tastend langs de stenen muur naast de brits.
1663 Bijna meteen kwam hij bij een hoek en daarna een deur die met ruwe ijzeren banden was beslagen. In de duisternis voelden zijn vingers een smalle klep, maar hij kon hem niet openduwen. Nog geen spiertje licht kierde erlangs. In zijn hoofd begon Lews Therin zwaar te hijgen.
1664 De vloerstenen voelden koud aan onder zijn blote voeten. De volgende hoek kwam bijna meteen en toen een derde hoek, waar zijn tenen tegen iets aanstootten dat rammelend over de stenen vloer schoof. Met een hand tegen de muur bukte hij zich en voelde dat het een houten emmer was.
1665 Hij liet hem daar staan en dwong zich het hele rondje te lopen, helemaal rond tot aan de ijzeren deur. Helemaal. Hij zat in een zwarte doos van drie stappen lang en krap twee stappen breed. Hij hief zijn hand en raakte amper een voet boven zijn hoofd de stenen zoldering aan.
1666 Ingesloten. Lews Therin zat schor te hijgen. Het is weer die kist. Toen die vrouwen ons in de kist stopten. We moeten eruit! jankte hij. We moeten eruit! Rhand negeerde de krijsende stem in zijn hoofd en schoof weg van de deur tot hij naar zijn gevoel midden in de kerker stond.
1667 Hij bleef zo ver mogelijk weg van de muren en in het duister verzon hij dat ze nog veel verder weg waren, maar in werkelijkheid hoefde hij zijn armen niet eens helemaal te strekken om steen aan te raken. Hij kon voelen hoe hij beefde alsof een vreemd lichaam onbeheerst schokte en trilde.
1668 Moiraine Damodred. Iedere naam op die lijst veroorzaakte een diepe smart, waardoor hij zijn eigen pijnen vergat, de stenen muren vergat die zich vlak naast zijn vingertoppen bevonden. Colavaere Saighan, die gestorven was omdat hij haar alles ontnomen had wat zij waardevol achtte.
1669 Alivia had de neiging heel mild te zijn voor mensen die ze niet weg kon kijken, maar bij het zien van die twee kwetterende spreeuwen spuwden haar ogen vuur. Hun hoofden draaiden tegelijk naar de goudblonde vrouw en het gekwetter ging over in heerlijke stilte. Stil, maar niet echt aanvaard.
1670 Cadsuane voelde eigenlijk best wat medeleven. Een beetje. Het was een les die niet iedereen in de Toren kon leren. Zijzelf had het, nog vol trots vanwege haar nieuwe stola en haar eigen kracht, geleerd van een bijna tandeloze wilder in een boerderij midden in de Zwarte Heuvels.
1671 Maar het waren en bleven slechts klerken en boodschappenjongens. De schrijvers aarzelden in ambtelijke verbazing. Ieder achtte de ander meer geschikt om als eerste iets te zeggen, maar de in rode jassen gehulde boodschappers beseften heel goed dat het niet aan hen was om iets te zeggen.
1672 Ze schoven over de vloertegels naar de zijkant van het vertrek en de schrijvers weken voor haar uiteen. Niemand durfde eigenlijk de eerste te zijn om iets te zeggen. Toch hoorde ze hoe iedereen een zucht slaakte toen ze een van de hoge deuren opende waarin de Hand en het Zwaard waren uitgesneden.
1673 Sybaine, haar haren even grijs als die van Cadsuane, zakte in haar stoel onderuit en begon zich met haar slanke hand koelte toe te wuiven, terwijl Cumeres mond vertrok alsof ze wilde overgeven. Aleis was echter uit sterker hout gesneden, al drukte ze beide handen tegen haar buik.
1674 De zon was een bleke gouden schijf vlak boven de kim en verlichtte een wolkeloze hemel. De lucht was nog wel zo koud dat zijn adem besloeg en de wind deed zijn mantel opwaaien. Hij voelde de kou niet echt, alleen maar als iets dat ver weg was en eigenlijk niets met hem te maken had.
1675 Aan het eind schoten zijn ogen met een ruk omhoog en staarde hij verbijsterd naar de mannen en vrouwen te paard die geduldig stonden te wachten. Hij las het papier opnieuw terwijl zijn lippen de woorden vormden, alsof hij van elk woord zeker wilde zijn, en dat was geen wonder.
1676 Het was getekend en gezegeld door alle dertien raadsleden en het bevel zei dat de vredesbanden niet nagekeken hoefden te worden en de pakpaarden niet nagezocht. De namen van deze groep dienden volledig uit de poortlijsten te worden gewist en het bevel zelf moest worden vernietigd.
1677 Zijn hoofd tolde en hij zwaaide in het zadel heen en weer; zijn maag verkrampte in zijn gevecht om de lawine te berijden die zijn geest wilde verzengen, om mee te woeden met de storm die zijn ziel trachtte te scheuren. Er was geen vergiffenis of medelijden in de mannelijke helft van de Ene Kracht.
1678 Hij had haar liever in Far Madding achtergelaten, maar over dat onderwerp had Cadsuane hem haar eerste raad gegeven. Je hebt een overeenkomst met ze gesloten, knaap, en dat is net zo geldig als een getekend verdrag of je belofte. Hou je eraan, of zeg hun dat de overeenkomst is verbroken.
1679 Anders ben je gewoon een dief. Recht voor zijn raap en op een toon die geen enkel misverstand liet bestaan over wat zij van dieven vond. Hij had nooit beloofd haar raad op te volgen, maar ze had zo geaarzeld of ze wel zijn raadsvrouwe wilde worden, dat hij haar nu niet zo snel wenste weg te jagen.
1680 Hij wist zeker dat zij hem even snel in de steek zou laten als de vier vrouwen, misschien nog sneller. Voor andere ogen dan de zijne onderscheidde deze plek zich in het geheel niet van het landschap om hen heen, maar Rhand had er voor hij Far Madding binnen was gegaan iets begraven.
1681 Met stromen Lucht gooide hij de dikke laag rottende bladeren en takjes opzij en schoof de vochtige aarde weg tot een lang, dun pak zichtbaar werd dat met leren koordjes was dichtgebonden. Er bleef wat zand aan de doek plakken toen hij Callandor naar zijn hand liet zweven.
1682 Zonder schede had hij het moeten achterlaten in de brugvesting, en daar zou het een gevaarlijk vaandel zijn geweest dat Rhands aanwezigheid verkondigde. Het was onwaarschijnlijk dat er nog een kristallen zwaard bestond en te veel mensen wisten dat de Herrezen Draak er een had.
1683 Maar ook zonder dat zwaard had men hem opgesloten in een donkere, kleine, stenen kist onder de... Nee, dat was voorbij. Voorbij. In de schaduwen van zijn geest zat Lews Therin zwaar te hijgen. Hij stak Callandor onder zijn zadelriem en wendde het grijze paard om de anderen aan te kijken.
1684 De paardenhoeven kletterden hier op de rotsachtige, met dunne aarde bedekte grond die de bladloze bomen had laten krommen. Hier en daar waren nog grote delen bedekt met sneeuw. Rhand stapte af en keek naar de boven de bomen uitstekende gebouwen van de stad die ooit Aridhol had geheten.
1685 De snee van Padan Fajins dolk, Marts dolk uit Shadar Logoth, klopte niet tegelijk met het kloppen van de grotere wond eronder, maar klopte er eigenlijk afwisselend tegenin. Cadsuane nam de leiding en gaf bruusk haar bevelen, zoals hij had kunnen verwachten van een Aes Sedai.
1686 Lan, Nethune en Bassane reden het bos in om rond te kijken en de andere zwaardhanden kluisterden de paarden en bonden ze aan lage takken vast, zodat ze niet in de weg liepen. Min richtte zich in de stijgbeugels op, trok Rhands hoofd omlaag en drukte een kus op zijn ogen.
1687 Moad, in zijn vreemde blauwe gevulde jas, liet Harine op een rotspunt plaatsnemen en probeerde haar te kalmeren; zijn ogen gleden over de omringende bomen en zijn hand gleed over het lange ivoren gevest van zijn zwaard. Jahar kwam van de paarden aanlopen en trok de doek van Callandor af.
1688 Met haar ene hand hield ze de leren tas aan haar schouder goed vast, terwijl de andere hand even krachtig om de dikke vlecht was geklemd die uit haar kap hing. ik zeg maar zo, naar de Doemkrocht ermee. Weet je zeker of Min ditmaal niet ongelijk heeft? Nee, ik neem aan van niet.
1689 Nynaeve streek haar mantel glad en ging zitten op een hoge grijze steen ter grootte van een bankje. Ze trok de tas op haar schoot en sloeg de leren flap open. Rhand liet zich in kleermakerszit voor haar op de grond zakken, waarna ze de twee toegangssleutels te voorschijn haalde.
1690 Hij zette zijn handen naast hem op de grond vanwege de misselijkheid die zou toeslaan wanneer hij de Bron weer aanraakte, maar opeens tolde zijn hoofd van een andersoortige duizeligheid. Eén tel vulde een vaag gezicht zijn gezichtsveld, waardoor hij Nynaeve niet meer zag.
1691 Hij hing aan het randje en wilde huilen van dodelijke pijn toen flakkerende vlammen hem leken te verbranden, terwijl huilende winden korreltjes bevroren zand tegen zijn huid bliezen. Hij zag Nynaeve snel ademhalen, besefte dat het maar een tel duurde, maar voor hem leken het wel uren voor.
1692 Hij zag zijn eigen stroom in Nynaeve verdwijnen. Hij voelde saidin in zich zieden, voelde de verraderlijke getijdenstromen en de bewegende grond die hem in een hartenklop konden vernietigen, voelde dat het onvermogen tot strijd of de onbeheersbaarheid op zichzelf dodelijke pijnen waren.
1693 Het was zo... anders. Vergeleken met het geweld van saidin was saidar een kalme rivier, een lieflijke stroom. Hij raakte die rivier aan, en opeens vocht hij tegen stromen die hem er verder in wilden slepen, vocht tegen wervelende draaikolken die hem onder wilden trekken.
1694 Hoewel hij slechts heel even geprobeerd had saidar te beheersen, kreeg hij in dat korte ogenblik al het gevoel dat hij erin verdronk en weggevaagd werd naar een eeuwigheid. Nynaeve had hem gezegd wat hij moest doen, maar het had zo vreemd geleken dat hij haar eigenlijk nu pas geloofde.
1695 Hij spande zich in en dwong zichzelf om de stromen niet te bevechten, en al snel was de rivier weer kalm en vredig. Dat was de eerste moeilijkheid: saidin bevechten terwijl je je overgaf aan saidar. De eerste moeilijkheid en de eerste sleutel voor wat hij moest verrichten.
1696 Hij dwong zichzelf om voorzichtig te werk te gaan. Hij wilde de ontzaglijke kracht van het onbekende saidar gebruiken en sturen zoals hij het wilde. Onhandig weefde hij een buis die aan het ene eind de mannelijke helft van de Bron raakte en aan de andere kant de verre stad.
1697 Die buis moest uit onbesmet saidar bestaan. Als dit verliep zoals hij hoopte, zou een buis van saidin kunnen verbrijzelen wanneer de smet eruit begon te lekken. Hij dacht eraan als een buis, al was het eigenlijk iets anders. De weving vormde zich helemaal niet zoals hij verwacht had.
1698 Alsof saidar een eigen wil bezat, vormde de weving zich tot krullen en spiralen die hem aan een bloem deden denken. Er viel niets te zien, geen grootse golven die vanuit de hemel omlaag rolden. De Bron lag in het hart van de schepping. De Bron was overal, zelfs in Shadar Logoth.
1699 Saidin en saidar, even en oneven, konden zich niet mengen. De saidinstroom kromp samen, weg van het aanwezige saidar, dat er van alle kanten tegenaan duwde. Saidar perste het nog verder samen en liet het sneller stromen. Het zuivere saidin, zuiver afgezien van de smer, raakte Shadar Logoth.
1700 De wonden in zijn zij leken nog sneller te kloppen. Temidden van de vuurstormen en de ijzige woede van saidin leek het of de smerigheid bewoog en veranderde. Slechts een klein beweginkje dat wellicht aan zijn aandacht was ontsnapt als hij zich niet had ingespannen om iets te vinden.
1701 Haar ogen straalden alsof de stroom saidar in haar volstond voor alle vreugde in haar. Hij onttrok nog veel meer aan beide helften van de Bron, versterkte de buis terwijl hij er meer saidin doorheen dwong. Hij putte de Ene Kracht uit de Bron tot hij niets meer kon krijgen.
1702 Elza bevoelde de Grote Serpent ring aan haar linkerwijsvinger en staarde naar de man die zij had gezworen te dienen. Hij zat met een grimmig gelaat op de grond en staarde recht voor zich uit, alsof hij de wilder Nynaeve tegenover hem niet zag zitten; hij gloeide als een zon.
1703 Alle zusters uit de Witte Toren tezamen zouden slechts een deel van die stroom hebben kunnen controleren. Ze benijdde de wilder erom en bedacht tegelijk dat zijzelf waanzinnig zou zijn geworden van saidars pure vreugde. Ondanks de kou parelden er druppels zweet op Nynaeves gezicht.
1704 Overal op de heuveltop vormden zich soortgelijke cirkels. Sarene en Corele koppelden aan de oude man Flin; en Nesune, Beldeine en Daigian met de jonge Hopwil. Verin en Kumira vormden zelfs een groep met de wilder van het Zeevolk. Ze was heel sterk en iedereen moest ingezet worden.
1705 Zodra een groep zich had gevormd, verdween die van de heuveltop in verschillende richtingen tussen de bomen. Alivia, die zeer merkwaardige wilder die geen andere naam leek te hebben, schreed naar het noorden met een wapperende mantel; ze was gehuld in de gloed van de saidar.
1706 Alivia en de drie cirkels zouden rondom de verdediging vormen, maar de meeste voorzorgen dienden op deze heuveltop genomen te worden. De Herrezen Draak moest ten koste van alles beschermd worden. Die taak had Cadsuane zelf op zich genomen. Merises cirkel zou eveneens hier blijven.
1707 Hij was niet echt hoopvol gestemd. Ze zat op haar duiten, die oude Maglin, en de brandewijn was niet zo geweldig. Het was al laat in de winter en ze was misschien bereid tot de lente te wachten om beter spul te kopen. Opeens drong het tot hem door dat de dag heel, heel licht leek.
1708 Nog vreemder was het dat het licht leek te komen uit die enorme uitgraving naast de weg, waar die stadsmensen tot vorig jaar aan het graven waren geweest. Men zei dat daar een monsterachtig groot beeld lag, maar hij had er nooit genoeg belangstelling voor gehad om zelf eens een kijkje te gaan nemen.
1709 Opeens drong het tot hem door dat dit de Ene Kracht moest zijn. Met een gesmoorde schreeuw holde hij door de sneeuw terug naar zijn kar. Hij klauterde erop en sloeg Nisa met de teugels om haar aan te sporen terwijl hij tegelijk trachtte haar om te draaien om naar zijn boerderij terug te rijden.
1710 Samen met hem. Zij zou de macht met hem hebben gedeeld en samen met hem de wereld hebben geregeerd. Maar hij had haar liefde vergooid, haar afgewezen. De dwaas die nu tegen haar stond te kletsen, was een belangrijk man, maar ze had de tijd niet om zijn betrouwbaarheid te beproeven.
1711 Een andere stroom schoof het lijk weg, zodat het bloed dat uit de nek omhoog spoot, geen vlekken op haar kleren maakte. Nog voor hoofd en lichaam de vloer raakten, had ze haar eigen poort geweven. Dicht bij het baken waar ze zich op kon richten, een baken dat haar wenkte.
1712 Het deed er niet toe. Ten zuiden van haar straalde dat baken genoeg saidar uit om in één klap een heel werelddeel in as te leggen. Hij zou daar zijn, hij en die onbekende vrouw, met wie hij haar had bedrogen. Behoedzaam putte ze de Ene Kracht om een web te spinnen voor zijn dood.
1713 Haar mensen waren ook daarginds. Als de waarschuwing tegelijk met een aanval kwam, kon er niet veel twijfel bestaan. Zodra ze was uitgesproken, ontsprong er een fontein van vlammen in het bos in het noorden, en toen nog een en nog een, een zigzaggende lijn die wegsnelde.
1714 Cadsuane schudde licht het hoofd. Inzicht in de binding tussen een zuster en haar zwaardhand was moeilijk, zeker bij Groenen, maar van wat er zich tussen Merise en haar jongens afspeelde, had ze in de verste verte geen idee. Haar echte aandacht lag echter bij een andere jongen.
1715 Hij kon niets zien, niets voelen. Hij zwom in woelige vlammenzeeën en klauterde over instortende ijsbergen. De smet was als het getij in een oceaan dat hem mee wilde sleuren. Als hij ook maar een tel de controle verloor, zou de smet hem verscheuren en hem door de buis meevoeren.
1716 Hoelang kon hij dit alles vasthouden? Als hij teniet kon doen wat Altor met de Ware Bron had gedaan, bedacht Demandred terwijl hij door zijn poort Shadar Logoth binnenstapte, als hij het scherp en ineens tenietdeed, kon dat heel goed de man doden of minstens zijn aanleg tot geleiden wegbranden.
1717 Hij had Altors plan geraden zodra hij besefte waar de toegangssleutel zich bevond. Een briljant plan, gaf hij ruimhartig toe, al was het waanzinnig gevaarlijk. Lews Therin was ook altijd een briljant strateeg geweest, zij het niet zo goed als iedereen zei. En lang niet zo briljant als Demandred.
1718 Een blik op de met puin bedekte straat deed hem echter van gedachte veranderen om alles om te keren. Naast hem rees een enorm gebouw met een halve koepel op, waarvan de gebroken en kapotte top ruim tweehonderd voet boven de straat uitstak. Daarboven toonde de hemel het licht van midden op de dag.
1719 Hij was echter al bezig een poort te weven, sprong erdoorheen en liet de poort verdwijnen, waarna hij zo snel mogelijk tussen de met klimplanten begroeide bomen doorrende. Hij ploeterde door sneeuwkuilen en struikelde over verborgen rotsen onder de gevallen bladeren, maar hij bleef rennen.
1720 Al rennend hoorde hij de verwachte ontploffingen. Hij wist even zeker dat ze op zijn poort afsnelden als hij zeker had geweten dat ze tussen de bouwvallen van de stad recht op hem waren afgeschoten. Ze waren nu echter ver genoeg verwijderd om geen gevaar meer op te leveren.
1721 Wat deden die hier in het bos? Wie waren ze? Vrienden van Altor of gewoon mensen op de verkeerde plek en het verkeerde tijdstip? Hij aarzelde of hij die onbekenden zou doden. Als hij de Ene Kracht gebruikte, zou hij zich aan Altor verraden. Hij wachtte liever tot ze voorbij waren.
1722 Hij probeerde een eigen aanval op te zetten en hen te verpletteren, maar de oude man bestookte hem onophoudelijk met web na web en hij moest alles inzetten om ze af te weren. De webben troffen ook bomen, die in vlammen werden gehuld of in duizenden splinters uiteenbarstten.
1723 Hij was een generaal, een groot generaal; maar een generaal hoefde niet naast de mannen te staan die de eigenlijke strijd leverden. Een generaal gaf bevelen! Met een snauw trok hij zich terug, temidden van het gekraak van brandende bomen en donderende ontploffingen. Weg van de toegangssleutel.
1724 Vroeg of laat moest die oude vent moe worden en dan kon hij zich weer bezighouden met het doden van Altor. Als een van de anderen hem tenminste niet voor was. Hij hoopte vurig van niet. Met de rok opgetrokken tot haar knieën rende Cyndane vloekend weg van haar derde poort zodra ze erdoorheen was.
1725 Struikelend over door de sneeuw verborgen boomwortels en botsend tegen boomstronken rende ze door. Ze haatte bossen! Gelukkig waren enkele anderen er ook. Ze had gezien hoe die vuurfonteinen ook naar andere plekken waren gesneld. Ze had gevoeld hoe saidar op meerdere plekken met woede werd geweven.
1726 De maanden waarin hij Corlan Dashiva had gespeeld, hadden zijn afkeer van lichaamsbeweging niet verminderd. De ontploffingen die hem bijna hadden gedood, stierven weg en begonnen toen weer ergens anders, ergens verder weg. Behoedzaam kwam hij omhoog om over de stam heen te kijken.
1727 En misschien enkelen van zijn tamme, zogenaamde Aes Sedai. Hij dook weer weg en beet op zijn lip. Dit bos was een heel gevaarlijke plek, veel gevaarlijker dan hij had verwacht en heel zeker geen geschikte plek voor een genie. Het feit bleef echter wel bestaan dat Moridin hem doodsangst aanjoeg.
1728 Op een onopvallende manier, tenminste zo stelde hij zich dat voor. Hij sloop in de richting van de toegangssleutel. Misschien zou een van de anderen een eind aan die man maken voor hij in de buurt kwam. Zo niet, dan kreeg hij misschien een kansje om een held te worden. Heel voorzichtig uiteraard.
1729 Bij gewone kou kon hij dat, maar het lukte hem niet bij deze wind, die was opgestoken nadat de zon haar hoogste punt voorbij was gegaan. De drie zusters die aan hem waren gekoppeld, lieten hun mantels gewoon aan de wind over terwijl ze probeerden alle kanten tegelijk uit te kijken.
1730 Daigian leidde de cirkel, vanwege hem, dacht Eben, maar ze putte zo lichtjes saidin dat hij amper een fluistering door zich heen voelde gaan. Ze wilde het waarschijnlijk pas gebruiken als het echt moest. Hij deed haar kap weer terug over haar hoofd en ze schonk hem een glimlach.
1731 Wat hem wel ergerde was dat hij deze cirkel niet mocht leiden. Natuurlijk had Jahar de leiding ook niet gekregen, maar hij dacht dat Merise zich wel zou vermaken door Jahar op zijn neus een koekje te laten balanceren. Damer had daarentegen wel de leiding van zijn cirkel gekregen.
1732 Een lange, geelblonde vrouw die kalm stond te kijken hoe ze aan kwam lopen. Het gevoel dat elders met de Kracht strijd werd geleverd, maakte haar voorzichtig maar gaf ook hoop. De vrouw droeg eenvoudige wollen kleding, maar haar vele sieraden deden het voorkomen alsof ze een rijke vrouwe was.
1733 Met saidar in zich kon Cyndane de fijne kraaienpootjes bij de ogen zien. Dus niet een van die vrouwen die het tegenwoordig waagden zich Aes Sedai te noemen. Maar wie dan? En waarom stond ze daar op een manier alsof ze Cyndane tegen ging houden? Het deed er ook niet toe.
1734 Als ze nu geleidde, zou ze zich verraden, maar ze had tijd genoeg. De Kracht zorgde er nog steeds voor dat de toegangssleutel straalde als een baken. Lews Therin leefde nog. Al stonden de ogen van die vrouw nog zo woest, een dolk zou met haar afrekenen, als ze haar echt tegen wilde houden.
1735 Ze was sterker dan Cyndane was geweest voor de Aelfinn en Eelfinn haar hadden vastgehouden. Dat was onmogelijk. Geen enkele vrouw kon sterker zijn. Ze moest ook nog over een angreaal beschikken. Haar geschoktheid verdween toen ze de stromen van de ander door kon snijden.
1736 Wellicht zou dat in haar voordeel werken. Ze moest zien hoe Lews Therin stierf! De lange vrouw schokte toen haar afgesneden stromen naar haar terugsloegen, maar terwijl ze anders ging staan, geleidde ze opnieuw. Met een snauw vocht Cyndane terug en de aarde beefde onder hun voeten.
1737 Dat móést! De hoge heuveltop was niet echt in de buurt van de toegangssleutel, maar desondanks glansde die sleutel zo helder in Moghediens hoofd dat ze hongerde naar een klein slokje uit die onmetelijke saidarvloed. Zoveel vast te houden, een duizendste deel ervan, zou extase betekenen.
1738 Ze had altijd vanuit het verborgene gewerkt, maar had reeds voor een aanval moeten vluchten zodra ze was aangekomen. Op ver van elkaar gelegen plekken in het bos voor haar zag ze bliksems en vuur, soms geweven van saidar, soms van saidin, opflitsen en opvlammen onder de middagzon.
1739 Al zou het wel prettig zijn als Cyndane of Graendal omkwamen. Of allebei. Moghedien zou niet sterven, zij zou zich niet als een dolle in de strijd werpen. En of dat nog niet erg genoeg was, stond er nog iets anders achter die vurige sleutel boven het woud, een onmetelijke, platte, zwarte koepel.
1740 Het was waanzin daar nog dichterbij te komen, wat het ook was. Moridin wist niet wat ze hier wel of niet deed. Ze trok zich terug tot achter de heuveltop, weg van de stralende sleutel en die vreemde koepel. Ze ging zitten en deed wat ze in een ver verleden zo vaak had gedaan.
1741 Vanuit de schaduw toekijken en overleven. In zijn hoofd zat Rhand te krijsen. Hij was er zeker van dat hij krijste, dat Lews Therin krijste, maar hij hoorde geen van beide stemmen. De smerige oceaan van de smet stroomde door hem heen en de snelheid van de stroom maakte een zwiepend geluid.
1742 Getijdestromen van vuil sloegen op hem neer. Woedende stormen vuil rukten aan hem. De reden waarom hij nog steeds de Kracht beheerste, was de smet – een andere reden kon hij niet bedenken. Saidin kon veranderen en opvlammen en hem wellicht doden, maar hij zou het nooit weten.
1743 Zelfs op een afstand van vele spannen zag de duizend voet hoge, zwarte koepel er ontzaglijk uit. En de koepel groeide nog steeds. Het oppervlak leek van zwart staal te zijn, al fonkelde het niet in het licht van de middagzon. Als het al iets deed, dan was het verduisteren.
1744 Hem nu te storen, op welke manier ook, kon heel nare gevolgen hebben. Ze wierp een blik op de groeiende zwarte koepel en gromde. Hem aan dit alles te laten beginnen kon wel eens de eerste stap naar narigheid zijn geweest. Kreunend gleed Nynaeve van de grijze steen waarop ze al die tijd had gezeten.
1745 Na zoveel door haar heen te hebben gekregen, en dat urenlang, moest ze wel bijna sterven van uitputting. Cadsuane knielde naast het meisje neer en legde de zwaluw naast haar op de grond. Ze nam Nynaeves hoofd in beide handen en verminderde de hoeveelheid saidar die ze in het schild stuurde.
1746 Van hieraf kon hij, met saidin in zich, de volgende heuvelkam heel goed onderscheiden. Evenals de mensen die daar aanwezig waren. Het waren er minder dan hij had gedacht. Een vrouw deed langzaam de ronde over de heuveltop terwijl ze alle kanten opkeek, maar alle anderen zaten stil.
1747 Wat hij daarmee niet kon doen! Jammer dat hij samen met Altor vernietigd moest worden. Niettemin kon hij Callandor grijpen als Altor dood was. Niemand van de Uitverkorenen had meer dan een angreaal. Zelfs Moridin zou voor hem buigen als hij dat kristallen zwaard eenmaal had.
1748 Zacht lachend weefde hij lotsvuur. Wie zou ooit hebben gedacht dat hij uiteindelijk de held van de dag zou worden? Langzaam liep Elza over de heuveltop en nam de beboste heuvels rondom haar op. Opeens bleef ze staan toen ze een flits van beweging vanuit haar ooghoeken opving.
1749 Tijdens haar gevangenschap in de Aieltenten bij Cairhien was ze ervan doordrongen geraakt dat de aanwezigheid van de Herrezen Draak in de Laatste Slag het enige was dat belangrijk was. Dat was haar zo verblindend duidelijk geworden dat het haar verbaasde dit niet eerder te hebben ingezien.
1750 Er waren nog maar enkele uren daglicht te gaan en het bos was stil. Afgezien van de sleutel kon ze nergens iets van geleiding merken. Dat wilde niet zeggen dat er niet ergens een heel kleine hoeveelheid werd gebruikt, maar dat was niets vergeleken met de razernij die hier eerder had gewoed.
1751 Er was geen woord voor, maar zwart was hiermee vergeleken lichtgrijs. De koepel was inmiddels uitgegroeid tot een halve bol die als een berg ongeveer twee span of meer naar de hemel uitstak. Eromheen lag een dikke laag schaduw, alsof het ook het laatste licht uit de lucht opslorpte.
1752 Maar als dat gebeurde, was er geen veilige plek en geen schaduw voor de Spin om zich te verbergen. Opeens kronkelde er iets op uit dat donkere, gladde oppervlak; het leek wel een vlam, als een vlam zwarter dan zwart kon zijn, toen nog een en nog een, tot de koepel kolkte van een hels zwart vuur.
1753 De bol klapte in een tel tijd in elkaar tot een speldenpunt, tot niets. Daarna ontstond er een huilende wind, die naar de vernietigde koepel snelde en haar over de rotsgrond meesleurde, ook al klauwde ze met haar nagels wanhopig naar houvast. Ze rolde tegen bomen aan en werd in de lucht getild.
1754 Het kon geen vrouwenbeeldje meer worden genoemd. Het gezicht stond even wijs en ernstig als eerst, maar het lijf was gebroken en vertoonde bobbels aan de kant die was gesmolten. Ook de arm met de kristallen bol was gesmolten en de bol lag in scherven rond het kapotte beeldje.
1755 Her mannenbeeldje was nog heel en al in haar zadeltas opgeborgen. Ook Callandor was veilig opgeborgen. Het was maar beter geen verleidelijke voorwerpen op deze heuveltop te laten slingeren. Waar ooit Shadar Logoth had gelegen, was nu een volmaakt ronde opening in het bos.
1756 Lan leidde zijn hinkende strijdros de helling op en liet de teugels van de zwarte hengst vallen toen hij Nynaeve languit onder haar mantel op de grond zag liggen. De jonge Altor lag naast haar, ook onder zijn mantel, terwijl Min tegen hem lag aangekruld met haar hoofd op zijn borst.
1757 Alivia bleef voortdurend stomverwonderd rondkijken en haar arm bewegen, die zowel gebroken was geweest als tot het bot toe verbrand. Sarene liep wat onvast, maar dat was slechts vermoeidheid. Ze was daarginds in her bos bijna gestorven en ze had nog steeds grote ogen door die ervaring.
1758 Een zeer sterke geleidster. Almaeren, Nynaev e – Voormalige Wijsheid van Emondsveld, een Aes Sedai van de Gele Ajah. Een koppige, wilskrachtige jonge vrouw die moeilijk te overtuigen is. De sterkste wilder in eeuwen, hoewel ze haar blokkering tegen geleiden alleen kon doorbreken als ze razend werd.
1759 Heling is haar Talent; in Salidar wist ze de gestilde Logain te helen. Ook de gesuste Siuan en Leane konden na haar Heling weer geleiden, hoewel ze minder sterk waren dan voorheen. Egwene heeft haar naar Ebo Dar gezonden, waar ze haar blokkering voorgoed doorbrak en Lan huwde.
1760 De mannen van de Zwarte Toren werden voor het eerst als wapens ingezet bij Dumaisbron. Hoewel veel vrouwen vluchten als ze merken dat hun man kan geleiden, zijn er toch gehuwde mannen in de Zwarte Toren. Zij gebruiken een eigen variant op de zwaardhandbinding om een band met hun vrouw aan te gaan.
1761 Sindsdien doet ze haar uiterste best om haar man en zijn mensen te laten wennen aan hun status van edele en leenman. Ze is uitermate jaloers en heeft een afkeer van Berelain. Toen Perijn naar Caemlin en Cairhien trok omdat hij voelde dat Rhand hem nodig had, bleef zij niet achter.
1762 Gevangengenomen bij Dumaisbron en leerling van de Wijzen gemaakt. Heeft inmiddels Rhand trouw gezworen. Blauwe Ajah – Aes Sedai orde, gewijd aan het handhaven van recht en gerechtigheid. Blauwe zusters zijn vaak goede klerken en zeer bedreven in het leiden van heersers en machtigen.
1763 Zij scheren beide zijden van het hoofd kaal, waardoor een kam haar in het midden overblijft, dat in de nek vrij lang kan worden gedragen. Leden van de keizerlijke familie scheren de voorzijde van het hoofd kaal. Lange, gelakte nagels zijn eveneens een uiterlijk kenmerk van het Bloed.
1764 Leden van de keizerlijke familie hebben drie lange nagels (pink, ring en middelvinger). De lakkleur duidt stamboom of stand aan. Bond van de Rode Hand – Gedurende de Trollok oorlogen een legendarische groep helden (Shen al Calhar) waarvan de laatste sneuvelde tijdens de Slag bij Emondsveld.
1765 Lid van het Toren gezantschap dat Rhand Altor ontvoerde. Martelde Rhand dagelijks sinds hij bij een ontsnappingspoging twee van haar zwaardhanden doodde. Haar overlevende zwaardhanden zijn Rashan en Bartol. Bij Dumaisbron gevangengenomen en nu een leerling van de Wijzen.
1766 Breemwoud – Gebied van wouden en bossen ten noorden van Caemlin. Brin, Garet – Voormalig kapitein generaal van de Andoraanse koninginnegarde, die nu het leger aanvoert van de Aes Sedai die zich verzetten tegen Elaida. Wordt beschouwd als een van de grootste levende krijgsheren.
1767 Rhand ontmoette er de erfdochter Elayne en haar broer Gawein. Sinds de verdwijning van Morgase en de strijd met Rahvin verbleef Rhand regelmatig in dit paleis, waar de troon leegstaat, tot Elayne zich tot koningin uitroept. Momenteel geniet zij daarvoor nog onvoldoende steun.
1768 De profetie van Rhuidean zegt dat hij hen zal verenigen en vernietigen, op het overblijfsel van een overblijfsel na. Cauton, Mart (Martrim) – Jonge schelm uit Emondsveld, bevriend met Perijn en Rhand. Hij stal een vervloekte dolk uit Shadar Logoth, wat hem bijna noodlottig werd.
1769 Ervaren bevelhebbers als Rhuarc en heer Bashere roemen zijn tactisch inzicht en hechten grote waarde aan zijn suggesties. Toen hij tijdens de Seanchaanse invasie in Ebo Dar zijn jonge beschermeling Olver probeerde te vinden kreeg hij een ongeluk, waarvan hij langzaam herstelt.
1770 Corenne – In de Oude Spraak: Terugkeer. Seanchaans begrip dat de bezettingsmacht van de nazaten van het leger van Haviksvleugel aanduidt: een vloot van duizenden schepen met honderdduizenden soldaten, ambachtslieden en anderen die de Voorlopers zal volgen om het oude rijk op te eisen.
1771 Dievenvanger – Man in Tyr of Mayene die in opdracht en tegen betaling gestolen waar terugvindt en misdadigers vangt. Dochters van de Stilte – In de geschiedenis van de Witte Toren zijn er weggezonden vrouwen geweest die hun lot niet wilden aanvaarden en probeerden zich te verenigen.
1772 Doemkrocht – Plaats waar de Duistere gekerkerd is. Domon, Baile – Illiaanse schipper en smokkelaar. Een gedrongen, breedgeschouderde man, met lange haren en een zwarte ringbaard. Nam op zijn Schuimvlok Rhand en Mart aan boord toen die op de vlucht waren voor Trolloks.
1773 In feite hebben velen die zo aangeduid worden nooit een eed afgelegd, en de term wordt ook gebruikt voor bandieten, waarvan sommigen de naam gebruiken om schrik aan te jagen. Veel gruweldaden zijn gepleegd door mensen die zich Draakgezworenen noemen. Drakenmuur – Zie: Rug van de Wereld.
1774 Zij heeft gegronde redenen om verborgen te houden dat zij terug is in haar geboortestad. Ebo Dar – Oude havenstad aan een baai van de Zee der Stormen, ooit Barashta geheten. Hoofdstad van Altara. Op de ene oever van de Eldar wonen de welgestelden; op de andere ligt de Rahad, een rauwe volkswijk.
1775 Beide stadsdelen worden doorsneden door vele kanalen en bruggen. De stad is even legendarisch om zijn tweegevechten als om de zeden van zijn inwoonsters. Deze vrouwen zijn beleefd, maar vechten om mannen en zetten elke belediging betaald met het mes. Inmiddels veroverd door de Seanchanen.
1776 Een van de sterkste geleidsters sinds eeuwen, met een Talent voor het maken van angrealen. Haar verdwijning uit de Witte Toren verstoorde de relatie tussen de Aes Sedai en Andor. Tijdens haar jacht op leden van de Zwarte Ajah, redde ze Birgittes leven door haar als zwaardhand te binden.
1777 Belandde tijdens die jacht in Shadar Logoth. Daar probeerde Mordeth zijn lichaam over te nemen. Het wezen dat uit deze strijd voortkwam is gevaarlijker en machtiger dan Fajin en Mordeth apart waren. Hij is evenzeer een vijand van de Verzakers als van Rhand, die hij intens haat.
1778 Een kind dat uit een Speervrouwe geboren is, wordt aan een andere vrouw gegeven, zodat niemand weet wie de moeder is. Far Madding – Ooit heette deze stad in de Kintaraheuvels Aren Mador, en daarvoor Fel Moreina. Werd tijdens of vlak na het Breken gebouwd en is beschermd tegen geleiders.
1779 Hoewel er vele feesten zijn die wijd en zijd gevierd worden (zoals het Lichtfeest, dat het oude jaar beëindigt en het nieuwe begint), kent elk land ook eigen feesten, net als vele dorpen en steden. De Grenslanden hebben de minste festivals en feestdagen, de steden Illian en Ebo Dar de meeste.
1780 Werd vijftien jaar geleden gedwongen afscheid te nemen van de Witte Toren, net als de andere Rode Gezetenen Lirene en Tsutama. Elaida heeft haar teruggehaald en opgedragen om met 50 zusters de Zwarte Toren te vernietigen. Ze werd gevangengenomen en door Logain gebonden.
1781 In 998 NE regeerde koning Johanin er vanuit het Jheda paleis in Jehanna. Na de komst van de Profeet werd hij afgezet en werd het land achtereenvolgens geregeerd door vier verschillende vorsten. De laatste, Alliandre, bleef aan de macht door het optreden van de Profeet te gedogen.
1782 Inmiddels als sambajan in dienst bij Perijn. Golfvrouwe – Hoofd van een Zeevolkclan. Zij benoemt een wapenmeester en stelt meestal een windvindster aan als raadsvrouwe. Herkenbaar aan een dubbel zonnescherm met gouden franje en de vele munten aan haar neusketting. Zie ook: Zeevolk.
1783 Vergezelt nu Perijn en heeft de rang van Toegewijde. Grauwheid – Aielterm voor de gesteldheid van veel Aiel na Altors onthulling dat hun voorouders strikt geweldloos leefden tot zij na het Breken gedwongen werden zichzelf te verdedigen. Sommigen gooien hun speren weg en vluchten.
1784 Tijdens de Trollok oorlogen werd ze ook de Strijdende Ajah genoemd. Groene zusters vinden dat Aes Sedai meerdere zwaardhanden mogen binden. Dit is niet alleen een persoonlijke voorkeur. De vele zwaardhanden van de Groene Ajah betekenden vaak een beslissend overwicht in de strijd.
1785 Onder leiding van Hoogvrouwe Suroth en aangevuld met rekruten uit de veroverde landen, is de Hailene veel verder gegaan dan de gestelde doelen. Zie ook: Corenne. Hand – Man of vrouw die aan het hoofd staat van de geheime dienst van een lid van de Seanchaanse keizerlijke familie.
1786 Geharde soldaten die voornamelijk worden ingezet bij snelle invallen, verrassingsaanvallen op een achterhoede en in situaties waar snelheid van belang is. Herimon, Seaine – Lugardse Gezetene voor de Witte Ajah, die Siuan Sanche voorstelde toen de stemmen in de Zaal van de Toren staakten.
1787 Dienaren en wapenknechten dragen een Gouden Hand op de schouder. Hoofdschrijver – Degene die in het paleis te Caemlin de boeken en de gelden bijhoudt voor het land. Zie ook: Norrij. Hoogheer – Hoge Tyreense edelman. Niet te verwarren met een heer van het land, die van lagere stand is.
1788 De hoogheren vormen een raad die het land bestuurt in plaats van een koning of koningin. Overigens worden Seanchaanse edelen ook aangeduid als hoogheer en hoogvrouwe. Hoorn van Valere – Doel van de Grote Jacht. Legendarische hoorn die dode helden oproept tot de strijd.
1789 Gesticht tijdens de Oorlog van de Honderd Jaren. Ze bezitten een zeer rechtlijnig geloof, en de overtuiging dat alleen zij weten wat juist is. Alles wat ze niet begrijpen, ook geleiden, wijten zij aan de Duistere. Aes Sedai en degenen die hen steunen beschouwen zij als Duistervrienden.
1790 Wie niet voldeed werd weggezonden. Een groep van deze vrouwen durfde niet naar huis vanwege de oorlogen en vluchtte zover mogelijk van het strijdtoneel naar Barashta, een stad die dichtbij het huidige Ebo Dar lag. Zij noemden zichzelf de Kinne en hielden hun bestaan geheim.
1791 In de loop der tijd kregen ze ook contacten met weglopers, en hoewel de exacte reden onbekend is begonnen ze ook weglopers op te nemen. Ze deden grote moeite om deze meisjes onwetend te houden over de Kinne totdat ze er zeker van waren dat de Aes Sedai hen niet meer zouden terugvinden.
1792 De gebundelde stroom is minder sterk dan de som der individuele stromen, maar wordt door degene die de koppeling leidt veel preciezer en met meer effect gericht dan individuele stromen. Hoewel er mannen binnen een cirkel gehaald kunnen worden, kunnen slechts vrouwen er één vormen.
1793 Manetheren – Koninkrijk dat enkele eeuwen na het Breken de aanzet gaf voor het Covenant van de Tien Naties. Lag oostelijk van de Mistbergen en zuidelijk van Aridhol. De hoofdstad droeg dezelfde naam. Zowel stad als natie werd tijdens de Trollok oorlogen volledig verwoest.
1794 Waarheen een schip zeilt is geheel en al aan de zeilvrouwe, maar omdat handels en geldzaken behartigd worden door de vrachtmeester (of, op een hoger niveau, door de wapenmeester of de Meester der Klingen), is een grote mate van samenwerking vereist. Zie: Zeevolk, Zeevolk hiërarchie.
1795 Omdat het uit stam of sibbe treden onder de Aiel taboe is, weigerden de krijgsgenootschappen van de Shaido deze mannen op te nemen en vormden zij een eigen genootschap. Merrilin, Thom (Thomdril) – Bijgenaamd de Grijze Vos. Tot hij in ongenade viel, hofbard en minnaar van Morgase.
1796 Myrddraal – Schaduwgebroed, aanvoerders van Trolloks. Om de beestachtige Trolloks te scheppen werden mensen en dieren gekruist. Myrddraal zijn verwrongen afstammelingen van Trolloks, waarin de menselijke trekken weer zichtbaar worden, hoewel misvormd door het kwaad dat de Trolloks schiep.
1797 Ze hebben geen ogen, maar zien toch even scherp als adelaars. Myrddraal hebben bepaalde krachten die van de Duistere stammen, zoals het vermogen verlammende angst op te wekken en zich via schaduwen te verplaatsen. Afgezien van hun vrees voor stromend water hebben ze maar weinig zwakten.
1798 Het Naaikransje bestaat uit de dertien oudste Kinsvrouwen in Ebo Dar en hun leidster is de Oudste. Volgens de regels moeten ze aftreden wanneer het tijd is om Ebo Dar te verlaten, maar zolang ze er wonen, hebben ze een status die een Amyrlin hen zou benijden. Zie: Kinne.
1799 In aanleg een sterke geleider, maar zijn vermogen is nog niet tot volle wasdom gekomen. Na Dumaisbron benoemde Rhand hem tot lid van zijn gevolg en nam hij deel aan de bevrijding van Illian en de strijd tegen de Seanchanen. Rhand vertrouwde hem de taak toe om Callandor op te halen uit de Steen.
1800 Novice – Beginnende geleidster die bij de Aes Sedai met saidin leert omgaan. Van oudsher werd een deel van de Novices na vijf tot tien studiejaren Aanvaarde en het duurde even lang voor een deel daarvan Aes Sedai werd. Wie niet voldeed werd weggezonden en alleen jonge geleidsters werden toegelaten.
1801 Egwene Alveren meent dat het al eeuwen krimpende aantal Aes Sedai aan deze gebruiken te wijten is. Zij wil alle geleidsters aan de Toren binden: oud of jong, windvindster, wilder of Wijze. Het bericht dat zij heeft doen uitgaan heeft een enorme toeloop van vrouwen veroorzaakt.
1802 Veel van hun bouwsels zijn verdwenen, maar de Ogier treuren vooral over de teloorgang van hun wonderschone Gaarden. Olver – Negenjarige Cairhiense jongen die zijn vader verloor in de strijd tegen de Aiel en zijn moeder tijdens hun vlucht kwijtraakte. In Maerone ontfermde Mart zich over hem.
1803 Nieuwe naties werden gevormd. Grote delen van de wereld raakten ontvolkt, vooral de landen tussen de Arythische Oceaan en de Aielwoestenij, van de Zee der Stormen tot aan de Verwording. De verwoesting was zo volkomen dat er uit die tijd slechts spaarzame gegevens resten.
1804 Oorlog van de Schaduw – Ook: Oorlog van Kracht. Begon na de poging om de Duistere te bevrijden en omvatte spoedig de gehele wereld. Een wereld die zelfs de herinnering aan strijd vergeten was, herontdekte elk facet ervan, vaak verergerd door de invloed van de Duistere.
1805 Ten tijde van de inval op de Kop van Toman favoriet voor de opvolging. Haar wapen toont twee gouden leeuwen die een antieke strijdwagen trekken. Pardon – Bekendmaking van Rhand Altor na zijn overwinning op Rahvin in Andor dat in de gebieden die hij beheerst, elke geleider veilig zal zijn.
1806 Sinds de Oorlog van de Schaduw besmet door de Duistere, waardoor elke geleider uiteindelijk gek wordt en sterft. Sambajan – Heeft samen met de satajane de dagelijkse leiding in een burcht in de Grenslanden. Sammael – In Shadar Logoth verdwenen Verzaker, naar men aanneemt dood.
1807 Seanchanen – Afstammelingen van de legers die Artur Haviksvleugel over de Arvthische Oceaan stuurde. Hun keizerrijk, geregeerd vanuit het Hof van de Negen Manen, kent een zeer strikte verdeling in rangen en standen. Elke geleidster wordt er beteugeld en elke geleider gedood.
1808 Tijdens de Trollok oorlogen nam het kwaad van Mashadar de stad over. Sindsdien mijdt men de plaats, ondanks zijn onmetelijke schatten. Voorwerpen uit deze stad binden hun bezitter waarna deze uiteindelijk wordt overgenomen door Mashadar. Mart is maar net ontsnapt aan dit lot.
1809 Trad na Nynaeves Heling, die haar vermogen gedeeltelijk herstelde, toe tot de Groene Ajah. Geniet door haar geringe vermogen en bizarre gedrag (een wisseling van Ajah is zonder precedent) weinig aanzien. Ze is Egwene volledig trouw, maar doet net of ze een vete met Siuan heeft.
1810 Het begrip familie dient breed geïnterpreteerd te worden. Sisnera, Darlin – Tyreense hoogheer die met Tedosian en Estanda in opstand kwam tegen de Herrezen Draak en zich met hun legers in de wildernis van Haddon Mir terugtrok. Reisde met een klein gevolg naar de Cairhiense rebellen voor overleg.
1811 Na tevergeefs talloze malen aangevallen en belegerd te zijn, werd de Steen in een nacht veroverd door de Herrezen Draak en een paar honderd Aiel. Hiermee werden twee voorspellingen uit de Karaethon Reeks vervuld. Stillen – Daad waarmee een man van de Ware Bron wordt afgesneden.
1812 Een gestilde kan de Ware Bron voelen maar niet meer aanraken. De waanzin verdwijnt niet, maar neemt niet meer toe. Als tijdig wordt ingegrepen, kan de rottings dood worden afgewend. Gestilden verliezen echter hun levenslust; ook zij die geen zelfmoord plegen, sterven gewoonlijk binnen enkele jaren.
1813 Sussen – Daad waarmee dertien Aes Sedai een vrouw van de Ware Bron afsnijden, zodat ze de Ene Kracht nog wel kan voelen maar niet meer kan geleiden. Hoort vooraf te worden gegaan door een proces en een veroordeling. Novices van de Witte Toren kunnen de namen en misdaden van alle gesusten opzeggen.
1814 Vond als arme vluchtelinge het geluk bij Langwin Dorn, het soort man dat ze vroeger door dienaren uit haar ogen liet slaan. Taborwin, Dobraine – Cairhiense edelman en Hoogzetel van zijn huis. Hij is een ervaren legeraanvoerder die zijn eed van trouw nakomt, zoals hij bij Dumaisbron bewees.
1815 Vele Talenten zijn nu nog slechts bekend bij een naam of vage omschrijving. Andere, zoals Reizen (verplaatsing zonder tussenliggende ruimte te doorkruisen) zijn herontdekt. Weer andere, zoals Voorspellen (de gave toekomstige gebeurtenissen te voorspellen), zijn zeldzaam.
1816 En sommige, zoals Delven (de gave om ertsen in de bodem aan te wijzen en eraan te onttrekken), zijn al zo lang verloren dat ze inmiddels gebruikt worden om een ander Talent aan te duiden. Het vermogen om met de Ene Kracht iemands gezondheidstoestand vast te stellen wordt nu ook Delven genoemd.
1817 Tijd van Waanzin – Periode nadat de tegenaanval van de Duistere een smet bracht over de mannelijke helft van de Ware Bron. De mannelijke Aes Sedai werden krankzinnig en braken de wereld. Men neemt aan dat het bijna honderd jaar duurde voordat de laatste geleider stierf.
1818 Afgezien van haar schoonheid en vaardigheid met de boog heeft ze weinig gemeen met de verhalen. In Caemlin heeft Elayne haar hoofd van de koninginnegarde gemaakt en haar het landgoed Trahelion geschonken, waardoor ze nu een edelvrouwe is. Traighan, Seonid – Cairhiense Aes Sedai van de Groene Ajah.
1819 Trollok legers trokken plunderend, moordend en verwoestend rond. Uiteindelijk werden ze verslagen en teruggedreven naar de Verwoeste Landen. Verschillende naties bestonden toen echter niet meer en andere waren vrijwel ontvolkt. Alle annalen uit die tijd zijn incompleet.
1820 Sindsdien willen de inwoners hem als hun leenheer en voeren zij de oude banier van Manetheren. Uit de omliggende gebieden is er een grote toestroom van vluchtelingen die nieuwe gebruiken introduceren. Zie ook: Manetheren. Tyr – Natie aan de Zee der Stormen, de eerste die door Rhand veroverd werd.
1821 Acht het afbranden van een schuur de beste manier om ratten te verjagen. Beschouwt zichzelf als een praktisch man die elk voordeel benut dat op zijn weg komt. Naar zijn overtuiging is Rhand Altor slechts een speelpop van de Witte Toren die waarschijnlijk niet eens kan geleiden.
1822 Valse Draak – Van tijd tot tijd beweren mannen de Herrezen Draak te zijn. Sommigen kregen zoveel volgelingen dat er oorlogen uitbraken die vele landen troffen. Enkelen konden geleiden, de meesten niet. Allen zijn gevangengezet, gestild of gedood zonder dat de Voorspellingen van de Draak uitkwamen.
1823 Een Waarheidsspreker heeft een hogere rang dan een Zoeker. Wapenknechten – Krijgslieden die trouw hebben gezworen aan een bepaalde heer of vrouwe. Ware Bron – Drijvende kracht van het Al, die het Rad des Tijds doet draaien. Bestaat uiteen mannelijk (saidin) en een vrouwelijk deel (saidar).
1824 Vele Wijzen kunnen geleiden; ze vinden elke Aielvrouw die de gave is aangeboren, en de meesten die het kunnen leren. Onder de Aiel was het taboe om uit te spreken dat Wijzen kunnen geleiden en Wijzen vermeden elk contact met Aes Sedai, in nog sterkere mate dan andere Aiel.
1825 Hun gave om ziekten en verwondingen te genezen is tot in de Grenslanden bekend. Hoewel is opgemerkt dat vele Wijzevrouwen niet uit Altara kwamen, wist vrijwel niemand dat alle Wijzevrouwen in feite Kinsvrouwen zijn en dat hun kruiden en smeersels verhullen dat ze Heling toepassen.
1826 Toen de Kinne Ebo Dar ontvluchtte, tijdens de Seanchaanse invasie, bleef er geen Wijzevrouw achter in de stad. Wilder – Vrouw die geheel zelfstandig heeft leren geleiden; slechts een op de vier overleeft dit. Gewoonlijk hebben deze vrouwen onbewuste blokkeringen en ontkennen ze hun gave.
1827 Voor dat laatste dient elke aanwezige Gezetene te gaan staan; de aanwezigheid van minstens elf Gezetenen en een van elke Ajah is vereist. Hierop is een uitzondering: als wordt gestemd over het afzetten van een Amyrlin of Hoedster. Dan wordt de Ajah van waaruit zij verheven werd achteraf ingelicht.
1828 Ook de mindere overeenstemming vereist elf Gezetenen, maar slechts twee derde van hen hoeft op te staan. Bovendien moeten niet alle Ajahs vertegenwoordigd zijn, tenzij de Witte Toren de oorlog verklaart, een van de zaken waarvan velen aannemen dat meerdere overeenstemming nodig is.
1829 De Amyrlin mag Gezetenen opdragen hun zetels op te geven en aan deze oproep dient gevolg gegeven te worden. Dit komt zelden voor, want niets verhindert een Ajah om dezelfde Gezetene te kiezen, behalve het gebruik dat zusters niet meer in de Zaal dienen nadat ze die verlaten hebben.
1830 De Windvindster van de Vrouwe der Schepen beveelt alle windvindsters van golfvrouwes, die op hun beurt alle windvindsters van hun clan bevelen. Rangen zijn niet erfelijk onder het Zeevolk. Golfvrouwes hebben veel macht, maar worden gekozen door de oudste zeilvrouwes, de Eerste Twaalf van hun clan.
1831 Door de binding krijgt de zwaardhand het vermogen om snel te genezen en lang zonder voedsel, water of rust te kunnen. Ook kan hij op afstand de smet van de Duistere bespeuren. De binding maakt ook dat Aes Sedai en zwaardhand elkaars gevoelens en lichamelijke staat aanvoelen.
1832 De Aes Sedai weet dat haar zwaardhand leeft, hoe ver hij ook weg is, en wanneer hij sterft, zal ze het moment en de wijze van zijn dood weten. Volgens de meeste Ajahs mag een Aes Sedai één zwaardhand binden, maar de Rode weigert het te doen, terwijl Groenen zoveel zwaardhanden binden als ze willen.
1833 Er kwamen trouwens weinig mensen zo ver de onderkelders in. Haar weving pikte in de verte het gepiep van ratten op. Licht! Sinds wanneer waren er ratten in Tar Valon? En nog wel in de Toren zelf. Ogen en oren van de Duistere? Verontrust streek haar tong langs haar lippen.
1834 Bij zoiets had je niets aan logica. Waarheid. Niet logisch. Ze wilde lachen. Met moeite trok ze zich van de drempel van hysterie terug. Ze moest aan iets anders dan ratten denken. Aan... Een onderdrukte gil werd hoorbaar in de kamer achter haar en ging over in onderdrukt gesnik.
1835 Ze probeerde zich af te sluiten. Let op! Zij was met haar gezellinnen min of meer in dit vertrek beland, omdat de oversten van de Ajahs elkaar in het geheim schenen te ontmoeten. Ze had zelf gezien hoe Ferane Neheran in een stil hoekje van de librije met Jesse Bilal had staan fluisteren.
1836 Althans dat dacht ze. Maar waarom had Ferane met Suane in een stille hoek van de Torengrond gewandeld, beiden gehuld in eenvoudige mantels? Nog steeds spraken de Gezetenen van de verschillende Ajahs openlijk met elkaar, al gebeurde dat kil. De anderen hadden hetzelfde opgemerkt.
1837 De Ajahs konden elkaar wel vermoorden, maar hun oversten spraken stiekem met elkaar. Wat voerden ze in hun schild? Wat? Het was jammer dat ze het niet gewoon aan Ferane durfde te vragen. Zelfs als Ferane vragen van anderen had willen aanhoren, had ze het niet gedurfd. Niet nu.
1838 Omdat ze niet om wilde kijken, bleef ze naar de deur staren en over het onoplosbare raadsels piekeren. Ze wilde niet kijken naar de bron van het gedempte gesnik en grommende gesnuif. Alsof de gedachte aan de geluiden haar dwong, keek ze langzaam om naar haar gezellinnen.
1839 Ver boven haar dwarrelde sneeuw op Tar Valon neer, maar het vertrek leek onverklaarbaar heet. Ze dwong zichzelf te kijken. Met de stola met bruine franje over haar armen geschikt stond Saerin wijdbeens klaar. Ze voelde aan het gevest van de kromme Altaraanse dolk die in haar ceintuur stak.
1840 Pevara was veel taaier dan haar omvang deed vermoeden en zo vastberaden dat Saerin met haar vergeleken een aanstelster leek. Aan de andere kant van de Zetel der Wroeging hield de kleine Yukiri haar armen strak om zich heen. De lange zilvergrijze franje van haar stola trilde door haar gebeef.
1841 Ze ging zo op in haar werk dat het zweet op haar bleke voorhoofd parelde. Ze waren allen Gezetenen, ook de vrouw die op de Zetel zat te kronkelen. Talene Minli was kletsnat van het zweet, haar goudblonde haren waren plakkerig en haar linnen ondergoed kleefde drijfnat aan haar huid.
1842 Haar kleren lagen in een slordig hoopje in een hoek van het vertrek. Haar gesloten oogleden trilden en ze liet onafgebroken een verstikt gekreun en gejank horen, waarbij ze leek te smeken. Seaine voelde zich misselijk maar kon haar ogen niet afwenden. Talene was een vriendin van haar.
1843 Misdadigers die in Tar Valon waren opgepakt, werden hierheen gebracht om de Zetel der Wroeging uit te proberen, waarbij ze zorgvuldig gekozen gevolgen van hun misdaden mochten ervaren. Na hun vrijlating maakten ze onveranderlijk dat ze van het eiland wegkwamen. Er was weinig misdaad in Tar Valon.
1844 Ze zou dankbaar moeten zijn voor de grotere groep. Ze waren echter niet in de Zaal en ze konden hier niet de rechten van een Gezetene opeisen. De rangen en standen van de Toren hadden het overgenomen, alle verfijnde en minder verfijnde verschillen, zoals hoe groot het verschil in rang onderling was.
1845 In feite was Saerin tweemaal zo lang novice en Aanvaarde geweest als de anderen, maar ze was wel veertig jaar Gezetene geweest, langer dan wie ook in de Zaal en dat telde zwaar mee. Seaine mocht van geluk spreken als Saerin om haar mening zou vragen, laat staan haar advies, voor ze iets besloot.
1846 Yukiri werd omgeven door de saidargloed en ze schermde de vrouw die op de Zetel zat zwijgend volkomen af. Saerin had de leiding en iedereen besefte het. Daarmee uit. Een heel scherpe doorn. Een schild leek amper noodzakelijk. Talenes gezicht leek een masker van doodsangst.
1847 Ze zonk nog steeds in de zachte bovenkant weg, maar nu Doesine niet meer geleidde, vormde het blok zich niet meer naar haar lichaam. Talene keek met uitpuilende ogen naar het plafond en kneep ze toen stijf dicht, maar ze schoten meteen weer open. Ze wilde haar herinneringen niet nogmaals zien.
1848 Talene bleef Saerin strak aankijken. Haar grote ogen vulden zich met tranen en ze begon met hevig bevende, wanhopige snikken te huilen. Ze stak blindelings haar hand uit tot Pevara de Eedstaf in haar hand legde. Pevara omhelsde de bron en leidde een draadje Geest in de staf.
1849 Iedere spier stond strak en haar hele lichaam schokte wild. Even plotseling als de toeval was begonnen, eindigde die. Talene viel volkomen slap neer en bleef als een verdwaald kind liggen huilen. De Eedstaf rolde uit haar krachteloze hand over de schuine grijze bovenkant.
1850 Daarna begon Talene stil te huilen en beefde geluidloos. Wellicht kwam het door de Geloften, die hun greep op haar versterkten. Vlak na het afleggen ervan voelden ze ongemakkelijk. Misschien. Toen vermeldde Pevara de andere eed die ze van haar eisten. Talene kromp ineen, maar mompelde de woorden.
1851 En nu had ze het gehoord. De Zwarte Ajah bestond echt. Ze keek met eigen ogen naar een Zwarte zuster, een Duistervriend die de stola droeg. En een veronderstelling veranderde in de bleke schaduw van iets onder ogen zien. Alleen met stijf verkrampte kaken kon ze voorkomen dat ze klappertandde.
1852 Saerin had harder moeten werken dan wie ook om de stola te winnen en daarmee het recht om in de Toren te blijven. Voor haar was de Toren meer dan een thuis, belangrijker dan haar eigen leven. Als Talene het verkeerde antwoord gaf, zou Elaida niet eens voor een raad berecht worden.
1853 Nee. Ze vermeed de echte moeilijkheid en die te negeren was zinloos. Had Elaida haar wel echt opdracht gegeven de Zwarte Ajah op te sporen? Ze had die term niet eens gebruikt. Had ze wellicht iets anders bedoeld? Elaida had bijna iedereen aangevlogen die het waagde de Zwarte Ajah te noemen.
1854 Doesine leek voor te stellen om iedere zuster een voor een te ontvoeren en allen te dwingen de gehoorzaamheidseed af te leggen, maar de andere drie schonken weinig aandacht aan dit plan. Seaine hield zich afzijdig. Haar reactie op hun lastige toestand was de enig mogelijke, bedacht ze.
1855 Ze schuifelde naar een hoek van het vertrek en gaf over. Uit alle macht trachtte Elayne te voorkomen dat ze tandenknarste. Buiten werd Caemlin opnieuw door een sneeuwstorm geteisterd, waardoor de middaghemel zo donker werd dat alle lichten op de zijmuurpanelen van de zaal moesten worden aangestoken.
1856 De Kinne wist uitstekend hoe ze uit het zicht moest blijven, maar de Seanchanen zouden hen niet voor wilders verslijten zoals de Aes Sedai plachten te doen. Wellicht was Vandene nog steeds geschokt door de moord op haar zuster. Ze at amper en was nauwelijks in staat om raad te verschaffen.
1857 De jacht op de moordenaar nam haar geheel in beslag. Men meende dat ze op vreemde tijden vol verdriet door de zalen liep, maar ze was in het geheim op jacht naar Duistervrienden. Drie dagen eerder zou die gedachte Elayne hebben laten huiveren, maar nu was het slechts een van de vele gevaren.
1858 Vandene zou met haar rijke ervaringen en levenslange studie een schat aan goede raad kunnen zijn, terwijl Nynaeve in Emondsveld vele jaren met de dorpsraad en de vrouwenkring was omgegaan, zodat ze een goede kijk had op alledaagse politiek, ook al ontkende ze dat glashard.
1859 Bloedvuur, ik heb honderden problemen, sommige zelfs vlak onder mijn neus in het paleis, en ik heb hen nodig. Als ze haar zin kreeg, zou Nynaeve Almaeren de Aes Sedai raadsvrouwe voor de volgende koningin van Andor worden. Ze had alle hulp nodig die ze kon vinden. Betrouwbare hulp.
1860 Vreemd genoeg bevond de ereplaats van de koningin zich het verst van de hitte van het vuur. Nou ja, het zij zo. Haar rug voelde meteen warm aan, terwijl ze van voren koud bleef. Buiten viel de sneeuw, donderde het en flitsten de bliksems. In haar gedachten evenzeer. Kalm.
1861 Ze hielden slemppartijen en zochten ruzie en vielen vrouwen lastig die niet van hun uitsloverij gediend waren. Op deze manier konden ze nut hebben door moeilijkheden te voorkomen in plaats van ze te beginnen. Ze had liever gehad dat ze zichzelf niet steeds trachtte te overtuigen.
1862 Een groot rond sieraad met de Uil en Eik van Huis Taravin zat vastgespeld op de hoge kraag van haar donkergroene gewaad. Het was haar enige sieraad. Een vertoon van trots op haar Huis, misschien overmatig veel. De Hoogzetel van Huis Taravin was zeer zeker een trotse vrouw.
1863 Ze had grijze lokken in haar goudblonde haren en fijne rimpels bij de ooghoeken, maar haar trekken waren sterk en haar blik was direct en scherp. Haar geest leek een scheermes. Of wellicht een zwaard. En vrouw die haar uitgesproken meningen niet onder stoelen of banken stak.
1864 Als je een vederlicht optreden wenst, slaan ze als een moker neer en wanneer je een moker nodig hebt, zijn ze waarschijnlijk elders hun zakken aan het vullen. Ze zijn trouw aan goud. Maar alleen zolang er goud is. Als ze jou niet al eerder voor nog meer goud hebben verraden.
1865 Haar hemelsblauwe broek was net zo gemaakt als haar andere broeken, ruim vallend en bij de enkel ingenomen, terwijl haar korte rode jas een hoge witte kraag en brede witte mouwomslagen had, die afgezet waren met goud. Zij was nu vrouwe Birgitte Trahelion en kapitein generaal van de koninginnegarde.
1866 Ze spiegelden elkaar op verrassende wijze na de binding, zowel met gevoelens als anderszins. Zo was zij nu op dezelfde tijd ongesteld als haar zwaardhand. Birgittes weigering om het zwakste argument over te nemen was duidelijk even groot als haar aarzeling ermee in te stemmen.
1867 Ze geleidde kort Vuur en er kringelde wat damp uit de kan. Door het opwarmen werden de kruiden bitter, maar de warmte van de bewerkte zilveren beker in haar handen maakte dat goed. Met moeite onderdrukte ze haar verlangen de lucht in de kamer met de Ene Kracht te verwarmen en ze liet de Bron los.
1868 De warmte zou toch niet lang hebben geduurd als ze de wevingen niet in stand hield. In zekere zin had ze haar tegenzin om saidar los te laten wel overwonnen, maar de laatste tijd werd het verlangen telkens meer te willen putten weer groter. Iedere zuster kende dat gevaarlijke verlangen.
1869 Nu de Saldeanen weg waren en de Aiel op het punt stonden om te vertrekken, bloeide de misdaad als onkruid in de lente. Ze had gemeend dat de sneeuw alles zou afkoelen, maar elke dag kwam er nieuws van berovingen, brandstichting of erger. De toestand werd met de dag ernstiger.
1870 Ze gaf beslist een vreemde invulling aan hun binding als Aes Sedai en zwaardhand, maar ze wist inmiddels wanneer Elayne niet viel om te praten. Bij sommige dingen had ze dat geleerd. Niet bij het landgoed en haar titel. En het bevel over de koninginnegarde. En wat andere dingetjes.
1871 Ze kon maar beter goed voor ogen houden dat veel mensen niet Elayne Trakand op de Leeuwentroon wensten, maar Dyelin Taravin. De vrouw was tot nu toe zeer behulpzaam geweest, maar er waren slechts enkele dagen verstreken en soms fluisterde er een pesterig stemmetje in Elaynes hoofd.
1872 Zonder dat alles zou ze de laatste maanden niet hebben overleefd. Het Licht geve dat Thom, Mart en de anderen aan de Seanchanen waren ontkomen en veilig op weg waren naar Caemlin. Na haar vertrek uit Ebo Dar had ze het Licht gesmeekt hen te redden, maar meer dan dat had ze niet kunnen doen.
1873 Eruitzien als een koningin, had haar moeder haar vaak gezegd, is niet genoeg; veel belangrijker is een fijnbesnaarde geest. Een ferme greep op allerlei zaken en een dapper hart zijn nutteloos als mensen je niet als koningin erkennen. Birgitte nam haar scherp, bijna achterdochtig op.
1874 Ze hadden het verhaaltje rondgestrooid dat Birgitte uit Kandor afkomstig was, waar boerenvrouwen dit soort kledij droegen, maar Dyelin doorzag de leugen volkomen. En iedere keer dat Birgitte haar mond voorbijpraatte, kwam Dyelin steeds dichter bij de onthulling van het geheim.
1875 Vernedering overstemde al het andere in de binding. Het was zo sterk dat Elayne haar eigen gezicht rood voelde worden. Snel mat ze zich een streng gezicht aan in de hoop dat haar rode wangen voor iets anders konden doorgaan dan haar vurige wens ter plekke te kermen over Birgittes schaamte.
1876 Als zij een verkeerde beslissing nam, zou Andor een tweede Cairhien worden, een natie van bloeddoordrenkte chaos. En zij zou natuurlijk sterven, een prijs die de kosten niet zou dekken. Maar niets doen was ondenkbaar en zou voor Andor zeker dezelfde gevolgen hebben als haar falen.
1877 Koel, beheerst, dodelijk kalm. Een koningin mocht geen angst tonen, zelfs als ze die voelde. Vooral dan niet. Haar moeder had altijd gezegd dat je beslissingen zo min mogelijk moest uitleggen. Hoe meer je uitlegde, hoe meer verklaringen er nodig waren, tot je je alleen maar daarmee bezighield.
1878 Gelukkig hield Egwene die voorlopig in Morland vast. Ze gebaarde naar een stoel naast haar en Dyelin ging zitten, zorgvuldig haar rok schikkend. De onweerswolken waren niet langer op het gezicht van de oudere vrouw te zien. Ze keek Elayne aandachtig aan en verried niets van haar vragen en gedachten.
1879 Voor hen is dit een Opvolgingsoorlog en de enige manier waarop ik hen kan tegenhouden, is zo sterk worden dat ze geen gevecht aandurven. Als Birgitte de garde tegen de lente tot een leger weet te maken is dat des te beter, want tegen die tijd zal ik hard een leger nodig hebben.
1880 Onbewust plukten haar vingers aan de rok. Er was maar weinig waar ze bang voor was, maar de verhalen over de Seanchanen hadden haar beslist angst aangejaagd. Zachtjes mompelend, alsof ze het tegen zichzelf had, was te horen: ik had gehoopt een echte burgeroorlog te voorkomen.
1881 Waarom moest dat mens zo opeens van onderwerp veranderen? Dyelin schrok en opnieuw werd Elayne vuurrood. De mond van de oudere vrouw stond zo ver open dat ze precies wist hoe grof haar vloek was geweest. Het maakte haar vreemd verlegen. Dyelins vriendschap met haar moeder had niet mogen tellen.
1882 Haar gezicht stond heel strak, maar boosheid streed met haar verlegenheid, waarbij de eerste de overhand kreeg. Met een steek van ergernis wilde Elayne iets zeggen om Dyelins woorden over de burgeroorlog verder te kunnen verklaren voor ze over Birgittes boosheid ging nadenken.
1883 Ze werd gevolgd door Zaide din Parede Zwartvleugel, die net een hand kleiner was en zo zwart als houtskool. Zij droeg maar half zoveel muntjes aan de ketting op haar linkerwang en straalde meer iets van macht uit dan van hooghartigheid. Het was een ijskoude zekerheid dat zij gehoorzaamd zou worden.
1884 Het Licht mocht beiden verbranden, maar ze kon zich geen belediging veroorloven. Birgitte kwam naast haar staan en maakte een gepaste buiging om de beker uit haar hand over te nemen. De zwaardhandbinding zond behoedzaamheid over. Ze was altijd heel behoedzaam bij het Zeevolk.
1885 Vroeger had Elayne gemeend dat Merililles zelfbeheersing elk openlijk blijk van verrassing uitsloot, maar nu liep de zuster voortdurend met grote ogen en halfopen mond rond. Het was net of ze zich doodgeschrokken was en erop rekende dat dit binnen enkele tellen opnieuw zou gebeuren.
1886 Ze schreed langs de in stilte woedende Renaile alsof ze een pilaar in de kamer was, maar liep niet naar Zaide toe. Als iemand het recht had zich hier te ontspannen, was zij dat. Ze kon het zich niet veroorloven Zaide een pink te geven of de golfvrouwe zou haar haren naar de pruikenmaker brengen.
1887 Waarna ze een blik op Renaile wierp en inbond. Een blos deed haar Cairhiense bleekheid verdwijnen. Opnieuw vouwde ze de handen en hulde zich in nederigheid alsof het een tweede huid was. Birgitte schudde verbijsterd het hoofd. Dyelin staarde alsof ze nooit eerder een Aes Sedai had gezien.
1888 Nou, ditmaal zou alles anders verlopen. Wat zouden de zusters er bijvoorbeeld bij winnen? Er hoorden twee kanten aan een overeenkomst te zijn. Zaide glimlachte alsof ze wist waar Elayne aan dacht en het vermakelijk vond. Toen een van de deuren openging, was het bijna een opluchting.
1889 Beiden droegen op hun hoge kraag het zilveren zwaard en het draakje van rood emaille. Geen van de drie droeg echter een zwaard. Ze hadden geen zwaarden nodig. De zitkamer voelde opeens kleiner en overvol. Instinctief omhelsde Elayne saidar en reikte rond om zich te koppelen.
1890 Merilille haakte soepel aan de koppeling aan. Tot haar verrassing deed Renaile hetzelfde. Een snelle blik op de windvindster maakte die verrassing kleiner. Met een grijs gezicht omklemde Renaile de dolk in haar buikband zo stevig dat Elayne door de koppeling bijna de pijn in haar knokkels voelde.
1891 De kale man verstarde en de slanke jongeman balde zijn vuisten. Ze keken bozig rond. Natuurlijk hadden ze naar saidin gegrepen. Elayne kreeg spijt dat ze aan haar impuls had toegegeven, maar ze was niet van de plan de Bron los te laten. Nu niet. Taim straalde gevaar uit zoals een vuur hitte.
1892 Ze haalde alles uit de koppeling tot het punt waar het overweldigende levensgevoel scherpe waarschuwende prikkels opleverde. Zelfs die voelden vreugdevol aan. Met zoveel van de Kracht kon ze het paleis verwoesten, maar ze vroeg zich af of het genoeg was voor Taim en de twee andere mannen.
1893 Ze had hier dolgraag een van de drie angrealen uit Ebo Dar willen hebben, maar die waren veilig met alle andere spullen uit de bergplaats opgeborgen tot ze tijd had om ze opnieuw te bestuderen. Taim schudde minachtend zijn hoofd, een kleine glimlach krulde om zijn lippen.
1894 Nou, zijn gezag was hier niets waard. Rustig ging ze weer zitten waarbij ze de tijd nam om haar rok te schikken. De mannen zouden nu als smekelingen voor haar moeten verschijnen of anders tegen de zijkant van haar hoofd moeten praten, omdat zij weigerde hen aan te kijken.
1895 De andere vrouwen hadden geen tijd verspild en zich zo goed mogelijk op de mannen ingesteld. Zaide stond doodstil naast de caleidoscoop en deed haar best er zowel vreedzaam als kleintjes uit te zien, maar ze had de handen op de rug en de dolk stak niet meer in haar band.
1896 Birgitte bevond zich naast de haard, de linkerhand op de stijl, ogenschijnlijk ontspannen, maar de schede van haar mes was leeg en uit de manier waarop ze de andere hand op de zij hield, kon je opmaken dat ze klaarstond voor een onderhandse worp met haar dolk. Maar de binding liet haar.
1897 Er waren manieren om met een geleider om te springen zonder hem af te schermen, maar dat was een moeilijk kunstje, heel gewaagd, en ze kende eigenlijk alleen wat erover geschreven stond. Hij verscheen recht voor haar, op enkele stappen afstand, maar zag er niet uit als een smekeling.
1898 Mazrim Taim kende zichzelf en wist wat hij waard was, hoewel hij zijn eigenwaarde duidelijk hoger inschatte dan de hemel. Het weerlichtte en de vensters wierpen vreemde lichten op zijn gezicht. Velen zouden van hem onder de indruk raken, zelfs zonder zijn mooie jas of beruchte naam.
1899 Ik had Rhands naam niet moeten noemen. De man dacht blijkbaar dat hij precies wist hoe zij met de boosheid van die verdoemde Draak zou omgaan! Het ergste was dat als zij Rhand in haar bed kon krijgen, zij dat zou doen. Niet vanwege dit, niet om dit klaar te spelen, maar omdat ze dat graag wilde.
1900 Overal waarheen ik hen beveel te gaan. Ik betwijfel of u me kunt tegenhouden om iets te kopen van een boer die tien span buiten Caemlin woont, maar ik heb er geen last van als u dat kunt. Niettemin ben ik bereid bezoek toe te staan wanneer u dat vraagt. Overeengekomen bezoeken onder begeleiding.
1901 Birgittes meshand trilde, zo graag wilde ze haar mes gooien. En zijzelf? Ze was door en door woest! Nog ietsjes meer en ze zou met saidar toeslaan. Met moeite bedwong ze haar woede tot een uiterlijke kalmte. Een ziedende, schijnbare kalmte. Ze slikte en kon met moeite haar stem vlak houden.
1902 Licht, ze moest proberen het gezag van Andor te handhaven, niet deze man te prikkelen. Snel deed ze een oefening uit haar Novicetijd: de rivier tussen twee oevers. Ze zocht rust en kalmte. Het hielp een beetje. Nu wilde ze hem alleen nog maar alle wijnbekers naar zijn hoofd smijten.
1903 Ze had deze oproep verwacht, maar niet geweten wanneer die precies zou komen. Ze wist alleen dat eraan gehoorzaamd moest worden, meteen. Ze stond op en had graag wat meer tijd gekregen om Taim een en ander duidelijk uit te leggen. Hij keek fronsend naar de vrouw die was binnengekomen en naar Elayne.
1904 Ze schoof de donkere omslagdoek met veel gerinkel van armbanden rond haar schouders en liep naar Elayne toe, waarbij ze Taim de rug toekeerde. Ondanks de kou droeg ze alleen de omslagdoek over haar dunne witte hemd, hoewel ze vreemd genoeg een dikke wollen mantel over een arm droeg.
1905 Elayne wist niet of hij zich ook had omgedraaid – ze voelde zijn ogen bijna zeker op haar gericht – maar opeens stond Birgitte vlak voor haar, evenals Merilille, Reene en Zaide. Zelfs Renaile. Ze stonden schouder aan schouder en vormden een grimmige muur tussen haar en de mannen.
1906 Let nergens op, hield ze zichzelf voor. Ik beheers me. Ik ben kalm. Ik ben... Ik sta straks poedelnaakt in een volle kamer! Ze kleedde zich zo snel mogelijk uit en liet haar gewaad en onderkleren op de vloer vallen, waarna ze haar muiltjes en kousen erop schopte. Ze kreeg kippenvel.
1907 De Wijzen hadden gezegd dat ze als ongeboren kind naar de geboorte diende te komen. Ze hadden heel veel uitgelegd, maar het voornaamste was dat ze niemand mocht zeggen wat er ging gebeuren. Zij had het graag exact willen weten, maar een kind werd geboren zonder voorkennis van wat er ging gebeuren.
1908 Nadere kwam naar voren met de mantel en hield die haar voor zonder hem aan te reiken. Elayne moest hem aanpakken en haastig omslaan. Ze wist zeker dat ze Taims ogen voelde. Ze hield de dikke wol strak om zich heen en haar eerste gedachte was snel het vertrek uit te schieten.
1909 Ze was niet van plan in een mantel van schaamte weg te ijlen. Taims mannen stonden stokstijf met hun gezicht naar de deur. Taim zelf keek met over elkaar geslagen armen strak naar de open haard. Haar gevoel dat zijn ogen strak op haar gevestigd waren, was verbeelding geweest.
1910 De roodwitte vloertegels waren veel kouder dan de tapijten in de zitkamer. Enkele bedienden, warm gekleed in goede wollen livreien, keken haar met grote ogen na, waarna ze zich verder repten voor hun taken. De vlammen van de staande kandelaars flakkerden. Het tochtte hier altijd.
1911 Ze moest voor de plechtigheid over bepaalde dingen nadenken, was haar gezegd, en sommige van die dingen verontrustten haar. Nadere hield Elayne gemakkelijk bij en Elayne zorgde er zorgvuldig voor dat haar benen niet door de split zichtbaar waren, want overal waren bedienden.
1912 Het kostte dus behoorlijk wat tijd voor ze de kamer bereikten waar de Wijzen bijeen waren. Meer dan tien. Ze waren gekleed in ruim vallende rokken, witte hemden en donkere omslagdoeken. Behangen met halskettingen en armbanden van goud of zilver, met edelstenen en ivoor.
1913 Hun zwarte haren werden bijeengehouden met doeken. Alle meubels en tapijten waren weggehaald waardoor alleen de witte vloertegels te zien waren. Er brandde geen vuur in de haard. Zo diep in het paleis en in deze ruimte zonder vensters waren de donderslagen amper te horen.
1914 Elaynes ogen gingen meteen naar Aviendha, die aan de andere kant van de kamer stond. Naakt. Ze gaf Elayne een zenuwachtig glimlachje. Zenuwachtig! Aviendha! Elayne gooide haastig de mantel af en glimlachte terug. Zenuwachtig besefte ze. Aviendha lachte zachtjes en even later deed Elayne hetzelfde.
1915 Licht, wat was de lucht koud. De vloer was zelfs nog kouder. De meeste Wijzen kende ze niet, maar één gezicht viel op. Het vroeg witgeworden haar en de gelaatstrekken van Amys gaven haar een onbestemde leeftijd, waardoor ze op een Aes Sedai leek. Ze moest uit Cairhien zijn komen Reizen.
1916 Beiden waren sterker in de Ene Kracht dan zij, sterker dan elke Aes Sedai die ze kende, met uitzondering van Nynaeve. Het leek bij de Aiel onbelangrijk maar ze kon geen enkele andere reden bedenken waarom de twee Wijzen altijd vol spot op haar neerkeken. Ze had gedacht dat Amys de leiding zou nemen.
1917 Haar geelblonde haren hadden ook iets roods. Ze was niet echt klein maar wel de enige vrouw in de kamer die kleiner was dan Elayne. En ook de zwakste, die amper de stola verworven zou hebben als ze naar Tar Valon zou zijn gegaan. Misschien deed het er echt niet toe bij de Aiel.
1918 Twee anderen stapten met haar mee. Een felle rossige die Shyanda heette en die Elayne bij Melaine had gezien en een grijzende vrouw die ze niet kende. Ze hielpen Amys zich uit te kleden. Amys keek fier in haar naaktheid Monaelle aan en gaf een klap op haar strakke buik.
1919 Ik zal vragen stellen en jullie antwoorden naar waarheid. Als je weigert te antwoorden, zul je worden weggezonden. Als iemand van de aanwezigen denkt dat je liegt, zul je worden weggezonden. Natuurlijk mogen jullie op elk tijdstip uit jezelf weggaan. Waarmee dit alles ook voor eeuwig is afgelopen.
1920 Tijdens haar woorden verweefden zich opeens stromen saidar tussen haar en Aviendha en er klonk geen enkel geluid uit haar mond of uit die van Aviendha. Onbewust nam een deel van haar geest de wevingen op, zelfs nu. Proberen iets te leren hoorde evenzeer bij haar als de kleur van haar ogen.
1921 Je vond het prettig als mannen naar je keken en schonk hun een glimlach. Glimlach je nooit naar een man om jouw argumenten kracht bij te zetten? Raak je niet zijn arm aan om hem af te leiden van de zwakte in je redenering? Dat zul je doen en je bent er niet minder door.
1922 Ontken het en je ontkent jezelf. Ben je nooit razend geweest en heb je toen niet geslagen? Heb je nooit bloed laten vloeien? Nooit gewild dat het zou gebeuren? Zonder aan andere oplossingen te denken? Zonder verder te denken? Zolang je ademt, zal het deel van je uitmaken.
1923 Hart en geest zijn de echte wapens. Heb je op een dag geleerd de speer te gebruiken en werd je daardoor Far Dareis Mai? Als je nu je geest en hart niet scherpt, word je oud en brengt een kind je al in de war. Stamhoofden zullen je niet langer serieus nemen en bij jouw woorden slechts de wind horen.
1924 Wellicht zal je man jou nog zien zoals hij je de eerste keer zag, maar geen enkele andere man zal van je dromen. Ben jij dan niet meer jij? Je lichaam is niet meer dan kleding. Je vlees wordt zwak maar je bent ook hart en geest en die veranderen slechts door sterker te worden.
1925 Proppen? Proppen!? Af en toe een snoepje, dat was alles. Heel af en toe. Dik? Waarom zat Aviendha haar zo woest aan te staren? Wie weigerde in kniehoog water te stappen, gedroeg zich kinderachtig. Monaelle bedekte haar mond voor een kuchje, maar Elayne vermoedde dat ze lachte.
1926 Toen ze de vraag hoorde, was het antwoord zonneklaar geweest, maar ze had toch iets minder kwetsends bedacht, iets wat ook waar was, waardoor ze zich beiden niet verlegen hoefden te voelen. Maar na die woorden over haar lachen tegen mannen en het tonen van haar boezem..
1927 Aviendha zou toch zeker niet... Met knipperende ogen duwde Elayne zich op van de ijskoude tegels. Voorzichtig voelde ze aan haar wang en kromp ineen. De rest van de dag zou de handafdruk te zien zijn. Dat mens had toch niet zó hard hoeven te slaan! Iedereen keek toe tot ze weer op haar knieën zat.
1928 En de enige reden daarvoor was dat het je werd opgedragen. Laat die klappen gelden voor alle klappen die je elkaar nog wilt geven. Jullie hebben toh jegens elkaar. Toh kun je niet terugbetalen en je zult het niet proberen, want elke vrouw is haar eerstezuster iets verschuldigd.
1929 Zij vervaagde. Ze hield op te bestaan. Bewustzijn. Iets van dien aard. Ze dacht niet aan zichzelf als ik, ze dacht in het geheel niet, maar ze was zich bewust. Geluid. Een vloeistof die om haar heen stroomde. Gedempt gegorgel en gerommel. Een ritmisch geklop. Dat vooral.
1930 De doem. De doem. Ze kende geen tevredenheid, maar was tevreden. De doem. Tijd. Ze wist niet wat tijd was, maar Eeuwen verstreken. Er klonk een geluid in haar, een geluid dat haar was. De doem. Hetzelfde geluid, hetzelfde ritme als het andere. De doem. En van een andere plek.
1931 Dichterbij. De doem. Nog een. De doem. Hetzelfde geluid, dezelfde maat, als van haarzelf. Niet dat van een ander. Ze was dezelfde. Ze waren een. De doem. Voor altijd vervloog door dat ritme alle tijd die ooit had bestaan. Ze voelde de ander die zijzelf was. Ze kon voelen.
1932 Zij en die ander die zijzelf was, kronkelden tegen elkaar aan, de ledematen vervlochten zich, schoven opzij maar kwamen voortdurend naar elkaar terug. De doem. Soms was er licht in de duisternis; vaag zonder iets te zien, maar fel voor iemand die niets anders dan duisternis had gekend.
1933 De doem. Ze opende haar ogen, staarde in de ogen van iemand die zijzelf was en sloot de ogen. Tevreden. De doem. Verandering, plots, angstwekkend voor iemand die nooit verandering had gekend. Druk. De doem. De doem. Dat geruststellende ritme was sneller. Samenpersende druk.
1934 Ze wist niet wat vrees was, maar ze was bang en alleen. De doem. De doem! Druk! Groter dan ooit tevoren! Het perste, het drukte haar fijn. Als ze had geweten hoe ze moest krijsen, als ze had geweten wat gekrijs was, zou ze hebben gekrijst. En toen opeens licht, verblindend, vol wervelende patronen.
1935 Ze schopte zwakjes en trappelde met benen en zwaaide met armen die niet wisten wat beweging was. Ze werd opgetild, op iets zachts gelegd dat toch ruwer was dan alles wat ze eerder had gevoeld, afgezien van herinneringen aan die ander die zijzelf was, de ander die verdwenen was.
1936 O ja, ze was Elayne. Ja, Elayne Trakand. Maar er was nu iets meer in haar. Het was geen zwaardhandbinding, maar het leek er wel op. Zwakker, maar mooier. Langzaam, met een hoofd dat licht heen en weer rolde, keek ze op om die ander te zien die zijzelf was en die tegen de andere borst van Amys lag.
1937 Met tegenzin gooide ze haar dekens opzij. Het gebouw was een soort kleine opslagruimte geweest, met dikke muren en zware lage zolderbalken, maar nergens was een haard. Haar adem vormde wolkjes en de ijzige ochtendlucht beet al door haar dunne nachtgoed voor haar voeten de ruwe planken raakten.
1938 Logain, die was gestild en op de een of andere manier weer kon geleiden, die het had gewaagd haar, Toveine Gazal, met zijn vervloekte saidinweving te binden. Jammer voor hem dat hij haar niet had bevolen te stoppen met denken. Ze kon hem voelen, achter in haar hoofd. Hij was er altijd.
1939 Heel even kneep ze haar ogen dicht. Licht! De boerderij van vrouw Doweel had de Doemkrocht geleken, een jarenlange boetvaardige verbanning zonder andere uitweg dan iets ondenkbaars zoals een opgejaagde afvallige worden. Amper een halve week nadat ze gevangen was had ze al beter geweten.
1940 Kwaad hoofdschuddend wreef ze met haar vingers een vochtige glinstering van haar wangen. Nee! Ze zou hoe dan ook ontsnappen, al was het maar net lang genoeg om Elaida te wurgen. Hoe dan ook. Hoewel er slechts een bed en drie meubelstukken stonden, was er maar weinig ruimte.
1941 Dat en verder niets. Gedachteloos waste ze zich en poetste ze haar tanden met zout en soda, waarna ze schoon goed en schone kousen pakte uit de kleine houten kist aan het voeteneind en die aantrok. Ze liet haar ring in de kist liggen, verstopt in een fluwelen beursje onder vele andere dingen.
1942 Ook bevolen. Al haar eigendommen met uitzondering van een schrijftafeltje waren hier. Gelukkig was ze dat kwijtgeraakt toen ze overwonnen werd. Haar gewaden hingen aan een kapstok, het derde meubelstuk. Ze koos er een zonder echt te kijken, trok hem gedachteloos aan en gebruikte kam en borstel.
1943 Hier en daar spraken enkelen mompelend met elkaar, maar de rest meed elkaars blik, zelfs leden van dezelfde Ajah. Er hing een sfeer van vrees, maar op de meeste gezichten stond schaamte te lezen. Akoure, een stevige Grijze zuster, stond naar de hand te staren waar ze altijd haar ring droeg.
1944 Desandre, een magere Gele, verborg haar rechterhand onder de oksel. Het zachte gefluister verdween toen Toveine verscheen. Verschillende vrouwen keken haar woedend aan, onder wie Jenare en Lemai. Haar eigen Ajah! Desandre was zo verstandig om zich stijfjes om te draaien.
1945 Als Logain niet had ingegrepen zouden ze de eerste nacht al wraak hebben genomen. Ze vond hem niet aardiger doordat hij een eind aan de afstraffing had gemaakt en vervolgens Carniele had bevolen haar opgezette bulten en schrammen te helen die door riemen, vuisten en voeten waren toegebracht.
1946 Ze was liever doodgeslagen dan hem iets verschuldigd te zijn. Ze deed haar mantel aan en liep trots door de gang naar buiten; het bleke ochtendlicht paste goed bij haar matte stemming. Achter haar riep iemand bijtende woorden voor de dichtvallende deur ze onhoorbaar maakte.
1947 Met trillende handen deed ze haar kap op en schikte het donkere bont rond haar gezicht. Niemand kon ongestraft Toveine Gazal vernederen. Zelfs vrouw Doweel, die haar in de loop der jaren een schijnbare onderwerping had afgedwongen, had dat aan het eind van Toveines verbanning geleerd.
1948 Weliswaar was ze één ogenblik in paniek geraakt, maar dat deed er niet meer toe. Wat er wel toe deed, waren vijfhonderd man die konden geleiden; ze waren als een klein botje dat klem zat tussen haar tanden en niet los kwam. Vijfhonderd! En sommigen konden Reizen. Een heel scherp botje.
1949 Erger nog, ze had ruim een span door de bossen gezwoegd voor ze bij de muur was beland. Door wat ze eruit kon afleiden, werd ze bang. Nergens was de muur af, nergens meer dan twaalf of vijftien voet hoog en de meeste torens en versterkingen waren nog niet eens aanwezig.
1950 De man had haar zo volkomen in zijn macht dat hij niet eens een poging deed om te liegen. Hij noemde de muur een verspilling van tijd en moeite en wellicht was het dat ook, maar ze klappertandde bij de gedachte. Pas drie maanden. Gemaakt met de Ene Kracht. De mannelijke helft van de Ene Kracht.
1951 Als ze aan die zwarte muur dacht, zag ze een onverzettelijke strijdmacht die niet tegengehouden kon worden, zag ze een lawine van zwarte steen die de Witte Toren begroef. Onmogelijk natuurlijk. Onmogelijk, maar wanneer ze niet over het wurgen van Elaida droomde, droomde ze daarvan.
1952 Nog vreemder waren de kinderen die door de straten renden rond de groepen geleiders en die schreeuwend en lachend rondbuitelden en elkaar gekleurde ballen toegooiden, of met poppen of honden speelden. Een stukje alledaagsheid dat de smerige stank van de rest versterkte.
1953 Een groep ruiters kwam stapvoets door de straat naar haar toe. In de korte tijd dat ze hier was geweest – die eindeloze tijd – had ze niemand in het dorp zien rijden, afgezien van werklui op karren of wagens. Zelfs geen bezoeker en sommige van deze ruiters moesten bezoekers zijn.
1954 Vijf man in het zwart begeleidden ongeveer tien mannen die de rode jassen en mantels van de koninginnegarde droegen en die onder aanvoering van twee goudblonde vrouwen stonden. Een in een roodwitte mantel afgezet met zwart bont en de ander... Toveines wenkbrauwen rezen hoog op.
1955 Toveine trok haar mantelkap wat meer naar voren om haar gezicht te verbergen en bewoog opzij, naar de hoek van een kleiner huisje. Een oude man met een vorkbaardje kwam naar buiten. Hij droeg een zilveren zwaardspeld op de hoge kraag en keek haar nieuwsgierig aan zonder echter in te houden.
1956 Elaida had niet ronduit gezegd waarom ze die weggelopen Aanvaarde zo graag in handen wilde krijgen, nog wel een die koningin kon worden, maar geen enkele zuster mocht de Toren uit zonder bevelen wat te doen als ze dat meisje tegenkwam. Pas maar op, Elayne Trakand, dacht Toveine.
1957 Hij zou weldra naar buiten komen. Hij had haar gezegd gereed te staan wanneer hij naar buiten stapte. Haar benen bewogen nog sneller dan haar gedachten. Het gevolg was dat haar benen in de rokken verward raakten en ze zo hard op de grond klapte dat het haar de adem benam.
1958 Ruw geschreeuw van de mannen volgde haar in de straat en lachende kinderen wezen toen ze voorbijholde. Opeens schoot een troep honden op haar af, grauwend en bijtend naar haar benen. Ze sprong, tolde rond en schopte, maar de honden bleven haar aanvallen. Ze kon wel gillen van ergernis en woede.
1959 Een grijze hond greep een loshangende rokpunt en trok haar opzij. Ze raakte in paniek. Als ze nu viel, zouden ze haar in stukken scheuren. Een schreeuwende vrouw in bruin wollen kledij zwaaide met een zware mand naar de hond die aan Toveines rok trok. Het dier sprong opzij.
1960 De emmer van een gezette vrouw trof de ribben van een gevlekte bruine hond en hij ging er jankend vandoor. Toveines mond viel open van verbazing en moest voor haar onachtzaamheid boeten met een kapotte kous en wat huid van haar linkerbeen dat gegrepen was door een andere hond.
1961 Ze rende verder en dacht verwoed na. De vrouwen wisten het. Als een het wist, wisten ze het allemaal. Maar ze zouden geen berichten doorspelen, niet helpen bij een ontsnapping, niet wanneer ze daar uit vrije wil bleven wonen. Niet als ze begrepen waaraan ze meehielpen. Ze had er niets aan.
1962 Ze kon hem wel voelen, hij ging volkomen op in iets. Lezen misschien. Het laatste stuk liep ze heel waardig. Beheerst en ondanks alles tot in haar pink een Aes Sedai. Het lukte haar bijna haar panische vlucht voor de honden te vergeten. Telkens als ze het huis zag, verbaasde het haar.
1963 Een alledaags houten huis met een verdieping, hoewel de rode deur, de luiken en vensters vreemd aandeden. De simpele gordijnen beletten dat ze naar binnen kon kijken, maar het glas was zo slecht dat ze zelfs met open gordijnen binnen amper iets had kunnen onderscheiden.
1964 Ze zette de zuster uit haar gedachten. Hoewel... Als Gabrelle echt te laat kwam, moest ze uitzoeken hoe de vrouw dat klaarspeelde. Maar nu moest ze zelf kennis opdoen. De wachtende mannen voor de rode deur namen haar op maar zeiden niets, zelfs niet tegen elkaar. Toch was er geen vijandschap.
1965 Ze wachtten gewoon. Geen van hen droeg een mantel, hoewel hun adem bleke wolkjes voor hun gezichten vormde. Ze waren allemaal Toegewijden met de zilveren zwaardspeld op de kraag. Zo was het elke ochtend geweest als ze zich kwam melden, hoewel er niet altijd dezelfde mannen stonden.
1966 Hij stond tegen de hoek van het huis met een touwtje te spelen. Donalo Sandomere, als dat tenminste zijn naam was, met zijn gerimpelde boerse gezicht en scherp gesneden geoliede baardje, probeerde de verveelde houding aan te nemen die volgens hem bij iemand van adel paste.
1967 Ze verzamelde in gedachten een lijstje namen en gezichten. Vroeg of laat zou er op hen worden gejaagd en elke inlichting die kon helpen hen te vinden, zou nuttig zijn. De rode deur ging open en de mannen richtten zich op, maar het was niet Logain die naar buiten stapte.
1968 Kurin grijnsde openlijk en streek met een duim langs zijn smalle snorretje. De vrouw was zo onbeschaamd niet eens rood te worden. Ze trok haar wipneus iets op en schikte toen ferm haar donkerblauwe gewaad bij de heupen, alsof ze bekend wilde maken dat ze het net had aangetrokken.
1969 Ik prijs mezelf gelukkig dat het me slechts vier dagen kostte om hem ervan te overtuigen mij de kans te geven. Roden zoals jij beseffen dat misschien niet, maar mannen zijn dol op gesprekken en roddels. Je hoeft alleen maar te luisteren of net te doen alsof en elke man vertelt jou zijn hele leven.
1970 Ze wilde dat net zeggen toen Logain zelf verscheen en de deur achter zich dichtdeed. Hij was lang, groter dan de mannen om hem heen. Zijn donkere haren raakten brede schouders en omkransten een hooghartig gezicht. Zijn hoge kraag toonde zowel het zilveren zwaard als die belachelijke slang met poten.
1971 Toveine luisterde aandachtig. Nynaeve Almaeren. Ze had die naam vaak gehoord na haar terugkomst in de Toren. Ook een weggelopen Aanvaarde. Nog zo een die Elaida verschrikkelijk graag wilde vangen, veel gretiger dan normaal was. Eveneens afkomstig uit het dorp van Altor.
1972 Door een Aanvaarde? Dat was onwaarschijnlijk en grensde aan het onmogelijke, maar ze had al eerder het onmogelijke zien gebeuren en dus prentte ze ook deze kennis goed in haar geheugen. Ook Gabrelle luisterde nauwgezet, merkte ze. Maar ze hield ook Toveine vanuit haar ooghoeken in de gaten.
1973 Blijf maar zo goed mogelijk op die mannen uit Tweewater letten. Je hoeft ze niet te vertroetelen, anders nemen anderen hen te pakken, maar probeer te voorkomen dat ze stomme dingen doen. De Drakenheer vindt het waarschijnlijk niet leuk als we te veel mensen uit zijn streek doden.
1974 Stomme boeren. De Toren nam alleen meisjes van onder de vijftien op wanneer ze al een eerste begin met geleiden hadden gemaakt. Dat andere was echter boeiender. Weer Tweewater. Iedereen zei dat Rhand Altor zich niets aantrok van zijn geboortestreek, maar zij was daar niet zo zeker van.
1975 De anderen keken elkaar zwijgend aan met gezichten die uit steen leken gehouwen. Ze verbeet haar ergernis terwijl ze rondkeek. Dit soort dingen gebeurde te vaak. Er waren onderwerpen waar ze verder niets over wilden zeggen – of waren ze er bang voor? – en zij begreep er niets van.
1976 Voortdurend had ze het gevoel dat hier kostelijke feiten verborgen lagen. Maar net buiten haar greep. Een brede Cairhienin, die nog net tot Logains borst reikte, wilde wat zeggen, maar of hij nog iets meer over Mishraile wilde vertellen of wie dat was, zou ze nooit te horen krijgen.
1977 Ze had de mannen al eerder over Taims paleis horen praten en vandaag had ze gehoopt het te vinden en wellicht een glimp op te vangen van de man wiens naam even besmeurd was als die van Logain. In plaats daarvan volgde ze de andere vrouw gedwee de rode deur in. Het had geen zin er tegenin te gaan.
1978 Binnen keek ze de voorkamer rond, terwijl Gabrelle haar mantel aan een haak hing. Ondanks de buitenkant had ze bij Logain iets grootsers verwacht. Een klein houtvuur brandde in een ruwstenen haard. Een lange smalle tafel en stoelen met lattenruggen stonden op kale planken.
1979 Haar vingers jeukten maar ze wist dat ze niet in staat zou zijn ook maar iets anders aan te raken dan de pen of het potje met inkt. Zuchtend volgde ze Gabrelle de keuken in, waar een ijzeren kachel te veel hitte uitstraalde en vuile ontbijtborden op een lage kast onder het venster stonden.
1980 Ze wilde geen thee, tenzij ze er wat eten bij kreeg, ze had immers het ontbijt gemist, maar ze wist dat ze de thee zou drinken. De dwaze Bruine zuster praatte over koetjes en kalfjes, terwijl ze haar keukentaken uitvoerde als een kalme boerin, ik ben al een heleboel te weten gekomen.
1981 De anderen wonen allemaal in Taims paleis. Ze hebben bedienden, maar Logain heeft de vrouw van een man in opleiding in dienst genomen om voor hem te koken en te wassen. Ze zal gauw komen en vindt hem haar zonnetje aan de hemel, dus kunnen we belangrijke zaken maar beter nu bespreken.
1982 Natuurlijk hebben ze zich zeer veel moeite getroost om ons hierheen te brengen. Er zijn nu eenenvijftig zusters hier en zelfs met die binding moeten ze bang zijn dat wij een uitweg zullen vinden om ongehoorzaam te zijn, een of andere opening die zij niet gezien hebben. Het antwoord is duidelijk.
1983 De eerste vraag is: gaan wij ons verenigen of gaan we ons weer als Bruinen en Roden, als Gelen, Groenen en Grijzen gedragen? En wat moet die arme Ayako, die het wel heel erg zal spijten dat de Witte zusters erop stonden dat er uit hun kring iemand meeging? Lemai en Desandre zijn de hoogsten in rang.
1984 Zich onderwerpen aan een zuster was op zich geen zware opdracht. De Ajahs hadden altijd geheimen gekoesterd en hadden soms tegen elkaar geïntrigeerd, maar de openlijke tweedracht die nu de Toren beheerste, stond haar tegen. Bovendien had ze bij vrouw Doweel geleerd hoe ze zich nederig kon gedragen.
1985 Bruinen waren altijd beter met boeken dan met mensen als ze erover nadacht. Voor Logain en Taim en de anderen aan hun eind kwamen, zouden zij Toveine Gazal helpen Elaida van de troon te stoten. De grote stad Cairhien was een opeengeperste steenmassa binnen dikke muren op de oever van de Alquin.
1986 De handel verliep trager door oorlogen, de winter en de Herrezen Draak, maar kwam nooit echt tot stilstand, behalve wanneer de naties zelf stierven. Ondanks de kou stroomden wagens, karren en mensen door de straten die de terrasheuvels van de stad bedekten. De Stad zei men hier.
1987 De menigte voor het Zonnepaleis was echter stil. Ruim een span van het paleis vandaan stond Rhand in een venster van de groots genaamde School van Cairhien en tuurde door de bevroren ruiten naar het bestrate erf onder hem. In de tijd van Artur Haviksvleugel waren er al scholen geweest en eerder ook.
1988 Hij stond echter aan belangrijker zaken te denken. Was het een fout geweest om zo snel naar Cairhien terug te keren? Hij was echter gedwongen geweest er snel vandoor te gaan en op de juiste plekken zou men al snel weten dat hij echt was gevlucht. Te snel om alles voorbereid te hebben.
1989 Hij hoorde haar mompelend de planken afzoeken waar ze na Fels dood waren geplaatst. Door de schenkingen van boeken en geschriften die de Drakenschool nog niet bezat, breidde de verzameling zich snel uit over de leegstaande vertrekken van het voormalige paleis van heer Barthanes.
1990 Het Licht zij dank was Lews Therin nu stil. De laatste tijd leek de man gekker dan ooit. Hij wreef met zijn mouw een plek schoon op het glas. Dikke grijze wol, goed genoeg voor een man van weinig aanzien en met weinig geld. Het was geen kledingstuk dat iemand bij de Herrezen Draak zou verwachten.
1991 Een handvol mannen in dikke jassen met dassen en hoofddeksels hield zich blijkbaar bezig met de vreemde lading op de wagen. Draaiende toestellen rond een dikke metalen buis die meer dan de helft van de wagen in beslag nam. Nog vreemder waren de ontbrekende paar denbomen.
1992 Het open luik van die doos gloeide door het vuur erbinnen en uit een smalle hoge schoorsteen kringelde rook. Een kale man met baard sprong om de wagen heen, gebarend en blijkbaar bevelen schreeuwend die weinig effect op de anderen leken te hebben. Hun adem vormde ijlwitte wolkjes.
1993 De wond in zijn zij, die nooit helemaal wilde genezen, voelde heet aan. Het gevloek van Min drong niet echt tot hem door. Hij wist dat het van haar kwam, maar aan haar toon kon hij al horen dat ze niet zou vertrekken tenzij hij haar wegdroeg. Er waren een of twee zaken die hij nog wenste te weten.
1994 Mensen die denken dat u de Amyrlin Zetel gehoorzaamheid hebt gezworen, geven de voorkeur aan de Verzakers. Hoe dan ook, er wordt behoorlijk veel gepraat over de vraag of u dood bent, ontvoerd of gevlucht. De mensen nemen aan dat u nog ergens leeft, of beweren dat ze dat geloven.
1995 Op het erf stapte een man van de wagen af, maar de kale kerel greep hem vast en sleurde hem weer terug om hem te laten aanwijzen wat hij gedaan had. Aan de andere kant sprong een man op de stenen en de man zonder hoed liet de eerste in de steek om ervoor te zorgen dat die ander weer terugklom.
1996 Geen knappe man, maar betrouwbaar. Blauwwitte banen liepen over de voorkant van zijn donkere fluwelen jas vanaf zijn nek bijna tot aan zijn knieën. Zijn zegelring was een geslepen robijn en er zat er nog een op de kraag die weinig groter was, maar voor een Cairhienin was het pronkerig.
1997 Alleen als hij dichter bij het paleis was, zouden ze voelen dat hij hier een poort schiep. Die drie mannen hadden niet meegedaan aan de aanval, maar een goed strateeg zou de kans op mislukking in zijn opzet hebben meegenomen. Zou een plan klaar hebben om na afloop iemand in zijn nabijheid te houden.
1998 Je overleeft het niet, fluisterde Lews Therin. Geen van ons overleeft het. Ga slapen, dacht Rhand geërgerd. Hij wist best dat hij het niet zou overleven. Maar hij wilde het wel. Een honend gelach vormde het antwoord, maar het gelach stierf weg en verdween ten slotte helemaal.
1999 En Darlin Sisnera leidde de Tyreense edelen die hem uit hun kostelijke Steen wilden gooien. Rhand fronste. Hij was er zeker van dat Cadsuane haar aandacht volledig op hem had gericht, al deed ze net of dat niet zo was. Maar wat als het inderdaad niet waar was? Dan was dat een opluchting.
2000 Maar natuurlijk trok hij haar volle aandacht en het laatste dat hij nodig had, was een Aes Sedai bemoeial. Het allerlaatste. Misschien richtte Cadsuane haar bemoeizucht nu op andere zaken. Min had gezien hoe Sisnera een vreemde kroon droeg en Rhand had veel over haar beeld nagedacht.
2001 Hij wilde niet denken aan de andere dingen die zij over hem en de Groene Aes Sedai had gezien. Kon het iets simpels zijn, zoals het denkbeeld dat zij, Cadsuane, kon beslissen over de heerschappij van zowel Tyr als Cairhien? Simpel? Hij moest bijna lachen. Maar zusters gedroegen zich zo.
2002 Bevend, want hij leek nog sneller te kloppen dan een hart. De meeste mannen begonnen er weer aan alle kanten aan te werken. Een man draaide met een doek om de hand verwoed iets rond. Onverwachts schoot er stoom omhoog uit een pijp en werd het trillen minder tot het helemaal stopte.
2003 Hij herinnerde zich nu die Mervin weer, met zijn ontwerp dat op een tafel stond te schudden en niets deed. En dit wonder was de opvolger? Hij had toen gemeend dat je er muziek mee kon maken. Dan moest die man die daar rondsprong en zijn vuist hief naar de anderen die Mervin zijn.
2004 Ik neem aan dat u op wapens hoopte, maar nu heb ik tientallen dromers en uitvreters binnen en iedereen heeft minstens één heel oud boek of manuscript, zo niet meer in bezit. Ze stammen minstens uit de tijd van het Covenant van de Tien Naties, als het al niet uit de Eeuw der Legenden zelf is.
2005 De moeilijkheid was dat hij geen flauw benul had wat dat kon zijn, afgezien van de School zelf. Wie wist vooraf wat een wonder vermocht? Licht, hij wilde iets bouwen dat blijvend zou zijn. Ik meende dat ik iets kon opbouwen, mompelde Lews Therin in zijn hoofd. Ik had het mis.
2006 Wij zijn geen bouwers, jij niet, ik niet en die ander ook niet. Wij zijn vernietigers. Vernietigers. Rhand huiverde en streek met de handen door zijn haar. De ander? Er waren tijden dat de stem heel normaal klonk terwijl die de gekste dingen zei. Ze stonden hem aan te kijken.
2007 Dobraine verborg amper zijn onzekerheid en Idrien nam niet eens de moeite. Rhand richtte zich op of er niets aan de hand was en haalde twee kleine pakjes uit zijn jas. Beide vertoonden de draak in een lange strook rode was. De riemgesp die hij nu niet droeg, leverde een indrukwekkend zegel op.
2008 Mins stem klonk nu opgewekter. Ze moest Fels boeken hebben gevonden. Hij zou haar toestaan hem tot haar dood te laten volgen, want hij was niet sterk genoeg om haar weg te houden. Ilyena, kreunde Lews Therin. Vergeef me, Ilyena! Rhands stem klonk als de bittere kou van hartje winter.
2009 Het Hoofd der School slaagde erin zowel blij als ontevreden te kijken. Ze was druk en overbodig bezig haar rok glad te strijken als een vrouw die onder zware druk haar mond moet houden. Al klaagde ze zo nog zoveel over de dromers en wijsgeren, boven alles wilde ze een zo goed mogelijke School.
2010 Hij had Min en Rhand eerder meegemaakt. Daarna zorgde Rhand dat zijn bezoekers zo snel mogelijk verdwenen. Ze hadden al genoeg gezien en gehoord. Hij stuurde hen weg en bezwoer hen te zeggen dat hij er nooit geweest was. Dobraine knikte alsof hij niet anders had verwacht.
2011 In elk geval hadden ze weinig tijd. Misschien was niemand die het kon weten zo dichtbij dat hij de opening van een poort voelde, maar wie goed naar de aanwijzingen keek, zou zeker weten dat er een geleider in de stad was. Het was niet zijn bedoeling nu al gevonden te worden.
2012 Hij kon het enigszins beheersen. Gewoonlijk. Vaak. Deze duizeligheid door saidin was echter nieuw. Misschien had hij zich te snel omgedraaid. En misschien vlogen varkens echt. Hij schoof de band van de leren tas over zijn vrije schouder. De mannen op het erf waren nog aan het werk.
2013 Maar het lukte hem rechtop te blijven staan. Nog net. En hij kon nog net de stromen voor een poort weven, die zich opende naar een besneeuwd veld waar twee gezadelde paarden aan een lage tak van een eik stonden vastgebonden. Hij zag tot zijn opluchting dat de dieren er nog waren.
2014 Daarnaast waren er nu ook een groot aantal half bevroren mannen en vrouwen met pijnlijke voeten die het volledige genot van losbandigheid smaakten en vermoeid raakten van het zoeken naar onbekende verten. Zelfs deze grove rijdieren zouden verdwenen zijn als iemand had gemerkt dat ze onbewaakt waren.
2015 Ik weet dat het belangrijk is. Kijk niet zo verbaasd. Je hebt die tas de hele tijd in het oog gehouden. Waarom voer je je plannen niet verder uit en leg je overal valse sporen? En vervolgens uiteraard het echte spoor. Je pakt ze aan wanneer ze dat het minst verwachten, heb je gezegd.
2016 Zwijgend reden ze verder. Nog steeds hield hij enkele dingen voor haar geheim, zoals die misselijkheid die hem telkens overviel wanneer hij geleidde. Dat was de echte reden waarom hij eerst met Dashiva en de anderen wilde afrekenen, want zo schiep hij tijd om die misselijkheid te overwinnen.
2017 Dan vervagen de sagen tot mythen, tot ook die allang vergeten zijn bij de wederkomst van de Eeuw die deze verhalen schiep. In een Eeuw – door sommigen de Derde Eeuw genoemd, een Eeuw die nog zal komen, een Eeuw die reeds voorbij is – stak een wind op boven de Arythische Oceaan.
2018 Maar het was een begin. Oostwaarts blies de wind, boven de koude grijsgroene golven van de oceaan, naar Tarabon, waar over een afstand van enkele spannen langs de lage kustlijn schepen aan hun ankers trokken, schepen die reeds gelost waren of wachtten tot ze de haven van Tanchico in konden varen.
2019 Naar het oosten blies de wind, span na span, soms luwend en soms aanwakkerend, maar hij ging nimmer liggen. Oostwaarts, en dan naar het zuiden, over wouden en vlakten in de greep van de winter, met hun kale takken en dorbruine gras. Ten slotte passeerde hij de vroegere grens van Tarabon en Amadicia.
2020 Oostwaarts en zuidwaarts, om de zuidelijke uitlopers van de Mistbergen heen, wervelend over het hoog ommuurde Amador. Het veroverde Amador. De banier boven op de sterke Burcht van het Licht klapperde in de wind en de gouden havik leek echt te vliegen, met bliksemflitsen in zijn klauwen geklemd.
2021 Neergeslagen, niet alleen om te letten op het gladde plaveisel, maar ook om het zicht te vermijden op een voorbijrijdende Seanchaan, zittend op een beest dat eruitzag als een met bronzen schubben beklede kat ter grootte van een paard, of op in maliesluiers geklede Taraboners.
2022 Sneeuw dekte geblakerde balken en verlaten schuren toe en verzachtte het beeld, ook al heerste de vorst met zijn dodelijke straf van hongersnood. Zwaard en bijl en speer waren reeds bekend en gebleven voor nieuwe doden. Verder naar het oosten gierde de wind klagend over het ommuurde Abila.
2023 Er wapperden geen banieren op de wachttorens van de stad, want de Profeet van Heer Draak verbleef er en hij had geen banier nodig, slechts zijn naam. In Abila huiverden de mensen meer bij het horen van de naam van de Profeet dan voor de wind. Ook elders huiverden mensen voor zijn naam.
2024 Hij hield zijn gezicht strak, maar hij was te woedend om de koude te voelen. Het kostte hem moeite om zijn hand niet naar de bijl in zijn riem te laten afdwalen. Masema hij zou de man nimmer de Profeet noemen, nimmer – was waarschijnlijk een dwaas en overduidelijk gestoord.
2025 Het waren magere kerels in gestolen zijden kleren, baardeloze leerlingen in gescheurde mantels en voormalige rijke kooplieden in de resten van fijne wol. Hun adem kwam dampend en sommigen zonder mantel huiverden, maar in de vuisten van iedere man lag een speer of een kruisboog met aangelegde pijl.
2026 Vijandig of niet, op bevel van Masema zouden ze hem en ieder ander doden. Op bevel van Masema zouden ze hele naties uitmoorden. En terwijl hij hun geur opving, voelde hij een koude die dieper ging dan welke winterwind ook. Hij was meer dan blij dat hij geweigerd had om Faile mee te nemen.
2027 Na de bijeenkomst in het huis was hij opgelucht om de mannen weer te zien die hij bij de rijdieren had achtergelaten. Ze zaten te dobbelen naast de dieren, of deden alsof, op een stukje plaveisel waar de meeste modderige sneeuw was weggeschraapt. Hij vertrouwde Masema voor geen zier.
2028 De mannen besteedden meer aandacht aan het huis en de wachters dan aan hun spel. Bij zijn komst sprongen de drie zwaardhanden overeind en hun ogen zochten naar het gezelschap dat achter hem aankwam. Hun handen hingen niet ver van hun zwaarden. Ze wisten wat hun Aes Sedai daarbinnen gevoeld had.
2029 Zijn gouden ogen stonden kalm. Hij was een slungelige oude man met een breedgerande hoed, grijzend haar tot aan zijn middel en een lange baard die uitwaaierde over zijn borst. Hij had een lang mes aan zijn riem, geen zwaard. Maar hij was een zwaardhand geweest. En eigenlijk was hij dat nog steeds.
2030 Het kon hem niet schelen wat de vraag was. Neald gaf Elyas de teugels van zijn muiskleurige ruin voor hij met verbeten mond op zijn eigen gevlekte paard klom. Perijn had geen tijd voor de lichtgeraakte Morlander. Rhand had hem hierheen gestuurd om Masema terug te brengen, en Masema zou komen.
2031 Hij moest hem bijwerken. Of eigenlijk laten bijwerken. Als hij de schaar oppakte, zou Faile die afpakken en aan Langwin Dorn geven. Het leek nog steeds onmogelijk dat die breedgeschouderde logge man met zijn verweerde gezicht en grote vuisten de vaardigheid van een kamerdienaar had.
2032 Licht! Een kamerdienaar. Hij kon aardig overweg met Faile en haar vreemde Saldeaanse manieren, maar hoe beter het hem afging, hoe meer zij erin slaagde alles naar haar hand te zetten. Dat deden vrouwen natuurlijk altijd al, maar soms dacht hij dat hij de ene wervelwind voor de andere had verruild.
2033 Maar hij betwijfelde of het hem lukte zo te schreeuwen. Haar uitschelden was al erg genoeg, als zij het eerst begon. Het was trouwens dwaasheid om daar nu aan te denken. Hij keek naar de anderen, die naar hun paarden liepen zoals hij gereedschap voor een moeilijke klus zou hebben bekeken.
2034 Hij was bang dat Masema ervoor zou zorgen dat deze reis zijn moeilijkste opdracht ooit ging worden en zijn gereedschap zat vol scheurtjes. Seonid Traighan en Masuri Sokawa bleven naast hem staan. Ze hadden hun kap ver naar voren getrokken zodat hun gezichten in de schaduw bleven.
2035 Hij wilde de beweegredenen niet nog eens horen, nu niet en straks niet. En het scheen ook overbodig. Achter de Aes Sedai doemden Edarra en Carelle op. Ze hadden hun donkere omslagdoeken al om het hoofd geslagen. Wat er nu nog op hun rug en borst hing, leek onvoldoende bescherming tegen de kou.
2036 De Wijzen waren het helemaal eens over Masema en dat gold voor alle Wijzen in zijn kamp. Het was een behoorlijk hete soep die iedereen zonder zich te branden mee moest nemen naar Cairhien. Jur Gradi en Aram zaten al te paard en hij kon hun geur temidden van de anderen niet opvangen.
2037 Arams groene ketellappersmantel bolde op en flapperde in de wind terwijl hij de teugels opnam. Zijn zwaard stak boven zijn schouder uit. Arams gezicht weerspiegelde opwinding en Perijns hart zonk. In Masema had Aram een man ontmoet die zijn leven en hart en ziel aan de Herrezen Draak had gegeven.
2038 Op Arams lijstje stond de Herrezen Draak dicht achter Perijn en Faile. Je hebt de jongen geen dienst bewezen, had Elyas Perijn gezegd. Je hebt hem afgeholpen van datgene waar hij in geloofde, en nu is alles wat bij heeft zijn geloof in jou en dat zwaard. Dat is niet genoeg, voor geen enkel mens.
2039 Een hete soep waar vergif in kon zitten, voor sommigen. Misschien bezagen de wachters Perijn in verwondering, maar ze bewogen zich pas toen iemand uit een raam van het huis iets riep. Ze schoven opzij en lieten zoveel ruimte open dat de ruiters achter elkaar weg konden rijden.
2040 Niet zo lang geleden was Abila een grote, welvarende stad geweest, met zijn stenen marktplein en drie verdiepingen hoge gebouwen met leien daken. De stad was nog steeds groot, maar puinhopen gaven aan waar huizen en herbergen waren afgebroken. Er stond geen herberg meer overeind in Abila.
2041 Het ware grauwe mensen in grauwe kleren die meestal angstig naar de straatkant uitweken. Er waren geen kinderen. Ook geen honden; voedsel moest hier een probleem zijn. Overal waadden groepen gewapende mensen door de enkeldiepe modder die de avond tevoren sneeuw geweest was.
2042 Het Licht zij geprezen dat de man ermee ingestemd had om slechts een honderdtal mee te nemen. Het had een uur geduurd voordat Masema daarmee ingestemd had. Op het laatst had zijn verlangen om Rhand zo snel mogelijk te bereiken zonder te hoeven Reizen, het pleit beslecht.
2043 Als ze te paard konden wegrijden, moest dat de wens van Masema zelf zijn. Perijn hoefde niemand te zeggen om bij elkaar te blijven. Er hing een afwachtend gevoel in Abila, en niemand die maar enigszins bij zijn verstand was, wilde in de buurt zijn als daaraan een eind kwam.
2044 Haar schrijver en die van Perijn. Hij wist eigenlijk niet goed wat hij met een schrijver aan moest, maar het mannetje bezat bekwaamheden die verder gingen dan zijn goede handschrift. En dat liet hij merken zodra ze de stad achter zich gelaten hadden en midden tussen lage, beboste heuvels reden.
2045 Iedereen was eraan gewend geraakt dat de kleine man zo geheimzinnig deed. Over de reden waarom hij liever niet wilde dat iemand wist dat hij in elk dorp of stadje nieuws vergaarde, wilde Perijn niet eens nadenken. Hij moest toch weten dat Perijn zijn bevindingen met Faile en Elyas besprak.
2046 Er was niets dat de Seanchanen nu verhinderde zo snel mogelijk door te stoten, hoewel ze dat bij tegenstand even goed deden. Hij zei dat met zoveel woorden en Balwer knikte met een goedkeurend dun glimlachje. De man stelde het op prijs als Perijn de waarde inzag van wat hij te melden had.
2047 Perijn kon zich een tijd herinneren waarin hij even weinig zorgen had als die havik. Vergeleken met nu tenminste. Dat was een hele tijd geleden, ik vermoed dat de Witmantels meer belang hebben bij het ontwijken van de Seanchanen dan bij het lastig vallen van ons, Balwer.
2048 Opnieuw flitste Dumaisbron door zijn gedachten, sterker dan eerst. Even was hij weer terug, rug aan rug met Loial, wanhopig vechtend, er zeker van dat elke ademtocht zijn laatste zou zijn. Voor het eerst op deze dag huiverde hij. Rhand was gelukkig van de Seanchanen op de hoogte.
2049 Daar hoefde hij zich tenminste geen zorgen over te maken. Hij merkte dat Balwer hem aankeek. Hem aankeek zoals een vogel een vreemd insect bekijkt. Hij had gezien dat Perijn huiverde. De kleine man wilde alles weten, maar er waren een paar geheimen die niemand ooit te weten zou komen.
2050 Perijns blikken keerden terug naar de havik, die zelfs voor hem nauwelijks meer zichtbaar was. De vogel deed hem aan Faile denken, zijn vurige haviksvrouw. Zijn geweldige haviksvrouw. Hij bande de Seanchanen, de Witmantels, de veldslagen en zelfs Masema uit zijn gedachten.
2051 Het liep tegen de middag toen hij tussen de bomen afsloeg. Terwijl de paarden zich soms een weg moesten banen door kniediepe sneeuwhopen, legden ze de laatste span naar het kamp af, waar ze de mannen uit Tweewater, de Aiel, de Mayeners en de Geldaners had achtergelaten.
2052 Vijfhonderd pas van de vlakke rotsheuvel waar de Wijzen hun lage tenten hadden neergezet, stonden de Mayeners in hun grijze mantels opgesteld. Alle negenhonderd. Paarden stampten ongeduldig, de rode mantels en de lange rode banieren aan de speren wapperden in de koude wind.
2053 Het was een fraai gezicht voor een parade, maar dit was geen parade. De Vleugelgarde stond in slagorde vanwege de Geldaners en de Geldaners konden zo optrekken naar de heuvel. En de top van de heuvel was omsingeld door mannen uit Tweewater, die hun voetbogen in de hand hadden.
2054 Niemand had nog een boog gespannen, maar iedere man had een pijl aangelegd. Het was waanzin. Perijn dwong Draver met zijn laarzen tot een galop en zo goed en zo kwaad als het ging ploegde de vos zich door de sneeuw, gevolgd door de anderen, tot hij de kop van de Geldaanse slagorde had bereikt.
2055 Daar stonden Berelain, in een met bont afgezette rode mantel, en Gallenne, de eenogige kapiteinheer van haar Vleugelgarde. Annoura, haar Aes Sedai raadsvrouwe, stond kennelijk te ruziën met Alliandres Eerste Kapitein, een verbeten, gedrongen kerel die Gerad Arganda heette.
2056 Toen ze Perijn zagen aankomen, braken ze hun geruzie af en stuurden hun rijdieren naar hem toe. Berelain zat rechtop in het zadel en haar zware haren verwaaiden in de wind. Haar merrie met de slanke benen stond te rillen. Op haar flanken bevroren de vlokken van een woeste galop.
2057 Tot op heden is nog niemand anders van de groep teruggekeerd; wellicht hebben de Aiel gevangenen gemaakt. Ik heb een groep lansiers ter verkenning uitgezonden. We waren ongeveer tien span ten zuidoosten van hier, dus zouden ze tegen de avond met nieuws terug moeten zijn.
2058 Als we met onze hele strijdmacht de achtervolging inzetten, kunnen we ons een veldslag tegen de Aiel op de hals halen. Dat kan ons zwaar treffen, zonder dat we weten of zij degenen zijn die uw vrouwe hebben. Of zonder dat we weten of ze nog in leven is. Dat moeten we eerst weten, heer Perijn.
2059 In zijn hart. Ze moest in leven zijn. Dat moest. Licht, hij had haar met zich mee moeten nemen naar Abila. Het gezicht van Annoura Larisen, omkranst door dunne Taraboonse vlechten, was een en al medeleven. Plotseling voelde hij de pijn in zijn handen die zich om de teugels geklemd hadden.
2060 De man verwachtte Failes lijk te vinden. Ze moest in leven zijn, en dat betekende gevangen, maar beter een gevangene dan... Ze konden niet met elkaar praten zoals ze met de wolven deden, maar Elyas aarzelde, alsof hij Perijns gedachten raadde. Hij bracht er echter niets tegenin.
2061 Hij stuurde zijn ruin stapvoets naar het zuidoosten, zo snel als de sneeuw toeliet. Aram keek Perijn snel aan en volgde Elyas met een duister gezicht. De vroegere ketellapper had het niet op Elyas, maar hij vereerde Faile bijna, al was het maar doordat ze Perijns vrouw was.
2062 Hij wilde meegalopperen. Er leken overal kleine scheurtjes en barstjes in hem te ontstaan. Als ze met het verkeerde nieuws zouden terugkomen, zou hij versplinteren. Tot zijn verrassing draafden de paarden van de drie zwaardhanden in stuifwolken van sneeuw achter Elyas en Aram aan.
2063 Dat geen van de zusters probeerde de baas te spelen, gaf het grote gezag van de Wijzen aan. De handen van Masuri en Seonid bleven rustig op de zadelknoppen liggen en geen van beiden verried enig ongeduld, niet eens door met de ogen te knipperen. Niet iedereen keek de vertrekkende mannen na.
2064 Gallenne keek naar Berelain, wachtend op een teken of hij het zwaard moest trekken dat hij vasthield, maar Berelain hield kalm en onbewogen haar aandacht op Perijn gericht. Gradi en Neald hadden hun hoofd naar hem gewend en wierpen snelle, grimmige blikken in zijn richting.
2065 Met zijn smeekbede om hulp vloeide de pijn naar buiten, een pijn die eerder toe dan afnam. Ze hadden over Jonge Stier gehoord en leefden mee met het verlies van zijn wijfje, maar bleven uit de huurt van de tweebeners die al het wild verjoegen en de dood betekenden voor iedere eenzame wolf.
2066 Er waren tijden dat Annoura erin berustte dat Berelain achter een getrouwde man aanjoeg, en andere keren scheen het haar te vermaken en hielp ze zelfs door Berelain in staat te stellen met hem alleen te zijn. Op dit moment vervulde zowel de Eerste van Mayene als de Aes Sedai hem met afkeer.
2067 Ze trokken zich niet terug en drongen ook niet op zoals hij verwacht had. Daar was hij dankbaar voor. Bijna de hele heuveltop rook naar behoedzaamheid. De sneeuw boven op de heuvel was platgetrapt tot een begaanbare ruimte; slechts hier en daar lagen wat bevroren sneeuwhopen.
2068 Gaul en de Speervrouwen waren misschien de enige aanwijzing dat de Aiel op het punt van een strijd hadden gestaan. Ze zaten gehurkt, met om het hoofd een sjoefa en voor het gezicht een zwarte sluier die slechts hun ogen vrijliet; in hun hand hadden ze korte speren en schilden van ossenhuid.
2069 Perijn knikte, ging haastig opzij en liet de Aiel langs, die al begonnen te rennen. Als iemand dat tempo lang kon volhouden, waren zij het wel. Terwijl de Speervrouwen langs hem heen liepen, drukte ieder even een vinger tegen de sluier om vervolgens zijn schouder aan te raken.
2070 Misschien... Chiad en Bain waren bij Faile gebleven. Gaul gaf niets om Bain, maar Chiad was iets anders. De Speervrouwen hadden Gaul beslist geen hoop gegeven dat Chiad de speer zou opgeven om hem te trouwen, zeer zeker niet, maar misschien was dit de reden. Perijn verwenste zichzelf.
2071 Chiad en Bain, en wie nog meer? Zelfs al was hij verblind door zijn angst voor Faile, hij had het moeten vragen. Als hij haar terug wilde krijgen, moest hij zijn angst onderdrukken en zijn ogen gebruiken. Maar je had net zo goed kunnen zeggen dat hij een berg moest verplaatsen.
2072 Ze schepten tegen elkaar op wat ze bij een aanval van de lansiers gedaan zouden hebben. Soms verhief een enkeling zijn stem en vroeg naar Faile en of iemand wist of ze veilig was of dat ze naar haar op zoek gingen, waarna anderen hem met bezorgde blikken op Perijn snel tot zwijgen brachten.
2073 Tenzij iemand hen zou bevelen om op te houden, zouden ze hetzelfde tijdens een veldslag hebben gedaan, zonder een hand op te heffen om te helpen of te hinderen. Alle Wijzen waren met Seonid en Masuri een tent ingegaan, en de flappen waren niet alleen neer maar ook nog vastgebonden.
2074 Waarschijnlijk overlegden ze hoe ze de man konden doden zonder dat hij of Rhand erachter zou komen. Geërgerd sloeg hij met een vuist in zijn handpalm. Hij was Masema zowaar vergeten. De man werd geacht om hem met die erewacht van honderd man voor het vallen van de avond te volgen.
2075 Gradi was vroeger boer geweest, nooit jager of woudloper. Neald vond elke plaats zonder stenen muur een dorp. Ze zouden nog wel een voetafdruk van een boom kunnen onderscheiden, maar als ze een spoor vonden, zou geen van beiden waarschijnlijk kunnen zeggen in welke richting het ging.
2076 Hij trok zijn mes en bukte zich om de banden los te snijden, maar voor hij het lemmet door de smalle spleet tussen de flappen kon drukken, werd eraan gerukt alsof iemand ze aan de binnenkant losmaakte. Hij richtte zich op en wachtte af. De tentflappen gingen open en Nevarin glipte naar buiten.
2077 Haar groene ogen zagen het mes in zijn hand en ze plantte met ratelende armbanden de vuisten in haar zij. Ze was broodmager en had lang, zandkleurig haar dat met een donkere opgevouwen doek was opgebonden. Hoewel ze ruim een hand groter was dan Nynaeve, deed ze hem wel altijd aan haar denken.
2078 Perijn keek ernaar terwijl hij zijn duim over het lemmet van zijn mes liet glijden. Toen stak hij het terug in de schede. Als hij naar binnen zou stormen, zouden ze waarschijnlijk doen waarmee Nevarin gedreigd had. En over wat hij wilde weten, konden ze hem niets vertellen.
2079 Bomen onttrokken delen van het Geldaanse en Mayeense kamp aan het oog, maar Perijn kon zien dat in heide kampen de wagens werden volgeladen. Toch besloot hij zijn mannen op wacht te laten staan. Arganda kon proberen hem zand in de ogen te strooien. Een man die zo rook, kon.
2080 Hij kon hier niets meer doen, dus liep hij de halve span naar zijn tent. De tent die hij deelde met Faile. Hij struikelde constant en ploeterde door hoge sneeuwwallen heen. Hij hield zijn mantel stevig om zich heen, zowel voor de warmte als tegen het klapperen in de wind.
2081 Ze hielden nauwelijks op met werken om hem na te kijken, maar iedere man uit Tweewater verstarde, tot iemand anders hem een por gaf om door te gaan. Perijn was blij dat niemand het medelijden dat hij in hun ogen zag, uitsprak. Hij geloofde dat hij dan zou instorten en zou gaan janken.
2082 Hij kon aan niets anders denken dan aan Faile. Hij wist nauwelijks waar hij heen liep tot hij buiten de kring van wagens was gekomen. Een honderdtal passen voorbij de piketlijnen stak een donkere, stenen richel door de sneeuw. Daar zou hij de sporen van Elyas en de anderen kunnen zien.
2083 Daar kon hij ze zien terugkeren. Lang voor hij de smalle top van de richel bereikt had, zei zijn neus hem dat hij niet alleen was, en ook wie daarboven was. De ander lette niet op, al bereikte Perijn knersend de top. De man sprong op van de plek waar hij op zijn hurken had gezeten.
2084 Hij was een lange man, die heel wat in zijn leven te verduren had gekregen, en gewoonlijk was hij behoorlijk zeker van zichzelf. Misschien verwachtte hij een boze woordenstroom omdat hij niet bij Faile was geweest, hoewel ze niet alleen hem maar iedereen als lijfwacht geweigerd had.
2085 Tallanvor was verliefd op Maighdin en zou heel spoedig met haar trouwen, als Failes vermoeden tenminste juist was. De man had het recht om op de uitkijk te staan. Samen stonden ze op de rotsrichel terwijl de schemering viel, en in het besneeuwde woud voor hen bewoog niets.
2086 De duisternis kwam, zonder bewegingen, zonder Masema, maar Perijn dacht niet eens aan Masema. De maansikkel scheen wit op de sneeuw en leek bijna net zoveel licht te geven als een volle maan. Tot de wolken haar verborgen en haar schaduwen over de sneeuw joegen, die dikker en dikker werd.
2087 Windvlagen staken op en gingen liggen, staken op en gingen liggen. Nog maar enkele van de spaarzame bomen droegen bladeren en die waren dood en bruin. De windvlagen wervelden ongehinderd door het bos, maar hoe licht ook, ze voerden ijs met zich mee. Perijn kwam in haar gedachten amper voor.
2088 Zelfs als die heks van een Berelain de enige was die het hem kon vertellen. Ze hoopte dat Berelain aan de hinderlaag was ontkomen en Perijn inmiddels alles had verteld. Waarna ze in een kuil kon vallen en haar nek breken. Maar nu had ze dringender zorgen dan haar echtgenoot.
2089 Ze had deze winter herfstig genoemd, maar ook in een Saldeaanse herfst vroren mensen dood en ze bezat van haar kleding alleen nog haar donkere wollen kousen. Een ervan hield haar ellebogen strak op de rug gebonden, terwijl de tweede als een riem om haar nek was gebonden.
2090 De Shaidokolonne van gemaskerde mannen en Speervrouwen liep trager wanneer de sneeuw tot de knieën reikte, maar ging meteen weer in een gestage draf over als die niet hoger kwam dan de enkels. Ze leken niet moe te worden. Paarden hadden over die afstand niet sneller kunnen zijn.
2091 Ze hielden de streek waar ze doorheen trokken waakzaam in het oog en trokken als stille spoken verder. Het enige geluid was het zachte geknisper van de sneeuw onder hun zachte, tot de knie reikende laarzen. Hun groengrijze en bruine kleren staken echter scherp tegen het witte landschap af.
2092 Ze probeerde alles te zien, alles te onthouden wat later van nut zou kunnen zijn, wanneer het tijd was om te ontsnappen. Ze hoopte dat haar medegevangenen hetzelfde deden. Perijn zou zeker naar haar op zoek gaan, maar de gedachte aan redding kwam niet eens in haar overwegingen voor.
2093 Als je op redding wachtte, kon je eeuwig blijven wachten. Bovendien moesten ze zo snel mogelijk ontsnappen, voor hun Shaido zich bij de anderen voegden. Ze wist nog niet hoe, maar de kans moest komen. Het enige beetje geluk was dat de Shaidohoofdmacht zich op enkele dagen afstand moest bevinden.
2094 Door de ijzige schok snakte ze naar adem en ze kreeg het opnieuw benauwd toen de grote, hoog boven haar oprijzende krijger die haar riem vasthield, haar weer overeind trok. Rolan was net zo breed als Perijn en bijna een hoofd groter en hij trok haar gewoon aan een handvol haren omhoog.
2095 Rolan en de anderen voor hem trapten een soort pad voor haar plat, maar er bleven nog genoeg scherpgerande sneeuwrichels over, waardoor er steeds meer bloedspatten in haar voetafdrukken te zien waren. De kou zelf was nog erger. Ze had al eerder bevroren lichaamsdelen gezien.
2096 Al struikelend bewoog ze alle voetspieren als ze haar voet naar voren zette en voortdurend bewoog ze haar vingers. Vingers en tenen liepen het meeste gevaar, maar dat gold ook voor elk stukje onbedekte huid. Wat haar gezicht en lichaam betrof, kon ze slechts hoop koesteren.
2097 Dat was het enige waar ze aan dacht en voor andere gedachten was geen ruimte. Ze moest met haar trillende benen in beweging blijven en ervoor zorgen dat haar handen en voeten niet bevroren. In beweging blijven. Onverwachts botste ze tegen Rolan aan en ze trok zich hijgend van zijn brede borst terug.
2098 Ze voelde verontwaardiging toen hij haar wat heen en weer schoof om de gemakkelijkste draaghouding te vinden, maar ze onderdrukte dat gevoel even snel als het opkwam. Dit was er niet de plek of de tijd voor. Haar voeten bevonden zich niet meer in de sneeuw en dat was het enige dat telde.
2099 Moeizaam richtte ze haar hoofd op om naar haar metgezellen te kijken en ze zag opgelucht dat ze er nog allemaal waren. Naakt en gevangen, dat wel, maar ze waren er allemaal. Niemand anders droeg een riem om de hals, maar bij de meesten waren de armen op de rug vastgebonden.
2100 Stevig voor een Aiel betekende dat hij nergens zou opvallen, maar zijn schouders waren bijna even breed als die van Rolan. Het donkere haar op Alliandres rug werd door de wind rondgeblazen en uitputting tekende haar gezicht. Achter haar leek Maighdin er even slecht aan toe.
2101 Bain en Chiad zouden wellicht bij een ontsnapping kunnen helpen – Faile wist niet zeker in hoeverre het gebruik dit verbood – maar zelf zouden ze niet proberen weg te komen. De laatste gevangenen, Lacile en Arrela, trachtten in een armzalige poging de Speervrouwen na te doen.
2102 Een grote Aiel had de kleine Lacile gewoon onder de arm genomen om haar voeten te bekijken; koudvuur tekende vuurrode vlekken op haar bleke wangen. Arrela was lang, maar de twee Speervrouwen die voor haar zorgden, waren nog langer dan Faile en ze pakten de Cairhienin met gemak aan.
2103 Faile hoopte dat ze nu geen moeilijkheden ging veroorzaken. Ieder lid van Cha Faile probeerde net zo te zijn als de Aiel en te leven zoals zij meenden dat Aiel leefden, maar Arrela wilde echt een Speervrouwe zijn en was heel giftig dat Sulin en de anderen haar de handtaai niet wilden bijbrengen.
2104 Niet voldoende om alle woorden die de Speervrouwen uitwisselden te herkennen, maar enkele. Maar goed dat Arrela het niet begreep. Ze vonden dat ze natlandse zachte voeten had en dat zij over het geheel te veel vertroeteld en zacht was, woorden die Arrela zeker razend zouden maken.
2105 Deze deed net of ze wankelde, maar gebruikte haar vrije hand om een mededeling te gebaren, waardoor de andere Speervrouwe blaffend achter haar sluier lachte. Na een blik op Bain en Chiad, die al heel gedwee over de schouders van twee Aielmannen lagen, ontspande Arrela zich.
2106 Hun navolging van de Aiel had duidelijk voordelen. Alliandre en Maighdin, de laatste vrouwen die volgens Faile moeilijkheden zouden veroorzaken, waren echter een volkomen andere zaak. Toen ze beseften wat er ging gebeuren, vochten ze als wilden. Het vechten stelde niet veel voor.
2107 De twee naakte vrouwen hadden hun ellebogen strak op de rug gebonden en waren uitgeput, maar ze kronkelden, schreeuwden en schopten naar iedereen die in de buurt kwam. Maighdin zette zelfs haar tanden in de hand van een onoplettende Aiel en hield die als een jachthond vast.
2108 Ze klemde haar tanden op elkaar en mompelde iets binnensmonds, waardoor ze nog een klap kreeg! De man had haar messen in zijn riem gestoken. Als ze er één in handen kon krijgen...! Nee, wat doorstaan kon worden, moest worden doorstaan. Ze was van plan te ontsnappen, niet om iets zinloos te doen.
2109 Een paar forse kerels wrikten haar kaak open. Tot Failes verrassing schudde de gebeten kerel lachend het bloed van zijn hand! Waarmee Maighdin echter niet aan haar boetedoening ontkwam. In een oogwenk lag Failes dienstmeid met haar gezicht in de sneeuw, naast de koningin.
2110 Aanvankelijk bleven de twee vrouwen zich hevig verzetten, maar hun gevecht was nog nuttelozer dan toen ze nog stonden. Alliandre bleef maar gillen dat ze haar dit niet mochten aandoen. Voor een koningin heel begrijpelijk, al waren het in deze omstandigheden dwaze woorden.
2111 In elk geval hadden hun woorden geen enkel nut. De afranseling ging door tot beiden zwijgend schopten en huilden en toen nog wat langer om het ze af te leren. Toen ze eindelijk net als de andere gevangenen over de schouder werden gehesen, hingen ze huilend stil en was elke strijd opgegeven.
2112 Misschien was de verloren tijd amper de moeite waard, maar het kon het verschil betekenen tussen leven en dood. Bovendien zou zelfs de Aielse waakzaamheid ooit een keer verslappen als ze eenmaal onderdak hadden gevonden en een vuur hadden aangelegd. En ze konden uitrusten terwijl ze gedragen werden.
2113 Met de gevangenen op de schouders zetten de Shaido weer hun spannen verslindende pas in. Ze leken zich nu nog sneller door het bos te verplaatsen. De harde leren boogschede slingerde tegen Failes zij en ze voelde zich duizelig worden. Rolans lange gestrekte pas bezorgde haar schok op schok.
2114 Als ze er goed over nadacht, waren enig oponthoud en enkele striemen een lage prijs die betaald moest worden om een stuk uit deze lomperd te bijten, die haar behandelde als een zak graan. Maar geen stuk uit zijn hand. Uit zijn keel was veel beter. Stoere gedachten, en volkomen zinloos.
2115 Dwaas. Ook nu ze gedragen werd, moest ze tegen de kou vechten. In feite was dit dragen veel erger. Als ze liep, moest ze zich tenminste nog inspannen om overeind en wakker te blijven, maar nu de avond viel en het steeds donkerder werd, werd de zwaaiende beweging op Rolans schouder slaapverwekkend.
2116 Regelmatig bewoog ze haar handen en geboeide armen, strekte haar benen en ontspande de spieren. Het spannen en ontspannen van de spieren zorgden ervoor dat het bloed bleef stromen. Ze dacht aan Perijn en bedacht wat hij met Masema diende te doen en hoe ze hem kon overtuigen als hij tegenstribbelde.
2117 Heerlijk! Nadenkend over dat laatste vergat ze haar spieren te bewegen, dus probeerde ze alleen maar te denken aan de ruzies en aan haar plannen. De kou maakte haar denken echter traag. Ze begon verbanden kwijt te raken, moest stevig haar hoofd schudden en dan weer opnieuw beginnen.
2118 Zelfs de klappen op haar blote billen hielpen, al vond ze het afschuwelijk dit toe te geven, maar elke klap liet haar opschrikken, waardoor ze wakker bleef. Na een poosje begon ze nog meer te kronkelen en bewoog toen zo heftig dat ze bijna viel, verlangend naar de harde klappen.
2119 Alle Licht ter wereld, waarom wil ik zoiets, dacht ze dof, en in een grijs hoekje van haar geest besefte ze dat ze de strijd aan het verliezen was. De nacht leek zelfs donkerder dan die hoorde te zijn. Ze kon het maanlicht op de zacht glanzende sneeuw niet eens meer onderscheiden.
2120 Ze voelde hoe ze wegzakte, steeds dieper weggleed naar een nog donkerder zwart. Zachtjes huilend raakte ze bewusteloos. Dromen kwamen. Ze zat op Perijns schoot, met zijn armen zo strak om haar heen dat ze amper kon bewegen. Voor hen laaide een vuur hoog op in een brede stenen haard.
2121 Ze hapte naar lucht die zo koud was dat scherven haar keel leken open te kerven. Om haar heen flonkerden ijspegels aan dikke takken en een ijskoude wind gierde door het kale woud. Perijn was heel kwaad en ze moest weg van hem! Ze kon zich de bijzonderheden van de ruzie niet meer herinneren.
2122 Ze konden het nog steeds weer goedmaken. En ze zou hem die vernedering natuurlijk betaald zetten. Ze had trouwens een paar keer zijn bloed laten vloeien door een goed gemikte schaal of kan, al had ze dat eigenlijk niet gewild en ze wist dat hij haar nooit echt pijn zou doen.
2123 Het monsterachtige houtvuur reikte tot hoog boven haar. Een hoge stapel dikke blokken vormde een laaiend vuur. Ze was naakt. En koud. Zo koud. Hoe dicht ze ook naar het vuur kroop, haar botten leken wel bevroren, terwijl haar vlees door een schok in stukken uiteen kon vallen.
2124 Licht, het was heet, te heet. Maar ze was nog steeds koud van binnen. Nog dichterbij. Ze begon te krijsen vanwege de brandplekken en de vlijmende pijn, maar van binnen bleef ze een en al ijs. Nog dichterbij. Nog dichterbij. Ze zou hier sterven. Ze gilde, maar er was niets dan stilte en kou.
2125 De honger knaagde met botte tanden aan haar maag. Een heel grote, magere man met een wollen doek voor zijn gezicht tegen de kou zette met geweld iets tegen haar mond, de rand van een grote aardewerken kom. Zijn verrassend groene ogen leken op smaragden en werden omringd door slordige littekens.
2126 Hij knielde op een grote, bruine, wollen deken naast haar neer; een tweede deken van grijze strepen was om haar blote lichaam geschikt. De smaak van hete thee met veel honing ontplofte op haar tong en met beide handen greep ze de magere pols van de man voor het geval hij de kom weg wilde halen.
2127 Hij trok zijn pols uit haar zwakke greep, maar alleen om uit een leren waterzak die over zijn schouder hing, de kom weer te vullen met een donkere vloeistof. Uit de kom stegen damp en de geur van thee op. Ze rilde zo hevig dat ze bijna omviel en klemde de dikke deken om haar heen.
2128 Ze dacht echter alleen aan de warmte, niet aan gepaste kleding, hoewel ze van beide zaken weinig bezat. De tanden van de honger werden scherper en ze bleef rillen. Van binnen was ze bevroren en de hitte van de thee was reeds een herinnering. Haar spieren leken gestold vet van een week oud.
2129 Iemand had het bloed van Bains gezicht gewassen, maar in tegenstelling tot de vorige keer waren de twee Speervrouwen even beverig en in zichzelf teruggetrokken als de anderen. Iedereen zag eruit – hoe zei Perijn het ook al weer? – alsof ze van achter naar voren door een kwastgat waren getrokken.
2130 Heel even probeerde ze fronsend een verdwijnende gedachte vast te houden. Natuurlijk! Waar waren de anderen? Een ontsnapping zou gemakkelijker zijn als de anderen waren vertrokken om iets te gaan doen. Er was echter nog iets. Iets neveligs wat ze niet te pakken kon krijgen.
2131 Ongeveer honderd stap verder, amper zichtbaar door de verspreide bomen en vallende sneeuw, trok gestaag een stroom mensen, pakdieren, wagens en karren voorbij. Geen stroom. Een vloed van Aiel die naar elders vertrokken. In plaats van met honderdvijftig Shaido moest ze nu met een hele stam afrekenen.
2132 Razend was een betere omschrijving. Ze had geen zin haar hoofd van de heerlijke kom af te wenden, maar richtte haar ogen toch op de hurkende reus die haar als een zak graan had gedragen en haar genadeloos had geslagen. Vaag herinnerde ze zich die slagen te hebben verwelkomd, maar dat was onmogelijk.
2133 Elk beetje kennis kon helpen bij een ontsnapping. Dus ze hadden hun gevangenen tegen de kou beschermd? Nou, niemand zou het gevaar van bevriezing hebben gelopen als Rolan en de anderen er niet waren geweest. Niettemin was ze hem wellicht iets verschuldigd. Een kleinigheid, alles bij elkaar genomen.
2134 Ze moest nadenken. Goed nadenken! Haar hersens waren het enige wapen dat ze bezat, maar op dit moment hadden ze net zo goed bevroren kaas kunnen zijn. Ze nam een grote slok hete thee en dwong zich te bedenken hoe duizenden Shaido in haar voordeel konden werken. Ze kon echter niets bedenken.
2135 Afgezien van leden van koningshuizen konden maar weinigen zich iets dergelijks veroorloven. Ondanks dit alles werd Failes aandacht vooral getrokken door de twee anderen. Iets maakte haar duidelijk dat het Wijzen waren. Ze straalden te veel gezag uit om iets anders te kunnen zijn.
2136 Ze was zeker een pas lang, bijna even lang als de meeste Aielmannen, terwijl de ander minstens een halve hand groter was dan Perijn! Ze was echter niet fors. Zandkleurige haren stroomden overvloedig omlaag en werden uit haar gezicht gehouden door een brede donkere doek.
2137 Al die zware halskettingen van ivoor en goud moesten aanvoelen als banden van ijs! Toen ze voor de geknielde gevangenen bleven staan, fronste de vrouw met het arendsgezicht afkeurend naar de Shaido die hen gevangen hadden genomen, waarna ze met haar vrije hand gebaarde dat ze weg moesten gaan.
2138 De drie Speervrouwen draaiden zich meteen om en haastten zich naar de voorbijtrekkende Shaido. Net als een van de mannen, maar Rolan en de anderen wisselden eerst enkele nietszeggende blikken uit voor ze de anderen volgden. Misschien betekende het iets, misschien niets.
2139 Faile kromp ineen toen de blik op haar viel en begroef haastig haar gezicht in de kom. Ze had Therava nooit eerder gezien, maar in haar blik herkende ze het soort vrouw dat Therava was. Iemand die elke uitdaging volkomen wilde neerslaan en reeds in een achteloze blik een uitdaging kon zien.
2140 Ontsnappen zou meer dan moeilijk worden als Therava persoonlijk belangstelling voor haar vertoonde. Niettemin hield ze de vrouw vanuit haar ooghoeken in de gaten. Het leek wel of ze naar een bandadder met in de zon glinsterende schubben keek die zich een voet van haar gezicht opgericht hield.
2141 Je hoeft niet tweemaal naar me te kijken, koudbloedige heks. Ze hoopten dat de anderen ook zagen wat voor vrouw deze Aiel was. Alliandre niet. Ze probeerde wankelend op haar gezwollen voeten overeind te komen, waarna ze met een van pijn vertrokken gezicht weer op haar knieën zakte.
2142 Mijn leenvorstin en ik eisen een passend onderkomen tot alles geregeld kan worden, en zo ook voor haar dienstmeid. De anderen mogen met minder toe, zolang hun maar geen kwaad wordt gedaan. Ik zal geen losprijs betalen als u de minste van de dienaren van mijn leenvorstin slecht behandelt.
2143 Ik heb Alliandre eenmaal eerder gezien, jaren geleden, en het meisje uit mijn herinnering kan heel goed deze vrouw zijn. Ze werd tot koningin van Geldan gekroond. Maar wat ze in Amadicia doet, weet ik niet. Zowel de Witmantels als Ailron zouden haar ogenblikkelijk oppakken als ze.
2144 In zekere zin leek het of ze Logain zag of Mazrim Taim. Sevanna had eveneens met bloed en vuur haar naam hoog aan de hemel geschreven. Cairhien zou nog jaren nodig hebben om te herstellen wat zij had verwoest en de rimpelingen hadden zich verspreid over Andor, Tyr en nog verder.
2145 Sevanna maakte haar rondje af en keerde terug naar een plek waar Faile haar duidelijk kon zien. Ze trok de teugels aan en keek naar de Wijzen. Haar volle lippen waren stijf op elkaar geperst. De ijzige wind deed haar mantel rimpelen, maar ze leek het niet te merken, net als de sneeuw op haar hoofd.
2146 Met uitdrukkingsloze maskers keken Therava en Someryn paard en ruiter na tot de sneeuw haar onzichtbaar maakte. Een belangrijk gesprekje, althans voor Faile. Ze herkende wederzijdse haat en spanning die zo strak stond als een harpsnaar. Een zwakheid die uitgebuit kon worden.
2147 Blijkbaar waren niet alle Shaido hier, hoewel het er aan de onophoudelijk voorbijtrekkende stroom te zien meer dan genoeg leken. Toen kwam Galina bij haar en werd al het andere uit haar gedachten verdreven. Galina probeerde haar kalm en beheerst aan te kijken, maar slaagde daar niet goed in.
2148 De in het wit geklede vrouw stapte achteruit en Faile zakte in elkaar, met haar gezicht op de bruine deken, waar ze tegen de ruwe wol lag uit te hijgen. Haar voeten deden geen pijn meer, maar Heling veroorzaakte altijd honger en na het ontbijt van gisteren had ze niets meer gegeten.
2149 Ze had bordenvol met alles wat op voedsel leek kunnen opslokken. Ze voelde zich niet langer moe, maar haar spieren leken nu van water in plaats van pudding. Ze duwde zich op met armen die haar gewicht niet wilden dragen en trok onhandig de grijsgestreepte deken weer om haar heen.
2150 Ze voelde zich verbijsterd, niet alleen door wat ze had gezien voordat Galina haar vastpakte, maar ook door de Heling zelf. Dankbaar liet ze toe dat de man met de littekens een dampende kom thee tegen haar mond zette. Ze wist niet zeker of haar vingers hem hadden kunnen vasthouden.
2151 Haar uitgestrekte armen en benen schoten wild schokkend alle kanten op, terwijl ze zwakjes trachtte zich te beheersen. Galina had nu haar handen om Chiads hoofd gelegd en Chiad veerde met uitgestrekte armen recht overeind, terwijl met een luide zucht alle adem leek te ontsnappen.
2152 En ook nog volkomen bereid om de voeten van Sevanna en Therava te kussen! Een Aes Sedai! Galina stond rechtop achter de ineengezakte Arrela, de laatste in de rij, en hijgde licht na de inspanning om zoveel mensen zo snel te helen. Ze wierp een blik op Therava alsof ze op lof hoopte.
2153 Maar zonder haar een blik te gunnen begaven de twee Wijzen zich naar de stroom Shaido. Ze praatten zachtjes, met hun hoofden dicht bij elkaar. De Aes Sedai trok een lelijk gezicht, hield haar rok op en haastte zich zo snel mogelijk achter hen aan. Ze keek echter een aantal keren om.
2154 Slechts een ervan was een Aiel, een slanke rossige met een smal wit litteken van haargrens tot kaak. Faile herkende een kleine bleke Cairhienin en vermoedde van anderen dat ze Amadicianen of Altaranen waren. Ze waren langer en donkerder en er was zelfs een gebronsde Domani bij.
2155 Het vlees was zo taai als leer, de kaas bijna steenhard en het brood niet veel zachter, maar alles smaakte haar heerlijk! Ze watertandde bijna bij elke hap. Terwijl ze op de kaas kauwde, knoopte ze de laatste laarsveter vast en stond op, waarbij ze haar kleren gladstreek.
2156 Niemand dwong haar op een bepaalde plaats te blijven, dus ploeterde ze vermoeid van voor naar achter door de stoet, vergezeld van Alliandre en Maighdin. Dat ze haar handen in de mouwen gevouwen hield hemoeilijkte het lopen, vooral als ze door dikke sneeuw moest waden, maar ze bleven wel warm.
2157 Hoewel Faile haar dienstmeid slechts kort aankeek, was dat voldoende om Maighdin met een rood hoofd te laten stamelen. Wat was er in die vrouw gevaren? Goed, haar gedrag was misschien niet zoals je van een dienstmeid mocht verwachten, maar ze kon Maighdins felheid bij een ontsnapping niet missen.
2158 Als een van jullie daartoe kans ziet, moet je die kans grijpen. Deze kleren helpen je om je in de sneeuw te verbergen. Als je dan een dorp hebt gevonden, kan het goud dat ze ons zo welwillend hebben verstrekt, ervoor zorgen dat je naar mijn echtgenoot terug kunt keren. Hij zal ons volgen.
2159 Haar gevangenschap had een vlammend vuur in haar hersenen aangestoken! Ze hoorden haar bevelen op te volgen, maar ze liet haar woorden wegsterven voor ze ze had uitgesproken. Uit de grote groep Shaido maakten enkele donkere gestalten zich los die naar hen toe kwamen lopen.
2160 Therava liep voorop. Ze mompelde iets, waarna de anderen inhielden en op afstand bleven terwijl Therava zich bij Faile en de twee anderen voegde. Haar felle ogen leken zelfs Maighdins vurigheid te blussen, al keek ze haar maar eenmaal aan. Voor haar was ze de moeite van een blik nauwelijks waard.
2161 Mogelijk overtuigde die heesheid Therava echter. Mensen zoals zij geloofden sterker in vrees als reden dan elke andere. Ze glimlachte in elk geval, maar het was geen warme glimlach. Haar dunne lippen krulden iets en als er al iets van gevoel merkbaar was, was dat er een van voldoening.
2162 Elke dag zal een Wijze jullie ondervragen en dan herhalen jullie elk woord van Sevanna en noemen jullie de namen van de persoon die ze aanhoorde. Als ze in haar slaap praat, herhalen jullie wat ze mompelt. Doe mij dat genoegen en ik zal ervoor zorgen dat jullie worden achtergelaten.
2163 Dat wist ze wel zeker. Therava zou geen gevaar willen lopen. Ze zouden het wellicht voor de nacht viel al niet overleven. Deze sneeuw kon heel snel drie in het wit geklede lijken verbergen en ze betwijfelde ten zeerste of iemand zou protesteren als Therava hier ter plekke hun kelen opensneed.
2164 Ze zag drie zachte natlanders, te zwak om ongehoorzaam te zijn. Zonder verder een woord te zeggen liet ze Faile los en draaide zich om. Enkele tellen later waren zij en de andere Wijzen in de sneeuw verdwenen. Een tijdlang worstelden de drie vrouwen zich zwijgend verder.
2165 Als ze nu zou toegeven, zou het lijken alsof Therava haar van gedachten had doen veranderen en dat haar angst voor de vrouw dat had veroorzaakt. Faile kende Alliandre en Maighdin goed genoeg om zeker te weten dat ze liever stierven dan toe te geven dat die vrouw hun angst aanjoeg.
2166 Om nog maar niet te denken aan de hoofden waar ze verantwoordelijk voor was. Elke hulp zou welkom zijn, van wie dan ook. De kille wind ging liggen terwijl ze over Galina nadacht, en toen kwam de sneeuw weer, steeds dichter en zwaarder, tot ze maar tien pas voor zich uit kon zien.
2167 Toen Galina zag dat ze was opgemerkt, ploeterde ze mee tussen Faile en Alliandre. Het ging niet soepel en vlot, maar ze leek het lopen in de sneeuw meer gewend te zijn dan de andere drie. Nu lag er echter niets deemoedigs in haar ogen. Haar ronde gezicht stond hard en haar ogen keken scherp rond.
2168 De eerste keer dat je probeert te ontsnappen, geselen ze je voetzolen net zo lang tot je niet meer kunt lopen. Dan binden ze je vast en leggen ze je op een kar tot je weer kunt lopen. De tweede keer is erger en de derde keer nog erger. We hebben hier een kerel die vroeger een Witmantel was.
2169 Er is een jongeman, Perijn Aybara. Je man? Inderdaad, ik heb doel getroffen. Dat zou Alliandres eed zeker verklaren. Sevanna heeft grandioze plannen met een man wiens naam verbonden is met die van jouw man. Rhand Altor. Als zij wist dat jij in haar handen was gevallen..
2170 Ze zaten in drie vallen verstrikt en elk van die drie was dodelijk. Gered worden leek opeens heel aantrekkelijk. Maar Faile was van plan hoe dan ook een uitweg te vinden uit deze benarde situatie. Ze haalde haar hand van haar eigen kraag en vocht zich al plannen makend een weg door de sneeuwstorm.
2171 De vallende sneeuw smolt niet langer meer op zijn verkilde vacht, maar de koude deerde hem niet. De kussentjes onder zijn poten waren gevoelloos, maar zijn poten draafden als een vurige storm en droegen hem verder, sneller en sneller, tot het land voor zijn ogen vervaagde.
2172 Zijn tanden zouden de kelen verscheuren van degenen die haar hadden gegrepen. Zijn kaken zouden hun beenderen vermorzelen! Jouw wijfje is hier niet, bracht Springer over, maar je bent hier te nadrukkelijk aanwezig, en te lang van je lichaam gescheiden. Je moet terug, Jonge Stier, of je zult sterven.
2173 Hij was Jonge Stier. Ooit had hij hier zijn valk gevonden, en hij kon het weer doen. Hij moest haar vinden. Naast die drang betekende de dood niets. Als een grijze flits sprong de andere wolf tegen zijn flank, en hoewel Jonge Stier groter was, viel hij log om omdat hij vermoeid was.
2174 Hij krabbelde in de sneeuw overeind, grauwde en viel uit tiaar Springers keel. Niets deed er meer toe. Alleen de valk. De wolf met de littekens vloog als een vogel de lucht in en Jonge Stier tuimelde omver. Springer kwam op de sneeuw achter hem neer. Luister, welp! bracht Springer heftig over.
2175 Ze is hier niet en je zult hier sterven als je hier nog langer blijft. Zoek haar in de ontwaakte wereld. Alleen daar kun je haar vinden. Ga terug en vind haar! Perijns ogen schoten open. Hij was doodop en hij voelde zich leeg en hol, maar de honger was niets vergeleken met de leegte in zijn borst.
2176 Hij was volkomen leeg en nam afstand van zichzelf, alsof hij een ander was die toekeek hoe Perijn Aybara leed. Boven hem klapperde een tentdak met blauwe en gouden strepen in de wind. Binnen was het halfdonker en er waren vele schaduwen, maar het zonlicht lichtte het heldere tentdoek op.
2177 De lucht was warm maar hij huiverde. Hij lag op een veren matras in een groot bed met massieve bedstijlen vol ingewikkeld verguld snijwerk. Door de geur van houtskool die in de korven brandde, rook hij een muskusachtige reukstof, en de vrouw die die geur droeg. Er was niemand anders.
2178 Een van haar kampstoelen kraakte toen ze ging verzitten. Hij was hier met Faile vaker geweest om plannen te bespreken. De tent was groot genoeg voor een heel gezin en Berelains fraaie meubels zouden in een paleis niet misstaan met hun ingewikkelde snijwerk en verguldsel.
2179 Ze hebben mijn mensen gevonden, dood, in een hinderlaag. Gedood op vijf of zes span afstand. Ik heb heer Gallenne bevolen om het kamp scherp te bewaken. Arganda heeft ook een grote groep ruiters klaarstaan en heeft verkenners weggestuurd. Tegen mijn raad in. De man is een dwaas.
2180 Gaul zou zich niet laten verrassen. Jondien evenmin, zelfs niet door Aiel. Ze zochten nog steeds en dat betekende dat Faile nog leefde. Ze zouden allang zijn teruggekeerd als ze haar lichaam hadden gevonden. Dat moest hij geloven. Hij lichtte een van de blauwe dekens iets op.
2181 Ze... ze leek bang dat je zou sterven, zelfs na haar Heling. Je sliep als een man die al dood was. Ze zei dat je bijna aanvoelde als iemand die zijn ziel verloren had, en koud bleef, hoeveel dekens er ook over je heen werden gegooid. Dat voelde ik ook toen ik je aanraakte.
2182 Het enige licht in de tent kwam van een kaars op een tafeltje naast Berelains stoel, maar voor zijn ogen was het meer dan genoeg, zelfs nu ze prikten van vermoeidheid. Ze was zedig gekleed, in donkergroene rijkleding met een hoge hals waarin haar kin in een rijke laag kant lag genesteld.
2183 De kleren die hij gedragen had, lagen netjes opgevouwen op een weelderig versierde reiskist met goudbeslag. Zijn met bont afgezette mantel lag over de zijkant van de kist en zijn bijl stond naast zijn laarzen, boven op de kleurrijke bloementapijten die als in een huiskamer over elkaar heen lagen.
2184 In haar ergernis nam ze niet eens de moeite een mantel om te slaan. Even zag hij door de opening dat het nog steeds sneeuwde. Niet zo erg als de vorige nacht, maar de witte vlokken kwamen gestaag neer. Zelfs voor Jondien zou het moeilijk zijn om na de afgelopen nacht nog een spoor te vinden.
2185 Vier vuurkorven verwarmden de tent, maar zodra zijn voeten de tapijten raakten, trok de ijzige kou door hem heen en haastte hij zich naar zijn kleren. In feite leek het meer op strompelen, maar hij wankelde niet. Hij was zo moe dat hij zo op de tapijten in slaap had kunnen vallen.
2186 Misschien had de wolfsdroom – het verlaten van zijn lichaam en zijn sterke aanwezigheid in die droom – daar iets mee te maken, en de Heling had alles waarschijnlijk versterkt. Hij had sinds de vorige ochtend niets meer gegeten en na een nacht in de sneeuw had zijn lichaam niets meer om op te teren.
2187 Jondien zou haar vinden. Of Gaul. Levend. De rest deed er niet toe. Hij voelde zich verdoofd. Hij had niet verwacht dat Berelain zelf zou terugkomen, maar een koude vlaag bracht de geur van haar reukwater met zich mee, terwijl hij nog bezig was zijn broek aan te trekken.
2188 Dat nieuws kon heel veel betekenen of helemaal niets. Misschien dacht de man dat hij de Seanchanen ook naar de Drakenheer kon leiden. Hij was er gek genoeg voor. Maar... Faile had die dwazen als verspieders gebruikt? Had ze Abila binnen laten sluipen? En het Licht mocht weten wat nog meer.
2189 Ze had het hem tenminste kunnen vertellen. Of had ze het verzwegen omdat haar dienaren niet de enigen waren die hun neuzen in verboden zaken staken? Dat zou best iets voor haar kunnen zijn. Faile bezat echt een haviksgeest. Ze zou zelfs kunnen denken dat her leuk was om zelf ook te verspieden.
2190 Perijn deed zijn mond dicht en hoopte dat ze niets had opgevangen. Berelain glimlachte; het scheen haar niets te doen. De kamermeid zette het blad op de grootste tafel en spreidde haar blauwe rok met gouden strepen in een diepe kniks voor Berelain en nog een, korter, voor hem.
2191 Van het blad stegen de geuren op van schapenvlees en kruidenwijn, die Perijns maag lieten knorren, maar zelfs met twee gebroken benen zou hij nog niet zijn gebleven. Hij slingerde zijn mantel om zijn schouders en liep met grote stappen de sneeuwbui in terwijl hij zijn handschoenen aantrok.
2192 Dikke wolken verborgen de zon, maar aan het licht te zien was de ochtend al een paar uur oud. Er waren voetpaden in de sneeuw gelopen, maar de witte vlokken die uit de lucht vielen, vormden een steeds dikkere laag op de kale takken en gaven de sparren en dennen een nieuwe mantel.
2193 Ondanks de bomen had men een rechte lijn kunnen trekken door alle rijen kampvuren, en ze waren zelfs bijna even groot als maar menselijk mogelijk was. De voorraadwagens uit Cairhien waren allemaal opgeladen en de paarden ingespannen, en ook die stonden in een rechte lijn.
2194 Nergens was er enig teken te zien van duizenden lieden die zich verzamelden. Nergens ware brede platgetrapte paden in de sneeuw om te volgen. Er waren zelfs helemaal geen voetstappen tussen de drie kampen. Als Annoura bij de Wijzen was, had ze al een hele tijd op de heuvel gezeten.
2195 Hij keek even naar Berelains tent, maar de gedachte om terug te gaan liet zijn nekharen overeind komen. Wat verderop stond nog een andere tent overeind, de kleinere gestreepte tent van Berelains twee dienaressen. Ondanks de sneeuwval zaten Rosene en Nana op kampstoeltjes voor de kleine tent.
2196 Ze hadden gezelschap en dat was wellicht de reden waarom ze niet binnen om een vuurkorf zaten gebogen. Ongetwijfeld stond Berelain erop dat haar dienaressen zich fatsoenlijker gedroegen dan zijzelf. Gewoonlijk leken Berelains dievenvangers samen zelden meer dan drie woorden uit te wisselen.
2197 Binnen gehoorsafstand van Perijn tenminste, maar nu gebaarden ze druk en lachten met Rosene en Nana mee. Ze waren heel gewoon gekleed en zo nietszeggend dat ze bij een botsing op straat niet eens zouden opvallen. Perijn kon nog steeds niet zeggen wie Santes was en wie Gendar.
2198 Een keteltje naast het vuur rook naar stoofpot van schapenvlees. Hij probeerde de geur te negeren, maar zijn maag rommelde toch. De gesprekken stopten toen hij dichterbij kwam. Voor hij bij het vuur was, gluurden Santes en Gendar met volstrekt nietszeggende gezichten van hem naar Berelains tent.
2199 Na heel wat gegiechel en vlugge blikken naar hem, naar elkaar en naar Berelains tent zei Nana dat ze het niet zeker wist, maar ze dacht dat het die kant op was, en ze wuifde vaagjes met een hand naar het zuidwesten. Rosene zei dat haar meesteres had gezegd dat het niet meer dan twee span ver was.
2200 Vermoeid sjouwde hij om de heuvel heen en bedacht wat hij moest doen. De dikke sneeuwlaag waar hij doorheen moest ploeteren toen hij het Mayeense kamp eenmaal verlaten had, maakte zijn slechte stemming er niet beter op, evenmin als de beslissingen die hij meende te moeten nemen.
2201 Weer anderen liepen langs de lijnen van de onbereden dieren en kalmeerden de gehalsterde paarden. De mannen die zich verspreid tussen de bomen op de heuveltop bevonden, zaten gehurkt rond tientallen kleine vuurtjes. Ze waren gekleed om uit te rijden en hielden de teugels van hun paarden vast.
2202 Er was minder orde dan bij de soldaten in de andere kampen, maar ze hadden Trolloks en Aiel bevochten. Iedere man droeg zijn boog op de rug en een volle pijlkoker aan de heup, soms in evenwicht gehouden door een zwaard of een lang mes. Gradi zat wonder boven wonder bij een vuur.
2203 Of er tenminste achter zouden komen waar ze werd vastgehouden. Een tijdlang leek het of dit de laatste goede gedachte was voor vandaag. De Rode Adelaar van Manetheren en zijn eigen wolfskopbanier hingen slap in de vallende sneeuw aan twee stokken die tegen een wagen waren gezet.
2204 De sneeuwbui nam toe en de vlokken vielen op de mantels van de mannen. De paarden hielden de staart tussen de benen tegen de koude. In een paar uur zou de bui opnieuw in een sneeuwstorm overgaan, zo niet eerder. Het was geen weer om de warmte van een kampvuur achter te laten.
2205 Dan kunnen Gradi of Neald ons er door een poort naartoe brengen. Stuur mannen naar Berelain en Arganda. Ik wil dat de Mayeners en Geldaners ook optrekken. Stuur verkenners uit en zeg dat ze niet alleen maar naar Aiel moeten uitkijken. Er zijn ook anderen die ons dood willen hebben.
2206 Terwijl hij op zijn paard wachtte, stapte hij dichter naar het vuur toe. Faile had gezegd dat hij moest leren leven met al dat heer Perijn gedoe, met het buigen en het eerbetoon, en de meeste tijd lukte het hem ook om alles te negeren, maar vandaag werd er weer een druppel gal aan toegevoegd.
2207 Zelf wilde hij iedereen redden, maar als hij moest kiezen, dan wist hij dat hij Faile zou nemen en de rest zou laten schieten. Hij zou alles doen om haar te redden. De geur van paarden hing zwaar in de lucht, maar hij rook iemand anders die geërgerd was en hij keek over zijn schouder.
2208 Ze stapte net genoeg opzij om niet per ongeluk omvergereden te worden door de mannen die door elkaar krioelden om ongeregelde rijen te vormen. Haar knokige hand greep de rand van haar mantel en de andere hield een met koper beslagen knuppel vast die bijna net zo lang was als haar arm.
2209 Maar niet om Lini op te zoeken, dat wist Perijn wel zeker. Niemand gaf Lini bevelen, behalve Faile. Mistroostig keek Perijn toe hoe de verkenners uitreden door de vallende sneeuw, tien mannen die de omringende bomen al bespiedden voor ze uit het zicht van de wagens waren.
2210 Hij had gedacht dat hij alleen met Rosene en Nana te maken had. Waarschijnlijk had Lini het aan Breane Taborwin, Failes andere kamerdienares, verteld zodra ze vanochtend terug was gekomen, en inmiddels zou Breane het wel aan iedere vrouw in het kampement verteld hebben.
2211 Er zaten genoeg vrouwen bij de paardenknechten en wagenrijders, en als echte Cairhienin zouden die maar al te graag alles ook aan de mannen overbrengen. Dat soort zaken werd in Tweewater niet bepaald vriendelijk opgenomen. Als je die naam kreeg, was het niet gemakkelijk om er weer vanaf te komen.
2212 Plotseling zag hij het ontwijken van de mannen in een nieuw licht, evenals de manier waarop ze hem onzeker hadden aangekeken en de spuwende Lem. In zijn herinnering werd Kennes glimlach een grijns. Het enige lichtpuntje was dat Faile het niet zou geloven. Natuurlijk niet.
2213 Hij zei tegen zichzelf dat het was omdat hij moe en hongerig was, dat hij alleen maar rust en iets in zijn maag wilde hebben. Dat maakte hij zichzelf wijs, maar hij bleef verbrande boerderijen zien en opgehangen lijken aan de kant van de weg, mannen en vrouwen en zelfs kinderen.
2214 Zelfs als Rhand nog in Altara was, werd het een lange reis. Een lange reis, en hij had geen keus. Geen keus die hijzelf kon maken. Hij stond met zijn voorhoofd tegen Stappers zadel geleund toen een groep jonge dwazen die zich aan Faile gehecht hadden, naar hem toe kwam lopen.
2215 Hij richtte zich vermoeid op. Van hem mocht de sneeuw hen allemaal begraven. Selande Darengil plantte zich naast Stappers achterhand. Ze was een kleine, slanke vrouw die haar in groene handschoenen gestoken handen in de zij zette en een boze rimpel op haar voorhoofd toonde.
2216 Alle vrouwen droegen mannenkleren en zwaarden, en waren gewoonlijk tweemaal zo snel bereid om die te gebruiken als de mannen, en dat betekende heel wat. De mannen en vrouwen waren lichtgeraakt en zouden elke dag tweegevechten houden als Faile er geen einde aan had gemaakt.
2217 En daardoor was zijn dochter van behoorlijk hogere stand dan Selande, die slechts een lagere Cairhiense edelvrouwe was. Maar Medore slikte heftig en haar ogen werden groot, alsof ze verwachtte levend gevild te worden. Ineens had Perijn genoeg van deze dwazen en hun verwrongen plannen.
2218 Als verontschuldiging was het niet veel, en zo aanvaardden ze het ook. Een grom van Selande was naast hun boze blikken het enige antwoord dat hij kreeg, waarna ze wegstampten. Her was niet anders, zolang ze hun woord maar hielden. Het hele stel had tezamen nog geen dag eerlijk werk verricht.
2219 De wagens trokken zuidwaarts, glijdend op hun sleden achter de trekpaarden. De paarden lieten diepe sporen na, maar de sleden maakten ondiepe sleuven die de vallende sneeuw onmiddellijk opvulde. De laatste mannen op de heuvel haastten zich in het zadel en voegden zich bij de wagens.
2220 Tien gesluierde Aiel kwamen in een drafje door de sneeuwbui naar hen toe. Een ervan voerde een groot wit paard mee. Achter hen reden drie mannen gehuld in een mantel met kap. Er was iets merkwaardigs aan de manier waarop de Aiel bewogen. En op het zadel van het witte paard was een bundel gebonden.
2221 Hun paarden zagen er even vermoeid uit als hij zichzelf voelde, bijna volledig uitgeput. Hij wilde Stapper tot galop dwingen om te horen wat ze te melden hadden. Hij vreesde hun nieuws. De raven zouden bij de lichamen gewreest zijn, vossen, misschien dassen en het Licht mocht weten wat nog meer.
2222 Hij probeerde die gedachte vast te houden, maar het deed pijn, alsof hij met blote handen een scherp lemmet vasthield. Hij steeg af, struikelde en moest zich aan het zadel vasthouden om niet om te vallen. Hij voelde zich verdoofd rondom de pijn van het vasthouden aan die ene gedachte.
2223 Het was niet één bundel op het fraai versierde zadel, maar een stel kleinere bundels die eruitzagen als bijeen geraapte vodden. De Speervrouwen droegen grove sneeuwlopers gemaakt van wijnranken en veerkrachtige pijnboomtakken met naalden. Dat was de reden waarom ze zo vreemd liepen.
2224 Jondien moest hun hebben geleerd hoe ze die moesten maken. Hij probeerde zijn aandacht erbij te houden en dacht dat het gebons van zijn hart zijn ribben zou verbrijzelen. Sulin bracht haar speren en gesp over naar haar linkerhand en greep een van de bundels van het zadel voor ze naar hem toekwam.
2225 De overige Speervrouwen verzamelden zich om hem heen. Het waren bijna allemaal oudere vrouwen met harde gezichten, hoewel niet zo hard als dat van Sulin. De zwaardhanden stegen af – er was niet te zien dat ze de hele nacht in het zadel gezeten hadden – en bleven achter de Speervrouwen staan.
2226 Hij en Jondien Barran vonden sporen op de bomen waarvan ze zeiden dat die door wagens waren veroorzaakt. Een heleboel wagens. Als er kinderen zijn... Ik denk dat het een hele sibbe kan zijn, Perijn Aybara. Misschien meer dan één. Zelfs een sibbe heeft minstens duizend speren, en meer indien nodig.
2227 Hij slingerde zich in Stappers zadel en keerde om naar de krijgsmacht. De zwaardhanden liepen en hielden hun vermoeide paarden aan de teugel. De Speervrouwen namen Alliandres ruin mee en liepen naar de Wijzen. Masuri en Seonid reden naar voren om zich bij hun zwaardhanden te voegen.
2228 Hij vroeg zich af waarom ze er niet allemaal nieuwsgierig bij waren komen staan. Misschien was de reden wel heel eenvoudig, zoals dat ze hem met zijn verdriet alleen wilden laten als het nieuws slecht was geweest. Misschien. In zijn hoofd probeerde hij alles in elkaar te passen.
2229 Het leger te paard, Witmantels of Seanchanen. Het was als een puzzel die baas Lohan hem had leren maken: ingewikkelde stukjes metaal die uit elkaar gleden zonder hapering weer in elkaar zetten. Maar zijn hoofd voelde warrig elke keer dat hij stukjes wilde grijpen die niet in elkaar wilden passen.
2230 Neald knikte en keerde zijn ruin naar het kamp, waar hij zich de omgeving al had ingeprent. De meeste bevelen waren al gegeven. Er moesten ruiters uitgestuurd worden om de Mayeners en Geldaners te vinden, die gescheiden van elkaar zouden optrekken en elk hun eigen kamp zouden opslaan.
2231 De helft van de mannen droeg een lans, niet weggestoken maar onder de arm, klaar voor gebruik. Ze kwamen stapvoets naar voren. Sommigen droegen een wapenrusting, zoals een borstkuras of een helm, maar zelden allebei. Niettemin waren ze beter gewapend dan de andere volgelingen van Masema.
2232 Het gezicht van de man staarde als een dolle bergkat in een grot uit de kap van zijn mantel. Hoeveel van die lansen hadden gisterochtend een rode banier gehad? Toen hij niet meer dan enkele passen van Perijn af was, hief Masema zijn hand en liet zijn mannen halt houden.
2233 Deze man wist zowel Masema als de mannen uit Tweewater strak in de gaten te houden. Zijn donkere ogen brandden bijna even fel als die van Masema. Perijn dacht erover hun te vertellen dat een Tweewaterse voetboog op deze afstand dwars door een borstkuras en door de rug kon boren.
2234 Niettemin liep hun aantal in de duizenden. En ze hadden legers tegengehouden, wellicht zelfs Aiel. Een stukje van de puzzel in zijn geest verschoof. Hij viel bijna om van vermoeidheid en kon niet precies uitmaken hoe dat was gebeurd, alleen maar dat het was gebeurd. Hoe dan ook, ze gingen niet mee.
2235 De Gouden Lelie op de borst van haar vuurrode, met bont afgezette mantel was voor de burgers voldoende om haar te herkennen, maar ze hield haar kap achter op haar hoofd, zodat die haar gezicht omlijstte en de ene gouden roos op het erfdochterkroontje goed zichtbaar was.
2236 Hier reed niet Elayne, Hoge Troon van Huis Trakand, maar Elayne de erfdochter. Iedereen diende het te zien en te weten. De koepels van het nieuwe stadsdeel glinsterden wit en goud in het bleke ochtendlicht en ijspegels glinsterden aan de kale boomtakken in het midden van de hoofdstraten.
2237 Enkele venters en straatverkopers trotseerden de kou om luidkeels hun waren aan te prijzen, maar de meeste mensen haastten zich om alles snel af te handelen en zo vlug mogelijk weer naar binnen te kunnen. Maar dat je haast had, betekende nog niet dat je ook snel kon lopen.
2238 De stad puilde uit doordat het aantal inwoners nu groter was dan dat van Tar Valon. In deze drukte konden zelfs de enkelingen te paard nauwelijks sneller vooruitkomen dan iemand te voet. De hele ochtend had ze maar twee of drie rijtuigen gezien die zich door de straat bewogen.
2239 Andoranen spraken zich gewoonlijk duidelijk uit en de bewoners van Caemlin zelfs overduidelijk. Opstanden waren begonnen of koninginnen hadden hun troon verloren, omdat de stadsbewoners luidkeels hun ongenoegen op straat hadden geuit. Een ijzige gedachte deed Elayne huiveren.
2240 Ik zal hun lof verdienen. Vandaag deden de overvolle straten echter eenzaam aan tussen het verspreide gejuich. Ze had graag Aviendha als gezelschap gehad, maar Aviendha vond een ritje door de stad onvoldoende reden om op een paard te klimmen. Elayne kon haar gelukkig wel voelen.
2241 De meeste mensen op straat zouden zo op het eerste gezicht geen zuster herkennen, maar haar zwaardhand, Ned Yarman, reed vlak achter haar en hij trok alle aandacht. De lange, breedgeschouderde jongeman had lichtblauwe ogen en korenblond krullend haar tot op de schouders.
2242 Terwijl de groep zich een weg baande door de menigte, trokken de anderen rond Elayne ook veel aandacht. Acht vrouwen in de rode jassen en met de glimmende helmen en kurassen van de koninginnegarde waren zeker geen alledaags gezicht. Eigenlijk vormden ze iets volkomen nieuws.
2243 Juist om die reden had ze die vrouwen zelf uit de nieuwe rekruten gekozen. Hun gardesergeant, Caseille Raskovni, mager en even taai als een Speervrouwe, was een zeldzaamheid. Ze was de vrouwelijke wachter van een koopman geweest en had, zoals zij het stelde, bijna twintig jaar in het vak gezeten.
2244 Er was een kans dat die tien zusters zich onder de toeschouwers bevonden. Na haar aankomst in Caemlin waren er inmiddels twee vertrokken en drie bijgekomen. Dat gaf niet de indruk dat het een groep met een opdracht was. Geen van hen was van de Rode Ajah en Elaida zou zeker Roden mee hebben gestuurd.
2245 In het paleis ving Elayne af en toe een vreemde blik op van een zuster. Ze dachten ongetwijfeld aan de manier waarop zij tot zuster was verheven, maar leken haar desondanks wel als volwaardige Aes Sedai te aanvaarden, die, met uitzondering van Nynaeve, van hogere rang was dan de anderen.
2246 Halwin Norrij gaf haar stapels papieren met cijfers en feiten, en ook al maakte de eentonige stem van de hoofdklerk haar slaperig, ze wilde alles met eigen ogen zien. Norrij kon een rel even levenloos beschrijven als een verslag over de stadskelders of de kosten van het reinigen van de riolering.
2247 Overal zag ze vreemdelingen in de menigte. Kandori met snorren en gevorkte baarden, Illianers met baarden zonder snor. Arafellers met zilveren belletjes in hun vlechten. Bruin gebronsde Domani, olijfkleurige Altaranen en donkere Tyreners. De Cairhienin vielen op door hun lengte en bleke huid.
2248 Er waren te veel van deze stakkers in de stad. Elke dag verstrekte het paleis voedsel aan duizenden mensen uit keukens die overal in de stad waren opgezet, maar velen wilden niet eens komen om hun brood en soep op te halen. Elayne wenste hun de genade van het Licht en stopte de munt weer terug.
2249 Sommige andere vreemdelingen die ook in Caemlin beland waren, waren mannen en vrouwen die nu geen vodden meer droegen of uitgehongerd leken. De reden waarom ze destijds op de vlucht waren gegaan, deed er niet meer toe; ze hadden nu besloten dat ze ver genoeg hadden getrokken.
2250 Ze begonnen na te denken over een ambacht en aan hun bezittingen die ze hadden achtergelaten. In Caemlin kon iemand met vakkennis en inzet bijna altijd wel een geldschieter vinden. Er werden tegenwoordig nieuwe ambachten in de stad uitgeoefend. Vanochtend had ze al drie klokkenwinkels ontdekt.
2251 Vanaf nu zou Caemlin, in tegenstelling tot vroeger, zowel glas als kristal uitvoeren. De stad telde verder kantklossers die kant maakten dat net zo mooi was als dat uit Lugard, en dat was geen wonder, want ze kwamen bijna allemaal uit die stad. Het verbeterde haar stemming enigszins.
2252 Tenzij ze Andor erdoor zou verliezen, wat Dyelin vreesde. Als ze niet wilde dat vreemden in de garde de overhand kregen, moest ze voldoende mannen zien te vinden. Plus het geld om ze te betalen. Opeens voelde ze Birgitte heel duidelijk. Ze kwam eraan en was boos. Dat was ze de laatste tijd vaak.
2253 De binding zou haar rechtstreeks naar Elayne leiden. Ze sloegen de Naaldstraat in, die naar het zuiden leidde. Het was een behoorlijk brede straat, al was hij even bochtig als een rivier, en hij liep heuvel op, heuvel af. Vele geslachten geleden hadden er alleen spelden en naaldenmakers gewoond.
2254 Lang voor ze de Binnenstad hadden bereikt, kwam Birgitte hen in de Peermanslaan tegen, waar zich sinds de dagen van Ishara fruitwinkels bevonden en waar een handvol fruitkooplieden nog steeds hun winkel openhielden, al lag er deze tijd van het jaar weinig in de winkels.
2255 Ze hield haar ruige grijze rijdier pas in toen ze de stoet zag. Ze leek haar haast goed te willen maken en gunde zich enkele tellen om de vrouwelijke gardisten op te nemen en Caseilles garde groet te beantwoorden voor ze haar rijdier wendde om naast Elayne mee te stappen.
2256 Aviendha had gezegd dat ze gevolgd werden, maar zij had zeker geweten dat het een nachtelijke wandelaar was geweest. Het was trouwens niet eens zo gegaan. Niet zo. Birgittes woeste blik beloofde een later gesprek. Ze weigerde te begrijpen dat een zwaardhand haar Aes Sedai nooit afviel.
2257 Bloedvuur, als we het hele garnizoen mee hadden laten gaan, had dat in het oosten van Andor vele ogen getrokken en de overvallers zouden dan voor de zekerheid nog meer wapenknechten hebben meegenomen. En dan zouden ze bovendien ook nog Aringil in handen hebben gekregen.
2258 Ze was mager en haar vlechten met kralen hingen uit haar mantelkap. Haar dienstmeid, een onaanzienlijke vrouw met haar armen vol pakjes, deed haar meesteres onhandig na. De twee brede lijfwachten vlak achter de twee vrouwen droegen met koper beslagen vechtstokken en bleven waakzaam rechtop staan.
2259 Terwijl ze verder reden, neeg Elayne het hoofd om de hoffelijkheid van de Taraboonse te beantwoorden. Tot dusver had ze nog van geen enkele Andoraan iets dergelijks gezien. Het knappe gezicht achter de dunne sluier van de vrouw toonde iemand van oudere leeftijd. Ze was dus geen Aes Sedai.
2260 Naean zal zich niet gemakkelijk gewonnen geven, maar haar Huis bespreekt al wie tot haar terugkomst als Hoogzetel zal optreden, dus zal ze lang aarzelen en zal Elenia met marteling dreigen en dat wellicht ook echt doen. Uiteindelijk zal Naean Arawn zich achter Sarand scharen en dus Elenia steunen.
2261 In plaats daarvan dacht ze aan de Aes Sedai in Caemlin en aan de verspieders in het paleis. Aan de onbekenden die Elenia en Naean in handen hadden en aan de vraag hoe snel Birgitte nieuwe gardisten kon werven. Aan de overweging of het tijd werd het paleiszilver en haar andere juwelen te verkopen.
2262 Een koningin mocht geen angst tonen. Het koninklijk paleis was een krijtwitte verzameling van fraai bewerkte balkons en galerijen met zuilen op de top van de hoogste heuvel van de Binnenstad, tevens de hoogste heuvel van Caemlin. De slanke spitsen en vergulde koepels rezen hoog op in de middaghemel.
2263 Aan de voorzijde, aan de kant van het Koninginneplein, bevonden zich de grootse poorten. Hier hadden zich in het verleden enorme menigten verzameld om de toespraken van de koninginnen aan te horen of om luidkeels hun steun voor de vorstinnen van Andor uit te schreeuwen.
2264 Elayne kwam aan de achterkant binnen. De ijzeren hoeven van Vuurhart kletterden op de stenen toen ze de hoofdstal binnenstapte. Het was een brede, uitstekende vleugel met aan beide zijden rijen hoge stalboogdeuren met daarboven een lang witstenen balkon, eenvoudig en sterk.
2265 Bij de buitenmuur stegen nog dertig gardisten op, klaar om in paren een rondgang door de Binnenstad te maken. Normaal gesproken zouden er gardisten zijn die als hoofdtaak hadden de orde op straat te bewaken, maar nu er maar zo weinig gardisten waren, moesten ook de paleiswachten dit werk doen.
2266 Een forse vrouw in fraaie rijkleding met groene strepen en een blauwgroene mantel. Ze zat al op haar grijze ruin terwijl een van haar zwaardhanden, Venr Kosaan, op zijn vos klom. Hij was donker van uiterlijk en in zijn krullerige haren en baard was hier en daar wat grijs te zien.
2267 De Groene zuster keek nadenkend onder de beschermende mantelkap en Kosaan deed zelfs dat niet eens. Hij schonk Birgitte en Yarman slechts een knikje. Zonder verder op of om te kijken vertrokken ze zodra de laatste gardisten van Elaynes geleide de met ijzer beslagen poort waren binnengereden.
2268 Maar sommige gardisten bij de muur bleven staan, met een voet in de stijgbeugel, en keken naar de nieuwelingen. Ze hadden haar pas een uur later verwacht en afgezien van de enkeling die nooit verder dacht dan zijn neus lang was, besefte iedereen in het paleis de onstabiele situatie.
2269 Afgezien van de sergeant waren er nog maar drie anderen langer in dienst van de garde, maar hier stonden geen kersverse nieuwelingen. Stalknechten in rode jassen met de geborduurde Witte Leeuw op een schouder snelden de stallen uit, hoewel ze eigenlijk niet veel te doen hadden.
2270 Zoals altijd voerde hij nauwgezet zijn werk uit. Birgitte keek woest rond, de vuisten in de zij, en hield blijkbaar de mannen in het oog die de komende vier uur de orde in de Binnenstad gingen bewaren. Het zou Elayne echter verbazen als Birgittes gedachten echt naar die mannen uitgingen.
2271 Zij had in elk geval haar eigen zorgen, maar probeerde die niet overduidelijk te tonen. Ze nam de schrale vrouw op die Vuurhart bij de teugels vasthield, evenals de magere man die voor haar afstijgen een met leer bekleed opstapje had neergezet en de stijgbeugel vasthield.
2272 Hij bleef onverstoorbaar terwijl de vrouw het paard wat toefluisterde en zijn neus streelde. Geen van beiden keek echt naar Elayne al hadden ze wel hoffelijk het hoofd geknikt. Hoffelijkheden kwamen pas nadat Elayne niet door alle drukte door een schichtig paard uit het zadel kon worden gegooid.
2273 Het deed er niet toe dat ze hun hulp niet nodig had. Ze was hier niet meer op het platteland en ze behoorde de regels te volgen. Desondanks probeerde ze niet fronsend rond te kijken. Ze besteedde geen aandacht meer aan het tweetal toen ze Vuurhart wegleidden en keek niet om, al wilde ze dat wel.
2274 De raamloze toegangshal achter de zuilen leek schemerig, ook al waren enkele staande spiegellampen aangestoken. Eenvoudige lampen met ijzeren krullen. Alles hier was bedoeld om nuttig te zijn. De gepleisterde kooflijsten waren onversierd en de witstenen muren kaal en glad.
2275 Een kale man met een trots gezicht keek haar wel aan, maar niet direct in de ogen; wellicht was hij bang om te vrijpostig te zijn. Een slanke jonge vrouw die scheel keek, maakte al te overijverig een glimlachende kniks, maar misschien wilde ze alleen tonen dat ze oplettend was.
2276 Elayne liep snel verder, gevolgd door Birgitte, voordat ze hen woest begon aan te kijken. Achterdocht smaakte bitter. Sareitha en haar zwaardhand begeleidden hen slechts enkele passen en toen mompelde de Bruine zuster iets over boeken die ze in de boekenzaal na wilde zien.
2277 Ik zet nooit kinderogen op en ik spring niet op. Heb je me daarom met een titel opgezadeld? Zodat ik daarmee aan de lijn kwam te liggen? Het zou niet de eerste stomme gedachte in jouw hoofdje zijn. Voor iemand die meestal zo helder en goed nadenkt... Laten we het er later over hebben.
2278 Ze beende weg en haar lange paardenstaart had als de staart van een boze kat omhoog kunnen staan. Elayne stampte geërgerd met haar voet. Birgittes titel was een terecht verdiende beloning, meer dan tienmaal verdiend sinds ze de vrouw had gebonden! En daarvoor al tienduizend keer.
2279 Niet wanneer het om belangrijke zaken ging – wanneer zijzelf ze trouwens belangrijk vond – maar het gold wel voor alle andere opdrachten, vooral wanneer ze die betitelde als onnodig riskant of onbetamelijk. Alsof Birgitte Zilverboog over gevaren haar mond open mocht doen.
2280 Ze keek graag naar mooie mannen, al had ze een voorkeur voor mensen die zware klappen leken te hebben opgelopen. Elayne wilde haar niet veranderen, want ze bewonderde haar, mocht haar en beschouwde haar als een vriendin, maar ze had graag meer gemerkt van de binding tussen zwaardhand en Aes Sedai.
2281 Opeens besefte ze dat ze stilstond en met een boos gezicht in het niets staarde. Dienaren kwamen aarzelend voorbij en hielden hun oog op de vloer gericht alsof ze bang waren dat haar boosheid voor hen was bedoeld. Ze ontspande zich en wenkte een slungelige jongen met puistjes.
2282 Zijn grote ogen flitsten naar haar Grote Serpent ring, waarna hij een hoog geluidje slaakte en zelfs nog dieper boog voor hij hardhollend verdween. Onwillekeurig glimlachte ze. Het was een gok geweest maar hij was te jong om een verspieder te zijn en te zenuwachtig om iets verbodens te doen.
2283 Ze was zeker even vroeg opgestaan als Elayne, waarschijnlijk nog eerder, maar haar scharlakenrode tabberd leek net gestreken en de Witte Leeuw op de voorkant zag er even schoon en wit uit als pasgevallen sneeuw. De dienaren haastten zich nog meer en poetsten nog harder toen ze haar zagen.
2284 Ze zei het zo zacht dat die het alleen hoorde, ik heb er echter wel een paar ontdekt. Een vrouw en een man die allebei in dienst zijn genomen in de laatste maanden van uw moeders regering. Zij verlieten het paleis zodra het nieuwtje de ronde deed dat ik iedereen ondervroeg.
2285 Naean en Elenia waren vaak in her paleis geweest in die laatste maanden van haar moeders regering. En hadden dus ruimschoots de kans om hier ogen en oren te planten. Niet alleen dat stel had in het paleis gewoond, ook anderen die de aanspraak van Morgase Trakand op de troon hadden bestreden.
2286 Ze wilde altijd weten waarom mensen Elayne wilde spreken, zodat ze het kaf van het koren kon scheiden en Elayne er niet onder begraven werd, maar de hoofdklerk zag nooit enige aanleiding een tipje van zijn sluier voor haar op te lichten. Zij vertelde hem trouwens ook nooit iets.
2287 Beide groepen hebben een verzoekschrift ingediend om verlaging van de belastingen vanwege de zware tijden en nu willen ze dat komen toelichten. Mijn vrouwe heeft geen raad van mij nodig om hun te zeggen dat het voor iedereen moeilijke tijden zijn. Er komt ook een groep vreemde kooplieden.
2288 Ik regeer over Andor, had Elaynes moeder haar ooit eens onder vier ogen gezegd, maar soms denk ik dat Harfor mij regeert. Haar moeder had het lachend gezegd, maar wel zo dat ze het echt zo bedoelde. Als ze er goed over nadacht, zou vrouwe Harfor als zwaardhand tienmaal zo erg zijn als Birgitte.
2289 Dat was wel heel gek in de winter. Ze waren bij de grote deuren van haar vertrekken aangekomen. In het hout waren leeuwen uitgesneden. Kleinere leeuwen dan op de deuren van haar moeders vleugel, maar nooit was bij haar de gedachte opgekomen de koninklijke vertrekken te gebruiken.
2290 Ze werden afgezonderd en mochten met niemand spreken behalve met de vrouw die hen door de zalen begeleidde. De huisvrouwe wist wanneer ze geen vragen mocht stellen, maar ze had er een hekel aan als ze niet wist wat er in het paleis gaande was. Haar stem veranderde echter in het geheel niet van toon.
2291 Regeren betekende eindeloze weken van verveling en de uren waarin je kon doen wat je zelf wilde, waren zeldzaam. Ergens achter in haar hoofd zweefde Birgitte, een harde bol van pure ergernis en boosheid. Ongetwijfeld werkte ze zich door die stapel papieren op haar tafel heen.
2292 Dus liep ze snel door, verloren in gedachten, en zag ze nauwelijks waar ze was. Wat vond Norrij zo dringend? Het herstel van de bestrating in elk geval niet. Hoeveel verspieders? De kans dat vrouwe Harfor ze allemaal ving, was klein. Ze sloeg de hoek om en voelde opeens geleidsters voor haar.
2293 Kirstian en Zareya droegen volkomen witte kleren en bleven zorgvuldig een pas achter Vandene staan terwijl ze gedwee hun handen voor hun middel gevouwen hielden. Hun haren waren simpel achterover gekamd en ze droegen geen sieraden. Bij Novices werden sieraden ten sterkste afgeraden.
2294 Het waren Kinsvrouwen geweest en Kirstian was nog wel lid van het Naaikransje. Ze waren beiden weggelopen uit de Witte Toren en er waren voorschriften voor de omgang met weglopers. Die regels lagen verankerd in de wet van de Toren en hoe lang geleden dat gebeurd was, deed er niet toe.
2295 Kleine fouten die bij anderen door de vingers werden gezien, werden zwaar bestraft. Eenmaal weer in de Toren moesten ze een nog veel zwaardere straf ondergaan, een geseling in het openbaar, en daarna moesten ze nog minstens een jaar op hun smalle en pijnlijke pad blijven.
2296 Half geoefende vrouwen waren te gevaarlijk in de wereld buiten de Toren. Elayne had die paar keer dat ze bij hen was getracht toegeeflijk te zijn, want de Kinsvrouwen waren niet echt half geoefend. Ze hadden evenveel ervaring met de Ene Kracht als een Aes Sedai, al hadden ze geen lessen gehad.
2297 Het verbaasde haar niet dat ze een onderdrukte gretige glans in de ogen van de wee vrouwen zag en een houding die beloofde dat ze zich goed zouden gedragen. Ze wilden net als ieder ander deze kans met beide handen aangrijpen. Ze was gewoon verbaasd omdat juist Vandene bij deze twee was.
2298 Haar witte haren, onder aan haar nek bijeengebonden met een groen lint, hadden haar ondanks haar rimpelloze wangen altijd een ouder uiterlijk gegeven. De moord op haar zus had er een grimmigheid aan toegevoegd die zich in haar kaken en botten had vastgezet, zodat ze een ongenaakbare rechter leek.
2299 Het was de juiste benaming voor Novices. Het ergste ogenblik voor een vrouw die naar de Toren trok, was niet de ontdekking dat ze nog niet als rijp en volwassen werd gezien tot ze de stola behaalde, maar het ogenblik dat ze besefte nog echt een kind te zijn zo lang ze het Novicewit droeg.
2300 De knappe Kirstian met haar zwarte ogen leek rond de dertig. In werkelijkheid was ze ruim driehonderd jaar oud, ongetwijfeld ouder dan Vandene. Kirstian was al zo lang uit de Toren weg dat ze zich veilig genoeg had gevoeld om haar eigen naam, of een deel ervan, te gebruiken.
2301 Twee vrouwen in een afgelegen huis die om hun juwelen waren vermoord. Alleen zijzelf, Vandene, Nynaeve en Lan kenden de waarheid. Tot dit ogenblik blijkbaar. Ze moesten vrij veel uitgedokterd hebben, anders zou Vandene hen met een draai om beide oren hebben weggestuurd.
2302 De Novices bleven gehoorzaam vlak achter Vandene staan. Misschien hadden ze voor al die ijver al een oorvijg gekregen. Er waren genoeg bedienden te zien, maar niemand kwam naar hen toe en niemand kon hen horen. Toch sprak Vandene heel zacht, al was haar ongenoegen nog steeds overduidelijk.
2303 Toen ze Adeleas en Ispan hadden gevonden, was het duidelijk geweest dat hun moordenares een Aes Sedai moest zijn geweest. Ze waren beiden verlamd door purperdoornwortel voor ze werden vermoord en het was bijna onmogelijk dat de windvindsters iets van dit kruid wisten dat zo ver van zee groeide.
2304 Ispan zelf was als Novice weggelopen en was in Ebo Dar beland, maar ze was al teruggehaald voordat de Kinne zich aan haar bekend had kunnen maken, haar had kunnen dat ze meer waren dan een paar vrouwen die uit de Toren waren gezet en zomaar toevallig hadden besloten haar te helpen.
2305 Alles en alles. Ze waren niet zacht geweest en ze hadden haar heel diep doorvorst en elk feitje opgediept dat een aanwijzing kon vormen. Toch wist ze weinig meer van de Kinne dan de andere Aes Sedai. Als er Duistervrienden in de Kinne zaten, zou de Zwarte Ajah alles hebben geweten.
2306 Niet bepaald een gevoel dat je Nynaeve Almaeren als eerste toedichtte. Elayne schrok toen ze Lan wat verderop zag, die om hen heen draaide en beide gangen scherp in het oog hield. Hij was even lang als een Aiel in zijn donkergroene mantel en had schouders die een smid leken toe te behoren.
2307 Ook al was hij midden in het paleis, aan zijn middel hing nog steeds een zwaard. Hij liet Elayne altijd huiveren. Uit zijn kilblauwe ogen staarde de dood, behalve als hij Nynaeve aankeek. De voldoening verdween meteen van Nynaeves gezicht toen ze hoorde wat er van haar verwacht werd.
2308 Het was misschien niet Nynaeves schuld dat ze amper ouder leek dan twintig, want zij had al vroeg het kenmerk gekregen dat ze uiterlijk niet verouderde, maar voor de Kinne was leeftijd belangrijk en het was haar eigen keus om een groot gedeelte van haar tijd bij hen door te brengen.
2309 De bedienden die ze achter Vandene en de twee Novices kon zien, waren gestopt met werken om met open mond naar het groepje vrouwen te staren. Ze betwijfelde of ze Lan nog zouden opmerken, al was die nog zo indrukwekkend. Aes Sedai die ruzie maakten, was iets bijzonders.
2310 Ze was klein, niet veel langer dan Zareya en aanmerkelijk kleiner dan Vandene en Kirstian, maar ze leek wel een hand boven hen uit te steken. Het was een kunst die Elayne ook graag wilde beheersen. Hoewel ze dat niet wilde uitproberen in een gewaad dat zo gewaagd was gesneden.
2311 Toen ze zich ten slotte naar de twee Novices wendde, stond haar gezicht weer even beheerst als het al die tijd sinds de moord op Adeleas had gestaan. Wat slechts inhield dat de rechter afzag van een veroordeling ter plekke. Later wellicht. Haar ingevallen gezicht stond kalm en grimmig.
2312 Hoogstwaarschijnlijk was Lan steeds klaar voor een aanval, zelfs in zijn slaap. Het zou net zijn of je naast een hongerige leeuw lag. Bovendien was dat uit rots gehouwen gezicht voldoende om elk huwelijksbed af te koelen. Gelukkig had Nynaeve geen flauw benul van haar gedachten.
2313 De bedienden krompen in elkaar als Lans ogen op hen vielen. Een bediende met een mager gezicht kreeg opeens bevende knieën en liet een armvol linnen vallen en een jonge vrouw met licht haar pakte werkelijk haar rok op en ging ervandoor, waarbij ze tegen een lamp botste en die schuddend liet staan.
2314 Van de Kinsvrouwen die meegekomen waren naar Caemlin, waren er achttien niet meer in het paleis. Ze waren echter niet weggelopen. Aangezien er niemand van hen zo sterk was om te kunnen Reizen, had Nynaeve zelf een poort geweven en ze naar Altara, Amadicia en Tarabon gebracht.
2315 De belofte moest gehouden worden. Ze had die zelf uitgesproken. Namens Egwene weliswaar, en in opdracht van Egwene, maar de woorden waren uit haar mond gekomen en zij ging haar woord niet breken. Ze wist echter niet hoe ze zich eraan kon houden, tenzij Egwene iets heel moois had bedacht.
2316 Alise Tenjile stond aan het andere eind van de tafel en keek op. Ze droeg eenvoudige grijze kleding meteen hooggesloten nek en leek van middelbare leeftijd. Ze leek een prettige, onopvallende vrouw die echter behoorlijk opviel als je haar eenmaal kende en indien nodig uiterst onplezierig kon zijn.
2317 Ze keek eenmaal en richtte haar aandacht toen weer op wat er aan de tafel gebeurde. Aes Sedai, zwaardhanden en de erfdochter maakten geen indruk meer op Alise. Reanne zat in een groen gewaad dat fraaier was dan dat van Alise aan de tafel. Haar gezicht vertoonde rimpels en haar haren werden al grijs.
2318 Het betekende beteugelde, en dat waren ze. Vijf damane die de band moesten blijven dragen om de eenvoudige reden dat ze anders zouden trachten hun Seanchaanse teugelhoudsters te bevrijden. Luipaarden aan een touw was een beter geschenk geweest, w7ant die konden tenminste niet geleiden.
2319 Reanne nam er alle tijd voor, bekeek wat ze had gedaan en knikte tevreden toen ze opstond. De Kinne had altijd getracht zo min mogelijk te geleiden en ze schepte veel genoegen in de vrijheid om saidar te gebruiken wanneer ze dat wilde, en ze was trots op goede wevingen.
2320 Ze kon je echt afsnauwen wanneer het minachtend werd gebruikt. Nu staarde ze Reanne alleen maar aan. Wellicht probeerde ze een antwoord te bedenken. Elayne wist wel wat zij zou antwoorden, maar deze kwestie had niets te maken met haar aanspraken op de troon of met Andor.
2321 Nynaeve leek in gedachten verzonken en leek moeite te hebben met een besluit. Ze greep met twee handen haar vlecht beet, liet weer los en sloeg haar armen over elkaar, terwijl de franje van haar stola wild rondzwierde. Ze keek iedereen behalve Lan woest aan. Ze keek Lan helemaal niet aan.
2322 Nog drie vrouwen erbij waar ze niet helemaal zeker van waren, was niet echt wat je noemde goed nieuws, maar er was geen andere keus. Reanne aanvaardde Nynaeves besluit na enige tellen met een knik, terwijl Alise met een glimlach om de tafel heen kwam lopen om Nynaeve een schouderklopje te geven.
2323 Er glinsterden onverwachte tranen in haar ogen toen ze zich met een ruk omdraaide om hem aan te kijken. Haar gezicht straalde van vreugde. Hij glimlachte terug en de kilte in zijn ogen was verdwenen. Elayne moest moeite doen om het tweetal niet met open mond aan te kijken.
2324 Licht! Misschien was hun huwelijksbed toch niet zo koud als ze had gedacht. Bij die gedachte voelde ze zich rood worden. Ze probeerde niet naar het stel te kijken en haar ogen vielen op Marli. De Seanchaanse staarde strak voor zich uit en tranen stroomden over haar dikke wangen.
2325 Er dansten vlammen op de dikke houtstammetjes in de brede marmeren haard, maar het vuur kon de kilte amper verdrijven. Dat spoorde haar aan zo snel mogelijk een blauw gewaad van fijne wol aan te trekken, met patronen van kunstparels rond de hoge hals en langs de mouwen.
2326 Birgitte was heel indrukwekkend in haar gardekledij. En Birgitte zou graag een onderbreking willen, zelfs als dat luisteren naar kooplui inhield. Aan de verhitte knoop ergernis in haar hoofd te voelen vond de kapitein generaal van de koninginnegarde de verslagen maar zwaar werk.
2327 Voorlopig kon het kroontje van de erfdochter in het ivoren sieradenkistje op haar kaptafel blijven. Een klein kistje. Ze had niet zoveel juwelen, de meeste waren in pand gegeven, en misschien moest de rest ook weg, net als het tafelzilver. Het had geen zin zich er nu zorgen over te maken.
2328 Boven de donkerhouten lambrizering van haar zitkamer bevonden zich brede kooflijsten met vogels. Het vertrek toonde aan weerszijden twee haarden met fraaie mantels die beter verwarmden dan die in haar kleedkamer, hoewel ook hier vele tapijten op de witte tegelvloer nodig waren.
2329 Tot haar verbazing zat Halwin Norrij er. De plicht had haar blijkbaar reeds overvallen. Toen ze binnenkwam, richtte de hoofdklerk zich op uit een stoel met lage rug. Hij klemde een leren map tegen zijn smalle borst en schoof slungelachtig om de tafel heen, zodat hij onhandig een been kon buigen.
2330 Aan de stand van zijn hoofd te zien, dat hij schuin hield, alsof hij haar zo beter kon horen, was hij waarschijnlijk behoorlijk doof. Misschien was dat de reden waarom zijn woorden nooit van toon veranderden. Ze verhief haar eigen stem. Iets. Uiteindelijk zou het toch doodsaai worden.
2331 Dat deed hij altijd. Ze maakte het zich gemakkelijk, sloeg de benen over elkaar en schikte haar rok goed. Hij greep niet naar zijn map. Alles wat op papier stond, zat ook in zijn hoofd. De papieren had hij alleen maar bij zich voor het geval ze die met eigen ogen wilde inzien.
2332 Elayne was kaarsrecht gaan zitten toen hij de aluin vermeldde en ze glimlachte breed. Ze had zin om van vreugde een buiteling te maken. Als het iemand anders dan Norrij was geweest, had ze het gedaan. Ze was zo opgetogen dat ze Birgittes ergernis even voelde verdwijnen.
2333 Alleen in Geldan was aluin van goede kwaliteit te vinden, tenminste tot nu, en de belasting op de aluinhandel was voldoende geweest om de Geldaanse troon vele generaties lang te steunen. Aluin uit Tyr en Arafel was niet zo goed, maar bracht evenveel geld op als olijfolie en edelstenen.
2334 Tot dusver had de School een twintigtal leerlingen die in verschillende herbergen waren ondergebracht, maar zelfs nu het winter was, kwamen er elke dag meer bij, en ze begonnen steeds vaker een soortgelijke ruimte te eisen als zich volgens de geruchten in Cairhien bevond.
2335 Zelfs als ze zeker wist dat de Laatste Slag aan alles een einde zou maken, wilde ze niet alleen maar blijven toekijken. Rhand was de Scholen begonnen voor het geval de wereld echt brak, in de hoop nog iets te redden, maar deze school zou de School van Andor zijn, niet die van Rhand.
2336 Hij zou hoogstens zijn mond van afkeer vertrekken. De hoofdklerk hield de gelden van de natie bij, leidde de schrijvers die de hoofdstad bestuurden en gaf de troon raad in staatszaken. Hij had zeker geen netwerk van ogen en oren zoals de Ajahs of zelfs sommige zusters in hun eentje.
2337 De vleugel met de vertrekken van de Herrezen Draak is grotendeels verwoest en zelf is hij verdwenen. Men neemt algemeen aan dat hij naar Tar Valon is gegaan om voor de Amyrlin Zetel neer te knielen. Sommigen geloven dat hij tijdens de aanval is gestorven, maar dat zijn er niet zoveel.
2338 Dat was bijna, bijna een grap. Minstens een wat onhandig puntigheidje. Nog wel van Halwin Norrij. Zij geloofde ook niet dat Rhand dood was. Ze wilde niet geloven dat hij dood was. En wat dat knielen voor Elaida betrof, de man was te koppig om voor wie dan ook neer te knielen.
2339 Er zouden veel problemen overwonnen kunnen worden als hij zich ertoe kon zetten voor Egwene te knielen, maar dat zou hij niet doen en zij was nog wel zijn vriendin uit zijn jongensjaren. Elaida had even veel kans als een geit op een hofdans, zeker als hij die proclamatie had gehoord.
2340 Elayne dacht erover om een koninklijke post te beginnen als de toestand dat ooit toeliet. Norrij klaagde over het feit dat zijn laatste berichten uit Ebo Dar en Amador al waren achterhaald door gebeurtenissen die al wekenlang op straat te horen waren geweest. Niet alles was belangrijk.
2341 In Illian was het rustig; het zat er vol met soldaten en krijgers van Rhand die herstelden van een veldslag tegen de Seanchanen. Meer was er niet bekend; niet eens of Rhand in de stad was geweest. De koningin van Saldea had zich teruggetrokken op het platteland en verbleef daar nog steeds.
2342 Elayne wist er al van, maar het scheen dat ook de koningin van Kandor al maandenlang niet in Chasin was gezien, en men zei dat de koning van Shienar nog steeds op een uitgebreid werkbezoek aan Verwordingsgrens was, hoewel de Verwording tegenwoordig rustiger was dan sinds mensenheugenis.
2343 Het was enkel een overzicht van wat er in andere landen gebeurde. Niettemin werd er van haar verwacht dat ze deze vraag zou stellen, ook al wisten beiden dat ze reeds over het antwoord beschikte, dat in feite neerkwam op: doe niets. Maar hij had telkens zijn antwoord klaar.
2344 Wellicht is hij bevreesd door alles wat er ten noorden van het land gebeurt of is hij bang voor de overvallen van de Aiel, waar we zoveel over horen. Aan de andere kant is hij misschien nooit echt eerzuchtig geweest, maar koestert hij nu plannen om iets in het noorden van Altara te ondernemen.
2345 Als haar aanspraken vergeefs waren en hij haar gezant wel had ontvangen, zou de volgende koningin een deel van Morland bezetten om hem een lesje te leren. Een stuk land naast al het land dat heer Luan en de anderen reeds in handen hadden. Ze had van Egwene echter betere inlichtingen gekregen.
2346 Ze was niet van plan haar bron te onthullen, maar ze besloot hem gerust te stellen. Hij wist wat er gedaan moest worden maar was niet in staat dat te doen. Dat moest voor hem heel verontrustend zijn en dat was waarschijnlijk de reden waarom hij zijn lippen zo op elkaar perste.
2347 Hij richt zich op Morland zelf. De Andoranen in Morland hebben eden van trouw aangenomen van edelen in het noorden, waardoor de anderen zenuwachtig worden. Bovendien zwerft daar een grote bende huurlingen rond. Feitelijk Draakgezworenen, maar Roedran denkt dat het huurlingen zijn.
2348 Hij heeft ze in het geheim in dienst om daar te blijven en druk uit te oefenen als de andere legers zijn verdwenen. Hij is van plan die dreiging uit te buiten om de edelen zo strak aan zich te binden dat niemand graag als eerste los wil breken wanneer alle gevaar is geweken.
2349 Zoals u zich bewust zult zijn, is uw aanspraak op de Zonnetroon daar heel goed bekend en hij wordt door velen gesteund. Blijkbaar spreken vele Cairhienin openlijk over een komst naar Andor om u te helpen de Leeuwentroon te winnen, zodat u des te sneller de Zonnetroon kunt opeisen.
2350 Waarom had hij besloten haar dit te vertellen in plaats van haar te laten overrompelen door de komst van haar Cairhiense volgelingen? Had haar vertoon van kennis indruk op hem gemaakt? Of was hij misschien bang dat ze zou vernemen dat hij iets achterhield? Geduldig stond hij te wachten.
2351 Het besturen van Caemlin was zonder schrijvers onmogelijk, om maar te zwijgen van het besturen van Andor. Als je ze niet in de gaten hield, hadden schrijvers de macht om zelfs een koningin op haar knieën te dwingen. Een goedkeurend woord was niet hetzelfde als een verklaring van trouw.
2352 Ze zag een lamsbout met mosterdsaus, geroosterde kapoen met vijgen, suikerbroodjes met pijnboompitten, een roomsoep met prei en aardappels, koolrolletjes met rozijnen en kappertjes en een hartige pompoentaart. Er stonden twee bordjes: een met appeltaart en een met kersentaart met slagroom.
2353 Twee, zodat ze kon kiezen welke ze het lekkerst vond. In een derde kan zat thee. Wat verloren stond in een hoekje van het blad haar gebruikelijke middagmaal van brood en een heldere soep. Reene Harfor vond dat maar niets. Ze beweerde dat Elayne zo mager was als een riet.
2354 De huisvrouwe had haar mening luid verkondigd. De grijze vrouw trok een verwijtend gezicht toen ze het brood; de soep en de thee op tafel zette met een witlinnen eetdoekje, een kop en schotel van dun blauw porselein en een zilveren potje met honing. Plus enkele vijgen op een schotel.
2355 Een koopman uit Nieuw Breem kwam vanmorgen met het nieuws. Een eerlijke en betrouwbare man, Tormon uit Illian. Geeft zich niet over aan dromen of verzinsels en is niet hang voor schaduwen. Hij zei dat hij op verschillende plekken Arafellers, Kandori en Shienaranen heeft gezien.
2356 Opnieuw verborg ze een geeuw en opeens werden haar ogen groter terwijl ze naar haar kopje staarde. Fris en muntachtig. Zorgvuldig zette ze haar kopje neer, althans dat probeerde ze. Het schoteltje kwam verkeerd terecht en het kopje viel om, waardoor de thee over de tafel stroomde.
2357 Ze probeerde de Bron te bereiken, probeerde zich te vullen met het leven en de vreugde van saidar, maar ze had evengoed kunnen proberen met een net de wind te vangen. Birgittes ergernis, wat minder opgewonden dan eerst, bevond zich nog steeds in een hoekje van haar geest.
2358 Met een getuige zou Dyelin haar niet neersteken. De man bevochtigde zijn lippen, terwijl zijn ogen van de een naar de ander schoten. Toen kwam hij naar binnen, terwijl hij een lange dolk uit zijn riem trok. Nog twee mannen in de roodwitte livrei volgden hem en beiden trokken een lange dolk.
2359 Met de grootste moeite duwde ze zich overeind. Haar knieën voelden zwak en ze moest met een hand steun zoeken bij de tafel, terwijl ze de andere gebruikte om haar eigen mes te trekken. Het lemmet van siersmeedwerk was nog korter dan haar hand, maar ze moest het ermee doen.
2360 Dat had ook best gekund, als haar vingers rond het heft maar niet als houtblokken hadden aangevoeld. Een kind had het haar af kunnen pakken. Niet zonder strijd, dacht ze. Het leek of ze haar hand door dikke stroop duwde. Niet zonder strijd! Vreemd genoeg leek er geen tijd voorbij te gaan.
2361 Moord! Wachters! Het drietal probeerde de stoel te ontwijken, maar een was te traag en de stoel klapte tegen zijn benen. Met een schreeuw viel hij tegen de man naast hem en beiden gingen neer. De derde, een slanke vlaskop met lichtblauwe ogen, schoot er met uitgestoken dolk langs.
2362 Dyelin stak hakkend en stekend met haar eigen dolk in het rond, maar hij bewoog als een fret en ontweek haar met gemak. Zijn eigen lange dolk flitste en Dyelin struikelde met een gil achteruit, terwijl een hand haar maag greep. Hij danste lichtvoetig naar voren en stak opnieuw toe.
2363 Zij gilde en viel als een lappenpop op de vloer. Hij stapte over haar heen en kwam op Elayne af. Alleen de man en de dolk in zijn hand bestonden nog voor haar. Hij snelde niet op haar af. Zijn grote blauwe ogen namen haar behoedzaam op, terwijl hij langzaam naar voren stapte.
2364 Natuurlijk. Hij wist dat ze Aes Sedai was. Hij vroeg zich nu natuurlijk af of het gif zijn werk had gedaan. Ze probeerde rechtop te staan, hem woest aan te kijken, enkele ogenblikken met bluf te winnen, maar hij knikte in zichzelf en hief de dolk. Als ze iets had gekund, had ze het allang gedaan.
2365 Op zijn gezicht lag geen vermaak. Het was een man die een klus had te doen. Opeens bleef hij staan en keek stomverbaasd omlaag. Net als Elayne. Naar een stuk staal dat uit zijn borst stak. Bloed borrelde op uit zijn mond toen hij voorover tegen de tafel viel, waardoor die wegschoof.
2366 Stomverbaasd staarde ze naar de man die op het tapijt lag te bloeden. Uit zijn rug stak een zwaard. Haar dwalende gedachten leken van lood. Die tapijten zouden met al dat bloed nooit meer schoon te krijgen zijn. Langzaam keek ze op, langs het roerloze lichaam van Dyelin.
2367 Ze leek niet te ademen. Naar de deur. De open deur. Daar lag een andere moordenaar. Zijn hoofd stond in een vreemde hoek en zat nog maar half aan zijn nek vast. De derde moordenaar vocht met een man in het rood. Grommend rolden ze over de vloer terwijl beiden om de dolk vochten.
2368 Haar gezicht was koud, haar lichaam heet en klam. Iets hield haar armen en benen vast. Ze voelde kort paniek. Toen besefte ze dat Aviendha in de kamer was, evenals Birgitte, die als een vuist van beheerste kalme boosheid in haar hoofd aanwezig was. Hun aanwezigheid kalmeerde haar.
2369 De dikke wintergordijnen waren aan de bedstijlen gebonden en het enige licht kwam van kleine flakkerende vlammetjes in de haard, net voldoende om de schaduwen te laten bewegen, niet om ze te verdrijven. Onwillekeurig reikte ze naar de Bron en vond die. Raakte saidar aan.
2370 Het verlangen zeer veel saidar te putten drong zich sterk op, maar ze trok zich met tegenzin terug. Met grote tegenzin en niet alleen omdat ze ernaar verlangde om vervuld te worden met het rijke gevoel van saidar, want het was een bodemloze behoefte die beheerst diende te worden.
2371 Ze wist niet welke kruiden Nynaeve haar gegeven had, maar ze voelde zich niet zwakker dan na de dolkwortel. Ze meende best te kunnen lopen, zolang ze maar niet lang hoefde te staan en ver te lopen. En haar hoofd was helder. De vensterluiken lieten streepjes maanlicht door.
2372 Ze omhelsde de Bron weer en geleidde vier stroompjes Vuur om een staande lamp aan te steken, vervolgens een tweede. De kleine vlammen maakten het vertrek ineens veel lichter, waardoor Birgitte even een hand voor haar ogen hield. De jas van kapitein generaal stond haar goed.
2373 Het leek er verdacht veel op dat ze haar plezier verborg. Haar gezicht stond veel te nietszeggend. Birgitte werd door Aviendha altijd met gepaste voorzichtigheid opgenomen. Nadat zij en Elayne elkaar als eerstezusters hadden aangenomen, had Birgitte haar ook geadopteerd.
2374 Niet als zwaardhand natuurlijk, maar ze gedroeg zich als een oudere zus tegen haar, net zoals ze vaak tegen Elayne deed. Aviendha wist niet goed wat ze daar mee aan moest. En het feit dat ze nu als een van de weinigen wist wie Birgitte eigenlijk was, had niet erg geholpen.
2375 Nu is hij Jager op de Hoorn en omdat hij redelijk bekwaam is, is hij luitenant geworden. Hij is een Andoraan, ergens uit het westen, in de buurt van Baerlon. Hij beweert tijdens de Opvolgingsoorlog voor je moeder te hebben gevochten, maar hij moet toen nog een jongen zijn geweest.
2376 Een man met zoveel bekwaamheden als soldaat dat Birgitte hem luitenant had gemaakt. Ze probeerde de leidinggevende gardisten zoveel mogelijk uit Andor te laten komen. Een tijdige redding, één man tegen drie, en een zwaard dat als een speer door de kamer werd gegooid, net als in een speelmanverhaal.
2377 Als Elayne haar niet beter had gekend, zou ze hebben gezworen dat de Birgitte aan het pruilen was. Ze had graag willen weten hoe Nynaeve dat had klaargespeeld. In de tijd van het beestenspul had Nynaeve net zoveel ontzag voor Birgitte gekoesterd als Aviendha nu had. Maar dat was veranderd.
2378 Volledig. Nu koeioneerde Nynaeve Birgitte evenveel als ieder ander. En het lukte bij haar ook beter dan bij anderen. Ze is een vrouw als ieder ander, had Nynaeve ooit gezegd. Dat heeft ze me zelf gezegd en ik besefte dat ze gelijk had. Alsof dat ook maar iets verklaarde.
2379 Nou ja, een zwaardhand deed dat soort dingen ook, maar normaal gesproken maakte Birgitte er altijd een opmerking bij. Hoewel haar terugkomst wellicht die opmerking uitdrukte. Ze bood de beurs met een zwierige buiging aan en rond haar lippen speelde iets wat voor Nynaeve en Aviendha was bedoeld.
2380 Leidde hij haar met zijn ervaring. Ze moest soms nog wel wat doen aan haar temperament, maar ook dat leek steeds beter te gaan na haar merkwaardige huwelijk op de boot. Het eerste slokje wijn smaakte gewoon naar wijn, een heel goede wijn, maar Elayne keek fronsend naar de beker en aarzelde.
2381 Tot ze besefte wat ze deed en waarom ze dat deed. De herinnering aan de dolkwortel in haar thee was nog heel vers. Wat had Nynaeve erin gedaan? Geen dolkwortel natuurlijk, maar wat wel? Ze tilde de beker op voor nog een slok, maar hij leek erg zwaar. Uitdagend dronk ze de wijn in één teug op.
2382 Koninklijke gezanten werden hier ontvangen en belangrijke verdragen en oorlogsverklaringen werden hier bekendgemaakt aan de verzamelde hoogwaardigheidsbekleders en de lange zaal paste bij de naam en het gebruik. Zonder andere mensen leek het een grote holklinkende grot.
2383 Vanaf de roodwitte vloerplavuizen liep een rode loper over de witte treden omhoog. De troon was gemaakt voor een vrouw, maar nog steeds heel groot op zijn zware poten als Ieeuwenklauwen. De rugleuning vertoonde hoog aan de bovenkant de Witte Leeuw in maanstenen tegen een achtergrond van robijnen.
2384 Een hand rustte licht op de leeuwenkop van de armleuning en ze wierp een koninklijke blik door de zaal. Haar ogen vielen op Elayne. Ze herkende de erfdochter en raakte in de war. Kroon, vuurdruppels en zijde verdwenen en werden vervangen door eenvoudige wol en een lang schort.
2385 In haar oren droeg ze smaragden en in haar roodgouden krullen waren kleinere edelstenen geweven. Ze lier de edelstenen in het haar verdwijnen en knikte. Dir was passend voor de erfdochter en niet al te pronkerig. Je moest hier voorzichtig zijn met je gedachten over jezelf, anders.
2386 Haar bescheiden groenzijden gewaad veranderde in de strakke op het lichaam klevende kledij van Tarabon. Met haar donkere wijde broek, blote voeten, gouden oorringen, een neusring, een kettinkje vol muntjes en donkere tatoeages op beide handen leek ze het volgende moment wel iemand van het Zeevolk.
2387 Ze droeg een nagemaakte stenen ring op haar huid en leek nevelig, bijna doorzichtig. Fronsend trachtte ze naar Elayne te stappen en struikelde. Ze viel bijna vanwege het strakke donkerblauwe Taraboonse gewaad, dat nog veel strakker zat dan wat Elayne zich zojuist had ingebeeld.
2388 Ik bedoel over wat er vandaag is gebeurd. Jij verliest jezelf altijd in geklets of jullie samen je haren zitten te borstelen voor het slapen. Licht, ik wil niet dat ze als Amyrlin voor me staat en je weet dat ze het naadje van de kous zal willen weten als ze ervan hoort.
2389 Voor de goede orde voegde ze er het nieuws van Elenia en Naean aan toe en de speurtocht van de huisvrouwe naar verspieders in het paleis. Ze vertelde zelfs dat Zareya en Kirstian nu onder de hoede van Vandene stonden en over de aanval in Cairhien op Rhand en zijn verdwijning.
2390 Egwene leek niet onder de indruk van de opsomming. Ze onderbrak Elayne zelfs toen ze het over Rhand had, omdat ze het al had gehoord. Ze schudde wel afkeurend haar hoofd toen ze hoorde dat Vandene nog steeds niet wist wie de Zwarte zuster was, want dat vond zij haar grootste zorg.
2391 Ze was hier veel handiger in dan Elayne of Nynaeve. Ze droeg geen zijde maar donkergroene wollen rijkleding, mooi en goed gesneden, zonder opsmuk. Waarschijnlijk hetzelfde wat ze overdag had gedragen. En het bleef groenwollen rijkleding. ik had jullie willen opdragen morgen.
2392 De laatste klacht is dat we maar zestien Aanvaarden hebben, hoewel de meeste zusters Faolain en Theodrin ook behandelen alsof ze nog Aanvaarden zijn. Die achttien zijn echter nauwelijks voldoende om de Novices die lessen te geven die gewoonlijk door Aanvaarden worden gegeven.
2393 De mouwen van haar gewaad liepen wijd uit en de lage halslijn was afgewerkt met geborduurde bloemen en pareltjes. Haar haren reikten tot haar middel en werden bijeengehouden door een kapje van heel dun gouddraad met maanstenen en saffieren. Aan haar linkerwijsvinger zat een dikke gouden ring.
2394 Meer ontspannen, maar nog steeds niet bereid naar tegenwerpingen te luisteren, ik reken erop dat elke vrouw die in de Noviceboeken staat, doet waartoe zij in staat is, dat zij de stola verwerft en dient als Aes Sedai als dat tot haar mogelijkheden behoort, maar ik wil niet dat iemand erdoor sterft.
2395 Elayne draaide zich om. Daar stond een man te kijken. Een man die even lang was als een Aiel, met witte lokken in zijn donkerrode haar, maar zijn blauwe jas met hoge kraag zou nooit door een Aiel worden gedragen. Hij leek heel gespierd en zijn harde gezicht kwam haar bekend voor.
2396 Ze sprong overeind en rende hem na, maar hoe snel ze ook was, Egwene was nog sneller. Het ene ogenblik was Egwene nog achter haar, het volgende stond ze in de deuropening te kijken in de richting waarin de man was weggerend. Elayne probeerde zichzelf naast Egwene te denken en dat gebeurde.
2397 Ze gaf het nieuws van Dyelin door over de Grenslanders in Breemwoud. Ze voegde eraan toe wat ze van Meester Norrij gehoord had, terwijl ze voortdurend alle kanten probeerde op te kijken. Ze wilde niet opnieuw half slapend worden afgeluisterd, ik denk dat die vorsten in Breemwoud zitten.
2398 De flakkerende lampen gaven voor dit soort werk te weinig licht, maar dat was niet de reden waarom haar vogels scheef leken te staan. Ze wilde naar bed en had een hekel aan borduurwerk. Ze moest echter wakker blijven en dit was de enige manier om te voorkomen dat ze met Chesmal Emry moest praten.
2399 Tenminste wat Chesmal een gesprek noemde. De zelfvoldane, opschepperige Gele was aan de andere kant van de kamer heel aandachtig bezig met haar eigen borduurwerk en ze nam aan dat iedereen met een naald in de handen net als zijzelf een vlijtige belangstelling had voor het werk.
2400 In de maanden na Moghediens verdwijning had ze al twintig keer gehoord van Chesmals aandeel in de ondervraging van Tamra Ospenya op de pijnbank en ook hoe Chesmal de Roden had aangespoord Sierin Vayu te vermoorden voor Sierin kon bevelen haar gevangen te zetten. Misschien wel vijftig keer.
2401 Als je Chesmal geloofde, had ze eigenhandig de Zwarte Ajah gered en iedereen moest dat horen. Dat soort geklets was niet alleen saai, maar ook gevaarlijk. Zelfs dodelijk als de Hoogste Raad ervan hoorde. Weer onderdrukte Asne een geeuw en keek met samengeknepen ogen naar haar werkstuk.
2402 Het was Eldrith Jhondar, de handschoenen in een hand en haar donkere mantel nog achter op de rug. Het gewaad van de plompe Bruine zuster was eveneens donker en zonder opsmuk. Asne had een hekel aan die simpele wollen stof, maar ze mochten geen aandacht trekken. Die grauwe kleren pasten bij Eldrith.
2403 Ze fronste alsof ze nu pas besefte dat ze die had gedragen. Zorgvuldig maakte ze de zilveren gesp in haar hals los en ze gooide haar mantel in een slordige hoop over een stoel. De saidargloed rond Chesmal verdween toen ze haar borduurraam opzij schoof, zodat ze op kon staan.
2404 Haar lip krulde verachtelijk bij de herinnering. De aankomst van Eldriths Kennit had hen echter doen besluiten te vertrekken. Hij wist zeker dat ze een moordenares was, half overtuigd ook dat ze bij de zwarte Ajah hoorde en vastbesloten haar te doden zonder op de gevolgen voor zichzelf te letten.
2405 Wellicht was het de hoogste tijd voor Eldrith om een ongeluk te krijgen. De deur ging open en Temaile Kinderode schoof zo stil de kamer binnen dat ze allemaal door haar verrast werden. De kleine voormalige Witte zuster met het vossengezicht droeg een mantel met geborduurde leeuwen op de schouders.
2406 Omdat de mantel openhing, was haar roomkleurige zijden nachtpon zichtbaar, die onfatsoenlijk aan haar huid plakte. Aan haar vingers bungelde een armband gemaakt van gekronkelde glazen ringen. Ze leken op glas, voelden aan als glas, maar een hamer kon ze niet in scherven slaan.
2407 Chesmal probeerde Temaile heel onopvallend in het oog te houden, waarbij ze onbewust zenuwachtig haar lippen bevochtigde. Asne deed snel haar mond dicht en hoopte dat niemand had gemerkt dat ook zij zenuwachtig haar lippen had bevochtigd. Eldrith had het zeker niet opgemerkt.
2408 Chesmal beantwoordde Eldriths blik verontwaardigd, terwijl Asne onschuld toonde. Ze hadden het geweten, maar wie wilde Temaile iets in de weg leggen? En ze betwijfelde ten zeerste of Eldrith meer dan een oppervlakkig bezwaar had laten horen als zij ervan op de hoogte was geweest.
2409 Ze had bij Eldriths vermaning, al was die nog zo slap, het hoofd moeten buigen en zich moeten verontschuldigen dat zij haar wens had getrotseerd. In plaats daarvan glimlachte ze. Die lach bereikte echter nimmer haar ogen, die groot en donker waren en veel te veel glansden.
2410 Dat zou echter niet gebeuren als ze een Uitverkorene als beschermvrouwe hadden. Als Moghedien zo verschrikkelijk graag Nynaeve in handen wilde krijgen, dan gold dat wellicht ook voor de andere Uitverkorenen. Het echte probleem was er een te vinden om dat geschenk aan te nemen.
2411 Sinds Samara versluierde ze die binding niet meer. Alleen Powl was een Duistervriend, maar de andere drie zouden doen wat ze zei en geloven wat ze vertelde. Het was noodzakelijk hen voor de anderen verborgen te houden, maar ze wilde enkele gewapende mannen bij de hand hebben.
2412 Het vroege ochtendlicht achter de vensters van de zitkamer was grijs en het was vroeger dan vrouwe Shiaine meestal opstond, maar vanmorgen had ze zich al in het donker aangekleed. Tegenwoordig dacht ze aan zichzelf als Shiaine. Mili Skane, de dochter van de zadelmaker, was bijna geheel vergeten.
2413 Marillin was een magere vrouw met dof lichtbruin haar. De Bruine zuster leek niet op een Aes Sedai. Haar smalle gezicht en brede neus zouden beter bij Falions livrei hebben gepast dan bij haar mooie blauwe wol, die eigenlijk alleen gepast was voor een middelmatig geslaagde koopvrouw.
2414 Was de vrouw bang dat het met haar ook zo zou aflopen? Om de waarheid te zeggen, zou Shiaine Falion binnen de kortste keren inruilen voor een echte kamenierster als het kon. Nou ja, zolang ze al die andere dingen er ook bij deed. Er was een grote kans dat beide vrouwen hierna moesten sterven.
2415 De deur ging open en Murellin keek vragend naar binnen. Zijn gespierde lijf vulde de deuropening bijna helemaal. Achter hem kon ze nog iemand zien staan. Ze knikte en Murellin stapte opzij en gebaarde dat Daved Hanlon naar binnen moest gaan, waarna hij de deur achter hem sloot.
2416 De inspanning om de weving vast te houden en om saidin te bevechten deed hem wankelen. Hij wilde kokhalzen, zich vooroverbuigen en braken. Het kostte hem moeite om zich overeind te houden. Hoog in de muur lieten spleten tussen de luiken van een paar kleine vensters wat licht naar binnen vallen.
2417 Het was net genoeg om, met de Ene Kracht in hem, iets te zien. De kamer was vol meubels en grote, met lappen afgedekte vormen; daartussen stonden enorme manden die gewoonlijk gebruikt werden voor aardewerk. Er waren kisten in alle soorten en maten, dozen, kratten en snuisterijen.
2418 Misschien had een koningin van Andor een eeuw of twee geleden aan deze tafel gegeten. Een eeuw of twee, lachte Lews Therin in zijn hoofd. Een heel lange tijd. In Lichtsnaam, laat het gaan! Dit is de Doemkrocht! De stem stierf weg toen de man naar een uithoek in Rhands geest vluchtte.
2419 Dit keer had hij zijn eigen reden om naar Lews Therins geklaag te luisteren. Haastig gehaarde hij Min om hem te volgen van de open plek in het bos aan de andere kant van de poort. Zodra ze binnen was, liet hij saidin los, waardoor de poort zich in een snelle lichtbundel van boven naar beneden sloot.
2420 Gelukkig verdween de misselijkheid meteen. Hij was nog wat draaierig, maar hij had niet meer het gevoel alsof hij moest braken of moest omvallen. Het smerige gevoel bleef echter wel, de smet van de Duistere, die in hem vloeide door de wevingen die hij om zich heen had geweven.
2421 Haar helderblauwe handschoenen met geel borduurwerk staken in de riem en ze droeg een mantel die met gele krullen was afgezet en die dichtgehouden werd door een gouden speld in de vorm van een roos. Ze zag eruit of ze op een gewonere manier was aangekomen, maar ze zou alle aandacht trekken.
2422 Dat was ze ook. Hij kon niet naar haar kijken zonder dat te denken. Of spijt te hebben van zijn zwakte, waardoor hij haar niet naar een veilige plek stuurde. Ze haalde diep adem en niesde voor ze de hand voor haar mond kon slaan, en keek hem toen nijdig aan alsof het zijn schuld was.
2423 Ik heb mijn haar voor jou in de krullen gezet. Ik heb mijn léven voor je opgegeven. Mijn jasje en broek geef ik niét op. Bovendien heeft niemand hier me ooit langer in een rok gezien dan de tijd die het me kostte om hem weer uit te trekken. Je weet dat dit niet werkt, tenzij ik herkend word.
2424 Licht! Wat Min ook zei, hij kon gewoon niet geloven dat Elayne en Aviendha hem allebei liefhadden. Of dat deze wetenschap Min niet deerde. Vrouwen waren zó vreemd. Elayne en Aviendha hadden een reden om hem te haten, niet om hem lief te hebben, en Elayne had dat tenminste nog duidelijk gemaakt.
2425 Rhand zuchtte. Dit was te belangrijk voor haar spelletjes, maar als hij het toeliet, zou ze dat blijven doen. Maar zo zag zij het niet. Soms verschilde haar idee van wat belangrijk was aanzienlijk van het zijne. Zeer aanzienlijk. Hij zou haar goed in de gaten moeten houden.
2426 Nynaeve Sedai? Waarom zouden de anderen – de echte Aes Sedai – haar nog steeds dat spelletje laten spelen? En was Mart er niet? En hier kennelijk ook nog nooit geweest. In zijn hoofd tolden kleuren, bijna een beeld dat hij kon zien. Het verdween in een hartslag, maar hij wankelde.
2427 Ze kon alles bederven! Je plannen falen omdat je wilt leven, dwaas. Lews Therins stem was een ruwe fluistering. Aanvaard dat je dood bent. Aanvaard het, gek, en stop met me te martelen! Rhand onderdrukte de stem tot een gedempt gezoem, een gonzende bijter in de duisternis van zijn geest.
2428 Hij was het niet gewend om achter iemand aan te lopen en het verbeterde zijn stemming niet bepaald. Hij was nog steeds een beetje duizelig en de smerigheid van de smet was nog voelbaar. Hij leek de laatste tijd steeds vaker een slechte bui te hebben, tenzij Min bij hem was.
2429 Ze deden hem glimlachen, een zuinige en tevreden glimlach. Geen van hen had een leeftijdloos gezicht, en een heel stel had zelfs rimpels en kraaienpoten, die bij een Aes Sedai nimmer te zien zouden zijn. Het vreemde was dat hij soms wel kippenvel kreeg als er een vlakbij kwam.
2430 Hij had aangenomen dat het gerucht over honderden Aes Sedai die met een leger naar Caemlin optrokken, betekende dat er ook zoveel zusters bereid waren de Herrezen Draak te volgen. In plaats daarvan was zelfs zijn oorspronkelijke hoop op een stuk of tien zusters wel heel optimistisch geweest.
2431 Een stevig vuur was erin geslaagd de kou uit de lucht te verdrijven. Of misschien was het de poging die haar verwarmd had, bedacht Nynaeve zuur. Aan de kostbare klok op de bewerkte schoorsteenmantel te zien, duurde deze les al een uur. Een uur geleiden zonder rust maakte iedereen warm.
2432 Het was een eenvoudige afleiding, maar het meisje hijgde verrast en heel even verminderde haar omhelzing van de Bron, heel even flikkerde de Ene Kracht in haar. Tegelijk duwde Nynaeve niet langer tegen de stroom van de ander, maar richtte met een ruk haar eigen stroom op haar oorspronkelijke doel.
2433 Op hetzelfde ogenblik verdween de gloed van saidar en drukten haar laatste twee stromen Lucht Talaans armen tegen haar zijde en haar knieën in de wijde, donkere broek tegen elkaar. Heel netjes, al zeg ik het zelf, dacht Nynaeve. Het meisje was heel lenig en erg goed met haar wevingen.
2434 Bovendien was het op zijn best gewaagd, en op zijn slechtst zinloos, om iemand af te schermen die de Ene Kracht vasthield, tenzij je véél sterker was dan de ander. Maar hoewel Talaan haar evenaarde, maakte dat geen verschil. Het hielp om een tevreden glimlach te voorkomen.
2435 Het leek zo kort geleden dat de zusters geschrokken waren van haar kracht en geloofden dat slechts enkele Verzakers meer kracht hadden. Talaan was nog niet vertraagd; ze was weinig meer dan een kind. Vijftien? Jonger misschien! Het Licht mocht weten wat haar vermogen was.
2436 Ze had er geen belang bij om te weten of dit meisje van het Zeevolk sterker dan haar zou worden. Helemaal niet. Talaan schuifelde met haar blote voeten op het groene tapijt en deed een vergeefse poging om het schild te breken, dat Nynaeve gemakkelijk op zijn plaats hield.
2437 Alle stoelen in de kamer waren tegen de muur gezet, hoewel er eigenlijk geen open ruimte nodig was. Zaide keek toe bij de lessen, in het gezelschap van zes windvindsters. Ze was gekleed in een overdaad van fel gekleurd linnen en rode, gele en blauwe zijde die met gouddraad doorweven was.
2438 Ze was een slanke, koele en terughoudende vrouw die bijna even lang was als Aviendha en boven Zaide uittorende. Dat was de juiste plek, voor zover Nynaeve wist, maar aan Zaides linkerzijde zat Senine, die dienst deed op een scheerder, een van de kleinere schepen van het Zeevolk.
2439 Dit verwees Caire en Tebreille naar de buitenste stoelen, terwijl zij windvindsters van golfvrouwes waren. Ze droegen in elk oor vier massieve oorringen en bijna evenveel muntjes als Zaide zelf. Misschien was het alleen maar om de twee hooghartig kijkende zusters uit elkaar te houden.
2440 Een vrouw kon van die pogingen gek worden. Nynaeve bromde wat, rukte haar stola recht en bereidde haar stromen voor. De zuivere vreugde van het vasthouden van saidar kon nauwelijks op tegen haar ergernis. Probeer het nog eens, Nynaeve. Nog één keer, Nynaeve. Doe het nu, Nynaeve.
2441 Al te vaak dingen die ze nauwelijks kende, moest ze met tegenzin toegeven; ze had niet echt veel oefening in de Toren gehad. Als ze een keertje onhandig deed, had Renaile er buitengewoon veel plezier in om haar te laten zweten. Dat deden de anderen ook, maar zonder dat plezier.
2442 Ineens schoten zes wevingen van Lucht op Nynaeve af, die ze snel met Vuur doorsneed. De afgesneden stromen schoten terug naar Talaan en bezorgden haar een zichtbare schok. Maar voor de stromen goed en wel verdwenen waren, schoten er zes nieuwe op Nynaeve af, sneller dan eerst.
2443 En Nynaeve sneed weer. En merkte verbijsterd dat Talaans weving van Geest om haar heen flikkerde, zich om haar heen wikkelde en haar van de Bron afsneed. Ze was afgeschermd! Talaan had haar afgeschermd! Als laatste vernedering grepen stromen Lucht haar armen en benen stijf vast en kreukten haar rok.
2444 Geërgerd schudde ze aan haar stola en liet die in de kromming van haar ellebogen glijden. Ze hoefde het meisje niet te zeggen dat ze geluk had gehad. Ze was snel, zeker, maar Nynaeve wist niet of ze zelf nog veel langer in staat was te geleiden. Ze was op dit moment zeker niet op haar best.
2445 Zaide legde nooit iets uit en verontschuldigde zich nergens voor. Ze verwachtte gehoorzaamheid. Nynaeve overwoog haar te zeggen dat ze helemaal niets kon zien van wat ze aan het doen waren, maar ze verwierp de gedachte onmiddellijk. Niet met zes windvindsters in de kamer.
2446 Twee dagen geleden had ze haar mening vrijelijk geuit en de gevolgen daarvan wilde ze niet nog eens ondervinden. Ze had geprobeerd het te zien als een boetedoening voor het spreken zonder nadenken, maar dat hielp niet veel. Ze wenste dat ze hun nooit geleerd had om te koppelen.
2447 Dacht ze dat Nynaeve deze keer niet zou worden afgeleid door onnodige stromen Lucht? Talaans weving begon zich om haar heen te krullen en snel spon ze haar eigen weving om dat van Talaan op te vangen. Ze zou voorbereid zijn wanneer Talaan stromen Lucht zou maken. Of misschien geen Lucht deze keer.
2448 Niet iets gevaarlijks, toch. Dit was een oefening. Maar Talaans stroom Geest maakte de krul niet af en Nynaeve haalde breed uit, terwijl Talaans stroom recht op haar afsprong en haar vasthield. Opnieuw verdween saidar en drukten stromen Lucht haar armen tegen haar zij en snoerden haar knieën vast.
2449 Gehoorzaam hield Talaan het schild en de stromen rond Nynaeve vast, zodat die als een standbeeld moest blijven staan – stomend als een ketel die te lang op het vuur staat. Ze weigerde om rond te schuifelen als een gebroken speelpop, en dat was behalve stilstaan alles wat ze kon.
2450 Het is bekend hoe Aes Sedai de waarheid als een draaikolk rond laten wentelen. Windvindsters, vorm een cirkel. Kurin, jij leidt. Als ze uitbreekt, zorg je ervoor dat ze geen kwaad doet. Als aanmoediging... leerling, bereid je voor om haar ondersteboven te draaien als ik tot vijf heb geteld.
2451 Ze duwrde harder tegen het schild, en toen zo hard als ze kon. Ze had net zo goed haar hoofd tegen een rotsblok kunnen slaan. Wild en volkomen ondoordacht vocht ze tegen de stromen Lucht die haar vasthielden. De franje en losse plooien van haar stola dansten om haar heen.
2452 Ze kon de Bron erachter voelen, bijna zien, zoals warmte en licht vanuit een ooghoek. Wanhopig en hijgend tastte ze het gladde oppervlak af. Er zat een rand aan, bijna als een cirkel, maar toen ze probeerde om de rand heen te glippen merkte ze dat ze weer in het midden van die gladde cirkel was.
2453 Ze had dit allemaal al lang geleden geleerd en al lang geleden geprobeerd. Haar hart bonsde en leek uit haar ribbenkast te willen springen. Ze vocht tevergeefs om haar kalmte te bewaren en probeerde weer de rand te vinden, zonder te proberen aan de andere kant van de cirkel te komen.
2454 Er was één enkele plek waar het... zachter aanvoelde. Dat had ze nooit eerder opgemerkt. Dit zachte punt, een kleine bobbel, leek in niets van het overige schild te verschillen en was niet erg veel zachter, maar ze gooide zichzelf er tegenaan. En merkte dat ze weer terug was in het midden.
2455 Opnieuw. O Licht! Alsjeblieft! Ze moest! Voordat...! Ineens besefte ze dat Zaide nog steeds geen vijf had gezegd. Ze hijgde alsof ze tien span had gehold en staarde in het niets. Het zweet rolde over haar gezicht en rug. Het droop tussen haar borsten en gleed over haar buik naar beneden.
2456 Haar benen trilden. De golfvrouwe keek haar recht aan en tikte nadenkend met een slanke vinger tegen haar volle lippen. De gloed hing nog steeds om de cirkel van zes en Kurin had nog steeds een afwijzend standbeeld kunnen zijn, maar Zaide had nog steeds geen vijf gezegd.
2457 Tot ze de kamer had verlaten, was ze nog steeds de lerares. Het Zeevolk was onverbiddelijk in hun regels. Nynaeve nam aan dat slappe regels op schepen tot moeilijkheden konden leiden, maar ze had liever gehad dat het Zeevolk zich er bewust van was dat het nu niet op een schip was.
2458 Erger nog, hun regels aangaande leraren onder de landrotten waren heel duidelijk. Ze nam aan dat ze gewoon elke medewerking had kunnen weigeren, maar als ze hun overeenkomst maar een haarbreedte zou schenden, zouden deze vrouwen het van Tyr tot aan het Licht mocht weten waar laten weten.
2459 En de zusters zouden geen dikke buidels met goud krijgen om andere leraren aan boord te nemen. Zaide en de windvindsters reageerden alsof de scheepsjongen haar vertrek had aangekondigd. Ze stonden gewoon in een stille groep te wachten tot ze weg was, en niet bepaald geduldig.
2460 Als alles gezegd en gedaan was, was ze weer een windvindster. Talaan stond nog steeds nederig waar ze was achtergelaten, een meisje dat naar het tapijt onder haar blote voeten staarde. Met opgeheven hoofd en rechte rug verliet Nynaeve de kamer met alle waardigheid die ze nog kon opbrengen.
2461 En schrok op toen ze zag wie haar in de gang opwachtte. Op het eerste gezicht leek Alivia, in eenvoudige blauwe kleding die ze van een lid van de Kinne had gekregen, een gewone vrouw. Ze was wat langer dan Nynaeve, met fijne rimpeltjes in haar ooghoeken en witte strepen in haar goudgele haar.
2462 Ze wenste dat ze meer als de andere zusters kon zijn, die zonder nadenken de kracht van andere geleidsters kenden, maar dat was ook iets dat ze nooit had kunnen leren. Misschien konden sommige Verzakers Alivia overtroeven, maar beslist niemand anders. En ze was een Seanchaanse.
2463 Het zou niet erg leuk zijn als het Zeevolk naar buiten kwam en bedacht dat ze aan het afluisteren was, maar ze haastte zich beslist niet. Ze wilde alleen maar stevig doorstappen. Dat was alles. De vrouwen van het Zeevolk waren niet echt degenen in het paleis die ze wilde vermijden.
2464 Ze wilden haar niet echt de les lezen over hoe ze de waardigheid van de Witte Toren behoorde te bewaren. Zover waren ze nog niet gegaan, maar ze schenen er wel steeds dichterbij te komen. De hele maaltijd zou een en al puntige vragen opleveren en nog puntiger opmerkingen.
2465 Maar geen enkele opdracht om ermee op te houden. Ze betwijfelde of ze dat zouden doen zonder dat er een rechtstreeks bevel werd gegeven. En ze waren heel goed in staat om haar op te zoeken als ze niet kwam. Hun zeggen dat ze wat meer pit moesten tonen, was een verschrikkelijke fout gebleken.
2466 O, ik zie het al. Onder elkaar zijn we heel aanhankelijk hoor, maar in het openbaar moet ze alles vermijden waaruit voorkeur blijkt. Dat is een ernstige misdaad bij ons. Het zou moeder haar rang kunnen kosten en we zouden béiden ondersteboven aan de ra worden opgehesen om gegeseld te worden.
2467 Het voelde heerlijk om op zijn kracht te steunen, al was het maar even, terwijl hij haar haren zacht streelde. Zelfs als ze daarvoor zijn gevest uit haar ribben moest schuiven. En wie grote ogen opzette bij dit openlijke vertoon van aanhankelijkheid, mocht zichzelf ophangen.
2468 Ook al zou ze regen Zaide en de anderen zeggen dat ze geen plannen had om Talaan ook maar ergens mee naartoe te nemen, ze zouden haar villen. Deze keer zou ze dat niet voor Lan kunnen verbergen, als ze dat de eerste keer al had gekund. Reanne en de anderen zouden ervan horen.
2469 En Alise! Ze zouden haar net als Merilille gaan behandelen. Haar opdrachten negeren, haar evenveel eerbied betonen als de windvindsters Talaan. Ze zou worden opgezadeld met het bewaken van Alivia. Het zou rampzalig worden en de allergrootste vernedering zou haar ten deel vallen.
2470 Het was niet echt een grap geweest. Een echtgenoot betekende dat ze geen bed met een andere vrouw hoefde te delen, of zelfs twee, en het leverde haar een zitkamer op. Het was niet groot, maar het leek altijd gezellig te zijn, met een goed haardvuur en een kleine tafel met vier stoelen.
2471 Het was beslist genoeg voor haar en Lan. Haar hoop op enige afzondering verdween echter zodra ze de zitkamer binnenkwam. Midden op het gebloemde tapijt wachtte de huisvrouwe haar op, zo statig als een koningin, zo keurig alsof ze zich net had aangekleed, en in een heel boze bui.
2472 Hoe hij soms haar gedachten kon lezen terwijl een ander zijn binding hield, was haar niet duidelijk. Maar ze was er blij mee. Ze was erin geslaagd om in de Ene Kracht althans gelijkwaardig te zijn aan Talaan, maar ze betwijfelde of ze nu met de Ene Kracht een stoel omver kon gooien, ik heb geen.
2473 Het was moeilijk om iets anders te zien dan die vreselijke wrat, maar ze had de man zeer zeker nog nooit eerder gezien. Zaken van de vrouwenkring. Geen man mocht daar iets van opvangen. Het was geheim. Maar ze bleef saidar vasthouden, ik weet... het weer. Dank u, vrouwe Harfor.
2474 Ze snoof. Roddel en achterklap, daarover gingen negen van de tien mannenpraatjes. Vermoeid liet ze saidar los. Met tegenzin. Ze hoefde zich zeker niet tegen Rhand te beschermen, maar ze zou het nog een beetje langer hebben willen vasthouden, het gewoon willen aanraken, vermoeid of niet.
2475 Het kostte wat moeite, maar ze omhelsde saidar en stak beide handen uit. Ze hield zijn hoofd in haar handen en weefde moeizaam een Delving. Ze had geprobeerd om een betere manier te vinden om achter iemands kwaal te komen, maar tot op heden was dat niet gelukt. Het was genoeg.
2476 De weving gleed om hem heen en haar adem stokte. Ze had op Falme van de wond in zijn zijde gehoord, een wond als een puist van kwaad in zijn vlees, die nooit helemaal genas en alle bestaande Heling weerstond. Nu had hij een andere half geheelde wond, boven de oude, en ook deze klopte van het kwaad.
2477 Een ander soort kwaad, een spiegel van het kwaad in de eerste wond, maar even kwaadaardig. En ze kon geen van beide met de Ene Kracht aanraken. Ze wilde het ook niet echt, de gedachte eraan liet haar huid kriebelen, maar ze probeerde her toch. En iets onzichtbaars hield haar tegen.
2478 Als een ban. Een ban die ze niet kon zien. Een ban van saidin? Ze hield op met geleiden en deed een stapje terug. Ze hield de Bron vast; hoe vermoeid ze ook was, ze zou zichzelf moeten dwingen om die los te laten. Geen zuster kon zonder iets van angst aan de mannelijke helft van de Kracht denken.
2479 Ze was erg blij dat Lan er was, hoe moeilijk het ook was om dat toe te geven. Plotseling besefte ze dat hij zich totaal niet ontspannen had. Hij mocht dan als een oude bekerde met Rhand babbelen, hij vond Rhand gevaarlijk. En Rhand keek naar Lan alsof hij dat wist, en het aanvaardde.
2480 Ze wist niet of hij het over zijn wonden had of over Mart. Uit de tas haalde hij twee beelden, elk een voet hoog. Het ene beeld was een wijs uitziende man met een baard, het andere een wijze en kalme vrouw. Beide figuren waren gekleed in wapperende gewaden en hielden een kristallen bol omhoog.
2481 Ze vond dat Rhand dit wel heel openbaar maakte en soms maakte dat verschuiven van openlijk naar besloten haar duizelig, maar het kon haar niet schelen dat Lan voor zijn beurt had gesproken. Dat was slecht van hem, maar ze hield van een uitgesproken man. Ze moest nadenken.
2482 Eigenlijk wilde ze zo hard mogelijk rennen, hoewel haar donkerblauwe rok haar waarschijnlijk wel zou laten struikelen. Ze kon bijna voelen hoe zijn uitpuilende ogen haar en haar gezellinnen volgden. Niet meer dan een kleine ergernis, die zou overgaan; een zandkorrel in haar muiltje.
2483 Je kon er beslist vrijer in rondlopen dan in een rok. Maar niet met laarzen met hakken, bedacht ze. Daardoor was Min bijna even lang als Aviendha, maar zelfs Birgitte zwikte op zulke laarzen. Mins strakke broek en haar jasje dat maar net tot de heupen reikte, zagen er beslist gewaagd uit.
2484 Wat moest ze met hen aan? Ze móésten elkaar aardig vinden. Dat móést gewoon. Maar de twee vrouwen hadden elkaar na hun eerste ontmoeting aangekeken als een stel vreemde katten in een kleine kamer. Zeker, ze hadden overal mee ingestemd, maar dat was gewoon omdat niemand een andere keus had.
2485 Achteloos spelend, zonder iets wat op dreiging wees, maar ook heel openlijk. Niettemin was Aviendha behoorlijk onder de indruk gekomen van de vele messen die Min bij zich droeg. Een slungelige jonge dienaar die een blad met hoge glaskappen voor de staande lampen droeg, boog toen ze voorbijliep.
2486 Het splinteren van brekend glas op de vloer was in de hele gang te horen. Elayne zuchtte opnieuw. Ze hoopte dat iedereen snel aan de nieuwe omstandigheden zou wennen. Uiteraard was zijzelf niet degene die zoveel aandacht trok, en ook Aviendha en zelfs Min waren niet de reden van de opschudding.
2487 Dat was niemand gewend, ook niet na Rhand en zijn Speervrouwen. Maar Birgitte had gezegd dat ze de lijfwachten ceremonieel zou aankleden en dat had ze gedaan. Zodra ze de vorige avond Elaynes kamers verlaten had, moest ze iedere naaister en kleedster in het paleis aan het werk hebben gezet.
2488 Ze hingen bijna tot op de knieën. Daaronder droegen ze scharlaken broeken met een witte bies. De mouwen en de hals liepen uit in uitbundig kantwerk en hun zwarte laarzen leken wel spiegels, zo glanzend waren ze gepoetst. Ze zagen er heel fraai uit en zelfs de zo kalme Deni stapte ietwat hanig rond.
2489 Birgitte wilde borstkurassen voor vrouwen en Elayne vermoedde dat de ogen van de wapenmeester zeker hadden uitgepuild. Op dit moment was Birgitte druk bezig om vrouwen te ondervragen om er twintig voor de lijfwacht te kiezen. Elayne kon voelen dat ze niet lichamelijk maar geestelijk bezig was.
2490 Ze hoopte ook dat Birgitte het zo druk had dat ze het niet zou merken wanneer zij de binding zou versluieren, tot het te laat was. Het was gek dat ze zo vaak had zitten piekeren hoe ze Birgitte kon buitensluiten, terwijl de oplossing een eenvoudig antwoord van Vandene op Elaynes vraag was geweest.
2491 Het had haar er ietwat berouwvol aan herinnerd hoe veel minder ze eigenlijk wist dan een volleerde zuster, vooral van zaken die de andere zusters als vanzelfsprekend aanvaardden. Kennelijk wist iedere zuster met een zwaardhand dat je de binding kon versluieren, zelfs ongebondenen.
2492 Als ze geen lijfwacht had genomen en zich daardoor was gaan afvragen hoe ze hen én Birgitte kon ontlopen, zou ze nooit de binding hebben leren versluieren. Niet dat ze al snel van plan was om aan haar lijfwacht te ontkomen, maar je kon maar beter voorbereid zijn voor het geval het nodig zou zijn.
2493 Geen van beiden was er echter met een excuus vandoor gegaan om Birgitte op de hoogte te stellen. Als de twee haar lijfwacht waren, dan waren ze de hare en niet die van Birgitte. Maar ze zou Birgitte er niet buiten kunnen houden als ze nu niet snel de binding versluierde.
2494 Ze besefte dat ze stond te treuzelen. De man van wie ze elke nacht droomde, was aan de andere kant van die deur, en ze stond hier als een onnozel wicht. Ze had zo lang gewacht en zo veel gewild, en nu was ze bijna bang. Ze wilde dit niet uit de hand laten lopen. Met enige moeite sterkte ze zich.
2495 Die verschrikkelijke vermomming die Min beschreven had, was weg, op de sjofele kleren en grove handschoenen na, en hij was... zo mooi en knap. Ook Rhand sprong overeind toen hij haar zag, maar voor hij helemaal rechtop stond, wankelde hij, greep de tafel met beide handen vast en kokhalsde heftig.
2496 Ze had gehoopt dat het zo zou zijn, dat zij dat kon opbrengen terwille van haar eerstezuster, en nu bleek dat haar geen enkele moeite te kosten. Het kostte hem zichtbaar moeite om rechtop te staan en zijn ogen van haar en Aviendha los te rukken, hoewel hij het probeerde te verbergen.
2497 Was de Bond Egwenes leger? Was Mart erbij? Nynaeves grote onschuldige ogen hadden haar schuld niet duidelijker kunnen maken dan een heraut onder het venster. Elayne nam aan dat het niets uitmaakte. Hij zou de waarheid snel genoeg horen, als hij omgepraat kon worden om naar Egwene te gaan.
2498 Of een vuist te schudden. Ze wist niet zeker wat het moest worden. De andere zusters. De échte Aes Sedai, had hij willen zeggen. Hoe durfde hij. En zijn vriendinnen in de Toren! Geloofde hij nog steeds Alviarins vreemde brief? Haar stem klonk koel, streng en rustig, en duldde geen onzin.
2499 Zijn gezicht hleef een stenen muur. ik hou van je, Aviendha. Ik hou van je, Min. Ik hou van jullie allemaal evenveel. Ik wil er niet één. Ik wil jullie alledrie. Zo, dat is gezegd. Ik ben weerzinwekkend. Nu kunnen jullie weggaan zonder om te kijken. Het is trouwens waanzin.
2500 Ze voerde iets in haar schild, en als ze voor haar plannetje haar gezag niet wilde gebruiken, was het iets waarvan zelfs zij wist dat het niet goed was. Plotseling scheen Rhand te golven, alsof de lucht om hem heen trilde van de warmte, en werden alle gedachten uit Elaynes hoofd verjaagd.
2501 Dat zal een eind maken aan hun gedachten over mijn geheime minnaar, bedacht Elayne, en lachte vermaakt in zichzelf. Ze wist dat hij evenveel blikken trok als de gardisten, terwijl hij met een misnoegde blik tussen hen in voort schuifelde. Er was beslist niemand die kon vermoeden wie hij was.
2502 Licht, hij had best een iets minder afschuwelijke vermomming kunnen gebruiken. Maar Rhand was in haar kamer. Hij liep naar de tafel en leunde ertegenaan. De lucht om hem heen begon weer te rimpelen en hij werd weer zichzelf. De draken op zijn onderarmen gloeiden metalig in scharlaken en goud.
2503 Hij moest nu ijskoud zijn. Ze had niet verwacht dat ze al zo snel weer naar haar kamers zou terugkeren en het vuur in de haard was niet meer dan een smeulende laag as. Maar voor zover ze kon zien, deed hij geen poging om de wijn door geleiding te verwarmen, want dan had ze stoomwolkjes moeten zien.
2504 Als hij hun afleidingspoging had doorzien, dan had Nynaeve dat zeker. Waarom had ze hen laten gaan? En hoe had hij het doorzien? Aviendha schudde vragend haar hoofd. Dat deed Min ook, maar met een grijns die zei dat je dit soort dingen van tijd tot tijd moest verwachten.
2505 Je weet wat dat betekent voor degene aan wie ik gebonden ben. Zelfs als ik niet gek word, zal ze mijn sterven meebeleven! En wat bedoel je met alledrie? Min kan niet geleiden. Nou ja, het maakt ook niet uit. Alanna Mosvani was jullie voor, maar zij nam de moeite niet om het te vragen.
2506 Als ze de kans kreeg, sneed ze Alanna van top tot teen open, omdat ze hem had aangeraakt, maar Aviendha en Min waren anders. Ze vormden een deel van haar. Op een bepaalde manier waren zij haar, en was zij hen. Haar stem werd zachter, ik vraag het je, Rhand. Wij vragen het.
2507 Alsof hij dat besluiten kon! Ze opende zich voor saidar, verbond zich met Aviendha en schonk haar een glimlach. Het was altijd een genoegen om met haar eerstezuster op een diepere manier gevoelens van geest en lichaam te delen. Het leek veel op wat ze spoedig met Rhand zouden delen.
2508 Door die plechtigheid was ze op de gedachte gekomen. Zorgvuldig weefde ze Geest, een stroom van ruim honderd draden, elke draad precies op zijn plaats, waarna ze de weving rond Aviendha plaatste. Daarna deed ze hetzelfde met Min. Op een bepaalde manier waren het helemaal geen losse wevingen.
2509 Ze kon de stromen niet zien, maar ze toonde een zelfverzekerde grijns, die enigszins werd bedorven doordat ze haar lippen natmaakte. Elayne haalde diep adem. In haar ogen waren de drie omgeven en verbonden door een maaswerk van Geest waarbij het fijnste kantwerk grof zou lijken.
2510 Als het nu maar ging zoals ze geloofde dat het zou gaan. Uit elk van hen liet ze de weving in smalle lijnen naar Rhand toestromen, waarbij ze drie stromen in elkaar draaide en veranderde in de zwaardhandbinding. Die binding legde ze Rhand op, zo zacht als een dekentje op een klein kind.
2511 Hoe kun je dat verdragen? Sommige pijnen schijn je niet eens meer te kennen! Heb je er zo lang mee geleefd dat ze een deel van je zijn geworden? Die reigers op je handpalmen; je kunt het branden nog steeds voelen. Die dingen op je arm doen pijn! En je zij. O Licht, je zij.
2512 De pijn van wonden die hij werkelijk vergeten had. De spanning en het ongeloof; de verbazing. Maar zijn gevoelens waren onbuigzaam, als aderen van gestolde dennenhars, bijna steen. Er klopte en gloeide echter goud doorheen. Telkens als hij naar Min of naar Aviendha keek.
2513 Bloed en as! Hoe pakten andere vrouwen dit aan? Zorgvuldig nam ze de gebundelde indrukken in haar hoofd in ogenschouw. Die van hem en die van Birgitte. In die tweede was nog niets veranderd. Ze stelde zich voor hoe ze Birgittes indruk in een zakdoek wikkelde en die stevig dichtknoopte.
2514 Alleen maar om te laten zien wie er hier een kind was. De magere vrouw was niet jong meer, maar haar haren vertoonden nog geen spoortje grijs en ze zag er behoorlijk sterk uit. En snel. Min wilde graag geloven dat de forse figuur van de ander ook best uit vet kon bestaan, maar dat deed ze niet.
2515 Uit haar ooghoek zag ze hoe de Aielse met tegenzin haar mes losliet. Licht, als Aviendha haar niet telkens zo precies na aapte, ging ze nog geloven dat er meer in dat gehanseflans met de Ene Kracht zat dan haar was verteld. Aan de andere kant was het al begonnen voor dat gedoe met de Kracht.
2516 Min hoopte dat ze hun werk goed deden. Ze is helemaal niet zo dom, dacht ze. Maar soms laat ze zich leiden door haar moed. Ze hoopte dat de gardisten Elayne niet in doornstruiken zouden laten lopen waar ze niet weer uit kon komen. Al lopende bekeek ze de Aielse van opzij.
2517 Aviendha liep naast haar, maar zo ver van haar vandaan als de gang toeliet. Zonder naar Min te kijken haalde ze een zwaarbewerkte ivoren armband uit haar beurs en liet hem met een tevreden glimlachje over haar linkerpols glijden. Al vanaf het begin had iets haar gestoken, en Min wist niet wat.
2518 Aiel waren volgens iedereen gewend dat vrouwen een man deelden. Dat was heel wat meer dan zijzelf kon opbrengen. Ze hield alleen zo verschrikkelijk veel van hem dat ze bereid was om hem te delen, en als het dan toch moest, was er niemand ter wereld met wie ze hem liever wilde delen dan met Elayne.
2519 Bij haar leek her helemaal geen delen. Maar deze Aielse was een vreemdelinge. Elayne had gezegd dat het belangrijk was dat ze elkaar leerden kennen, maar hoe kon dat nou als de ander niet met haar wilde praten? Ze verspilde echter weinig tijd aan het zich zorgen maken over Elayne of Aviendha.
2520 Hoe zou het zijn om na dit alles met hem te vrijen, als zij alles van hem wist! Licht! Natuurlijk zou hij ook alles van haar weten. En wat ze daarvan dacht, wist ze nog niet zeker. Ineens besefte ze dat die bundeling van gevoelens en indrukken niet meer hetzelfde was. Er was een soort van.
2521 Opnieuw struikelde ze en deze keer moest ze zich vastklampen aan een kist. O Licht! Elayne. Haar gezicht voelde aan als een laaiende haard. Alsof ze door de bedgordijnen gluurde! Haastig probeerde ze Elaynes kunstje en probeerde die bal van gevoelens in een doek te knopen.
2522 Dienaren draaiden zich om en staarden. Min schoof naar het midden van de gang. Ze wilde de ander halverwege tegemoet komen, meer niet. Even later voegde Aviendha zich bij haar. Min vroeg zich af of ze haar moest vertellen wat ze gezien had toen ze allemaal bij elkaar waren.
2523 Vier! Een vierling! Maar er was iets vreemds aan. De kinderen waren gezond, maar wel vreemd. En mensen hielden er vaak niet van om iets over hun toekomst te horen, zelfs al zeiden ze dat ze dat wel wilden. Ze wenste dat iemand haar kon zeggen of zij Zwijgend liepen ze naast elkaar door.
2524 Over toh en hachje, bedoel ik. Ik weet iets van jullie gebruiken. Maar er is iets aan die man wat me onbeschaamd maakt. Ik kan mijn tong niet beheersen. Maar geloof maar niet dat ik me door jou laat slaan of snijden. Misschien heb ik toh, maar dan moeten we het op een andere manier proberen.
2525 Wat was dat een vuilbek! En wat bedoelde ze met dat Zilverboog dood was? De vrouw stond voor haar neus! Bovendien was ze er zeker van dat die vele, vele beelden en lichten, die zo snel en onduidelijk voorbij waren geflitst, meer avonturen aangaven dan een vrouw in een heel leven beleefd kon hebben.
2526 Vreemd genoeg waren enkele van die beelden verbonden met een lelijke man die ouder was dan zijzelf, en andere met een lelijke man die veel jonger was, maar Min wist ergens dat het om dezelfde man ging. Legende of geen legende, die hooghartige houding ergerde haar gruwelijk.
2527 Ze kon nauwelijks geloven dat zij dat was geweest en vond dat ze moest blozen als de zon! Maar ze wilde alleen zijn met Rhand en ze geloofde niet dat ze ooit nog zou blozen, niet om iets wat met hem verbonden was. Het mooiste was nog dat hij een geschenk had achtergelaten.
2528 Hij stond de jongen te na en dus wilde zij hem niet voor het blok zetten of zijn eed laten breken. Terugkijkend op haar leven kon ze zich haar falen herinneren, fouten waaraan ze soms met bittere spijt dacht en die levens hadden gekost, maar nu kon ze zich geen fouten of falen veroorloven.
2529 Haar zeilvrouwe, Derah din Selaan, een jongere vrouw in het blauw, zat op een stoel die zorgvuldig een voet achter de stoel van de golfvrouwe was geplaatst. Dit vonden zij gepast. Het tweetal had een beeldhouwwerk van zwarthouten woede kunnen zijn en hun buitenlandse sieraden versterkten dat beeld.
2530 De jongen leek niet te weten wat hij moest doen toen ze niets pakten. Met een onzekere frons hield hij de buiging vol tot Daigian aan zijn rode jas trok en hem, glimlachend als een vermaakt koerende kropduif, wegleidde. Een slanke jongeman met een grote neus en grote oren.
2531 Nesune had een groot in hout gebonden boek uit de librije van het paleis op een lessenaar voor haar stoel. Net als de anderen droeg ze een eenvoudig wollen kleed dat meer bij een koopvrouw hoorde dan bij een Aes Sedai. Als ze de zijden kleding al misten, lieten ze het niet blijken.
2532 Sarene, met haar dunne vlechten met kralen, stond aan een groot borduurraam te werken en haar naald maakte de kleine steekjes van een nieuwe bloem in een veld vol bloemenpracht. Erian en Beldeine speelden Steen, terwijl Elza toekeek en haar beurt afwachtte om tegen de winnaar te spelen.
2533 Maar dit vijftal was wel heel zwaar gestraft voor zijn ontvoering en had het besluit tot een eed van trouw al genomen nog voor hij in de buurt was. Aanvankelijk was ze geneigd hun verschillende verklaringen te slikken, maar de laatste paar dagen had die neiging zware schokken te verdragen.
2534 Harine blies zich op als een adder en begon opnieuw te klagen over haar rechten en eisen, maar Cadsuane luisterde maar half. Ze kon Erian bijna begrijpen, een bleke Illiaanse met zwart haar, die trots bleef hameren op het feit dat ze naast hem diende te staan wanneer hij de Laatste Slag streed.
2535 Ook een Groene en nog rechtlijniger dan de meesten. Nesune boog zich naar voren om naar haar boek te turen en leek op een vogel die met zwarte ogen een worm bekeek. Een Bruine die een vat met een schorpioen zou instappen als ze wist dat ze daardoor iets nieuws kon leren.
2536 Aanvaardbare en idiote redenen, maar ze had ze kunnen geloven als die anderen er niet waren geweest. De deur naar de voorhal ging open en Verin en Sorilea kwamen binnen. De verweerde Aielse met het witte haar overhandigde iets kleins aan Verin, dat de Bruine zuster in haar beursje stak.
2537 Ze aarzelde amper voor ze haar donkergrijze rok spreidde voor een kniks. De Wijzen hadden hun geleerd meteen op te springen op een woord van een Wijze. Het was niet iets wat een zuster zich gemakkelijk eigen maakte, maar het was meer dan die gewoonte dat ze zo rap gehoorzaamden.
2538 Cadsuane betreurde het bijna dat ze dat lichtzinnige bevel had gegeven. Sarene zou het precies zo uitvoeren. Die vrouwen waren een ergernis en tot dusver nog steeds nutteloos. Haar ergernis moest opgelost worden, zodat ze haar aandacht aan echt belangrijke dingen kon schenken.
2539 Armbanden rinkelden toen ze haar omslagdoek goed schoof. Nog iemand in een slechte bui. Het Zeevolk had vreemde ideeën over die Aielwilden, hoewel die niet gekker waren dan die van Cadsuane, maar dat was voordat ze kennis had gemaakt met Sorilea. De Wijze moest niets van deze ideeën hebben.
2540 Sorilea was geen vrouw die je naar je toe liet komen. ledereen dacht dat ze een vriendschap ontwikkelden. Dat kon nog steeds gebeuren, besefte ze verbaasd, maar niemand wist van hun verbond. Eben verscheen weer met het blad en leek opgelucht toen ze haar halflege roemer erop plaatste.
2541 Ooit had ze gedacht dat ze op het punt stond de Zwarten uit te kunnen roken, maar ze zag die zelfopgelegde taak ook als rook door haar vingers wegdwarrelen. Het was haar bitterste nederlaag, afgezien wellicht van haar onwetendheid waarom de neef van Caraline Damodred door de Grenslanden zwierf.
2542 En van haar kant wilde Shalon al het mogelijke over hem en over de toestand hier te weten komen. Daaruit kwamen bijeenkomsten voort die tot vriendschap hebben geleid, en ten slotte deelden ze elkaars bed. Evenzeer vanwege hun eenzaamheid als vanwege dat andere, neem ik aan.
2543 Shalon is meen ik getrouwd met een man die elders plichten heeft en het verbreken van je trouwbelofte is bij het Zeevolk een zware misdaad. Inbreuk op hun strenge orde en gezag, blijkbaar. Als haar zus dit te weten komt, zal Shalon windvindster worden op een roeiboot. Zo zei ze het, geloof ik.
2544 Geef haar heel... vaag de verzekering dat haar vertrouwen niet beschaamd zal worden. Maar zorg ervoor dat ze goed beseft hoe vaag die toezegging is. Verzeker haar er wel van, met je hand op je hart, dat ze mij over alles wat haar broer aangaat, op de hoogte kan blijven houden.
2545 Toram Riatin kon nog steeds moeilijkheden veroorzaken, al leek zijn opstand in rook te zijn opgegaan. Eigenlijk interesseerde het haar niet wie op de Zonnetroon kwam, maar de intriges van mensen die een troon wel belangrijk vonden, veroorzaakten vaak last bij belangrijker zaken.
2546 Achter Verin glipte Corele naar binnen; ze sloot de deur zachtjes, alsof ze niemand wilde storen. Zo deed ze meestal niet. Ze was jongensachtig slank, dikke zwarte wenkbrauwen en heel veel glanzend zwart haar tot laag op de rug gaven haar een wild uiterlijk, ook al was ze nog zo netjes gekleed.
2547 Ze wreef over haar opgetrokken neus en keek aarzelend naar Cadsuane; de gebruikelijke sprankeling in haar ogen was niet te zien. Cadsuane maakte een gebiedend gebaar en Corele haalde diep adem, waarna ze over het tapijt schreed en met beide handen haar met geel afgezette blauwe rok vasthield.
2548 Iedere zuster koesterde ergens diep van binnen de vrees dat ze ooit zou worden afgesneden van de Ene Kracht. Nu was er een Heling ontdekt die heelde wat niet geheeld kon worden. Met de mannelijke helft van de Ene Kracht. Er zouden tranen geplengd worden en verwijten geuit voordat dit was verwerkt.
2549 Zusters van hier, maar ook anderen. Haar ogen en oren hadden jarenlang een wakend oog gehouden op Siuan Sanche en Moiraine Damodred, maar pas in Shienar had ze iets nuttigs ontdekt. Hoewel ze hen vertrouwde, wilde dat niet zeggen dat ze van plan was deze zusters hun eigen gang te laten gaan.
2550 In elk geval kon ze een zuster niet in die toestand laten. De deur sloeg open toen Jahar hollend binnenkwam. De zilveren belletjes aan het eind van zijn donkere vlechten tinkelden. Hoofden draaiden zich om naar de jongeman in de keurige blauwe jas die Merise voor hem had uitgekozen.
2551 Ze beval Jahar voor te gaan. Ook Verin liep mee en Cadsuane stuurde haar niet weg. Verin viel dingen op die anderen over het hoofd zagen. De bedienden in het zwart hadden geen enkel idee wie Jahar was, maar stapten ijlings voor Cadsuane opzij toen zij snel achter hem aanbeende.
2552 Ze had hem willen zeggen voort te maken, maar als ze nog iets sneller liepen, zou het hollen worden. Ze waren net uit de zonnekamer of een kleine man met een hoog kaalgeschoren voorhoofd en in een donkere jas met horizontale kleurenbanen stapte met een buiging voor haar.
2553 Ze heeft haar opstand en haar aanspraken op de Zonnetroon openlijk afgezworen, maar wellicht willen anderen haar gebruiken. Het was misschien onverstandig, Cadsuane Sedai, hen onder de hoede van bedienden te laten. Maar bij het Licht, u mag hun niets verwijten. Ze waren in staat hun twee.
2554 De kamer was niet groot en leek zelfs kleiner door de donkere houten panelen waar de Cairhienin zo dol op waren. Het was er overvol toen iedereen zich naar binnen had gewurmd. Merise knipte met een vinger, wees en Jahar trok zich terug in een hoek, maar dat hielp niet veel.
2555 Cadsuane vroeg zich af of ze hun bondgenootschap heroverwoog. Verin staarde eveneens naar Alanna en er lag doodsangst in haar ogen. Cadsuane had niet gedacht dat Verin ook maar voor iets bang was. Maar ook zijzelf voelde iets van pure angst. Als ze hierdoor haar band met de jongen kwijtraakte.
2556 Zichtmuren zorgden ervoor dat de gestreepte houten vloer omringd leek door een woud van vrolijke bloemenranken en fladderende vogeltjes die nog meer kleur vertoonden. De lucht was doordrongen van zoete geuren en zacht vogelgefluit. Alleen de boog van een poort bedierf dat waanbeeld.
2557 Een heel oude gewoonte. Hij ging gekleed als een vorst van deze Eeuw en droeg een jas die stijf stond van het goudborduursel, zodat het rood van de stof bijna niet te zien was, en laarzen met gouden kwasten. Er zat zoveel kant om zijn nek en polsen dat een kind ermee gekleed kon worden.
2558 Ze had zich hersteld en haar gewaad was weer een fraaie nevel, zij het nu rood. Misschien was ze niet zo kalm als ze zich voordeed. Het kon ook zijn dat ze hun wilde laten geloven dat ze haar opwinding probeerde te onderdrukken. Afgezien van de steel kwamen al haar sieraden uit deze Eeuw.
2559 Haar handen vormden klauwen en ze keek Graendal zo woest aan dat het leek of ze de keel van de ander wilde openrijten. Demandred ontspande zijn vuisten. Eindelijk was het openlijk gezegd. Hij had gehoopt dat Altor dood of gevangen zou zijn voor die achterdocht de kop opstak.
2560 Een zwart vlekje dreef voor Moridins blauwe pupillen langs, toen een volgende en een volgende, in een langzame stroom. De man moest sinds hun laatste ontmoeting alleen nog maar de Ware Kracht hebben gebruikt om zo snel zoveel saa op te bouwen. Zelf had hij de Ware Kracht alleen in nood aangeraakt.
2561 Moridin legde een hand op het hart alsof hij iedereen wilde tonen wat voor minnaar hij was en duwde met zijn wijsvinger Cyndanes kin omhoog. Haar ogen vonkten van afkeer, maar haar gezicht bleef een onbewogen lief poppengezichtje. Ze slikte in elk geval als een slappe pop zijn aardigheidjes.
2562 Demandred boog het hoofd en zijn nek deed hem evenveel pijn als de uitgesproken woorden. Dus zij mochten Altor oppakken, terwijl die trachtte Choedan Kal te gebruiken. Ja, ja, terwijl hij en een onbekende vrouw meer dan genoeg van de Ene Kracht putten om werelddelen te laten smelten.
2563 Door de hoge achterramen kon ze honderden andere grootschepen schuimend door de grijsgroene golven zien snijden, rij na rij, tot aan de einder. Vier keer zoveel schepen waren naar Tanchico gekoerst. De Rhyagelle, Zij die thuiskomen. De Corenne, de Terugkeer, was begonnen.
2564 De Kidron scheen gevolgd te worden door een hoogvliegende albatros, zeer zeker een voorteken van overwinning, hoewel de vleugels van de machtige vogel zwart waren in plaats van wit. Maar de betekenis moest nog steeds dezelfde zijn. Voortekenen veranderden op een andere plaats niet van betekenis.
2565 Toen ze een geplooid gewaad in de kleur van eeuwenoud ivoor over Tuons hoofd liet glijden, vergeleek de jongere vrouw zich onwillekeurig met Tuon in de hoge spiegel aan de binnenwand. De goudblonde Selucia bezat een statige schoonheid, met haar lelieblanke huid en koele blauwe ogen.
2566 Lidya was verantwoordelijk geweest voor haar boosheid gisteravond. Nee, zij was de oorzaak, maar Tuon was verantwoordelijk voor haar eigen gevoelens. Ze had de damane bevolen om haar lot te lezen en ze had niet het bevel mogen geven om haar af te ranselen omdat de woorden haar niet aanstonden.
2567 Bij haar binnenkomst verstijfden ze, als je dat tenminste kon zeggen van standbeelden. Het waren mannen met harde gezichten, en er was hun en vijfhonderd anderen persoonlijk opgedragen voor Tuons veiligheid zorg te dragen. Ieder van hen zou zijn leven geven om haar te beschermen.
2568 Iedere man was vrijwilliger en had gevraagd om in haar garde te mogen dienen. De grijze kapitein Musenge zag haar sluier en beval nu maar twee wachters om haar op het dek te begeleiden, waar twee dozijn in rood en groen geklede Ogier Gardeniers aan beide zijden van de deur een rij vormden.
2569 Tuon neeg het hoofd voor het Bloed en beklom het halfdek, gevolgd door de twee Doodswachtgardisten. De wind maakte het haar korte mantel moeilijk en drukte nu eens de sluier tegen haar gezicht en joeg die dan weer alle kanten op. Het maakte niet uit; het was voldoende dat ze de sluier droeg.
2570 Haar persoonlijke banier, twee gouden leeuwen die een strijdwagen uit vroeger tijden trokken, waaide op de achtersteven boven de zes roergangers, die moeite hadden met de lange roerstang. De Raaf en de Rozen was neergehaald zodra de eerste scheepsmaat haar sluier had gezien en dit had doorgegeven.
2571 Kidrons kapitein, een brede, verweerde vrouw met wit haar en ongelooflijk groene ogen, boog toen Tuons muiltjes het halfdek raakten en richtte haar aandacht weer op het schip. Bij de reling stond Anath in sombere zwarte zijde, en hoewel ze geen mantel droeg, scheen de kille wind haar niet te deren.
2572 Iedereen wist dat damane de toekomst konden voorspellen, en als iemand van het Bloed de voorspelling had opgevangen, zouden ze allemaal in het geheim over haar lot hebben zitten kletsen. Anath lachte grof en begon haar opnieuw te vertellen wat een dwaas ze was, deze keer met meer bijzonderheden.
2573 Veel meer bijzonderheden. Ze nam niet de moeite zachter te spreken. Kapitein Tehan staarde recht voor zich uit, maar haar ogen vielen bijna uit haar gerimpelde gezicht. Tuon deed of ze aandachtig luisterde, maar haar wangen werden roder en roder tot ze dacht dat de sluier zowat in vlammen opging.
2574 Weigeren om naar je waarheidsspreker te luisteren was heel erg. Misschien hoorde ze dat evenwicht toch te aanvaarden. Drie grote grijze dolfijnen doken naast het schip op en lieten een geluid horen. Het waren er drie en ze kwamen niet opnieuw boven. Houd vast aan de gekozen koers.
2575 Er werd gevochten, ze probeerden het in ieder geval, toen de soldaten zich toch een weg naar binnen baanden. Ik weet niet wat er gebeurd is – misschien had een soldaat een lantaarn bij zich op een plek waar dat niet zou mogen – maar het halve gebouw ontplofte, voor zover ik het begrepen heb.
2576 Toen hij plat op zijn rug lag met zijn benen in spalken en zijn ribben en de rest van zijn lichaam in het verband, had Tylin al zijn kleren verborgen. Hij had ze nog niet gevonden, maar ze waren toch zeker ergens weggestopt, niet verbrand. Ze kon hem toch niet voor altijd vasthouden.
2577 En de jas was ook nog eens te kort. Onbetamelijk kort! Ook Tylin vond dat hij een aardig kontje had en scheen het niet erg te vinden dat ook anderen het konden zien! Hij trok de mantel over zijn schouders – tenminste enige rugdekking – en greep zijn schouderhoge wandelstok, die naast de deur leunde.
2578 Hij hinkte de wagen uit en zodra hij de houten trap af was die aan de wagenbodem vastzat, sloeg hij de deur achter zich dicht. De lucht in de namiddag was grijs en bewolkt, net als die ochtend, en er stond een gure wind. Altara kende geen echte winter, maar wat het wel had, leek er heel aardig op.
2579 In plaats van sneeuw waren er ijzige regenbuien en stormen die vanaf de zee over het land raasden, en tussendoor was het vochtig genoeg om de kou nog erger te maken dan die feitelijk was. De grond voelde soppig onder je voeten, zelfs als het droog was. Scheldend hobbelde hij van de wagen weg.
2580 Een klokkengieter? Misschien kon hij er twee heel korte dagen van maken. Zolang Aludra maar niet achter hém aankwam. Dat schenen de laatste tijd behoorlijk wat vrouwen te doen. Had Tylin ergens iets aan hem veranderd, zodat vrouwen hem, net als zijzelf, najoegen? Nee, dat was belachelijk.
2581 De wind greep zijn mantel en liet hem opbollen, maar hij was te veel in gedachten om er iets aan te doen. Enkele slanke vrouwen – tuimelaars, dacht hij – lachten plagerig toen ze voorbijliepen; hij glimlachte terug en probeerde zich zo goed mogelijk voor te doen. Tylin had hem niet veranderd.
2582 Even verderop rénde een kerel boven op een eivormig wiel dat zeker een voet of twintig in doorsnee was en op een verhoging was gezet. Als hij boven op de smalle kant van het wiel stond, bevond hij zich hoger boven de grond dan de vrouw, die wel gauw haar stomme nek zou breken.
2583 Mart keek naar een man met ontbloot bovenlijf die drie glinsterende ballen over zijn armen en schouders liet rollen zonder ze met zijn handen aan te raken. Dat was niet onaardig. Misschien zou hij in staat zijn om hetzelfde te doen. Die ballen lieten je tenminste niet bloeden of iets breken.
2584 Van wat Mart over Vanin wist, zou het voor deze merkwaardige man niet moeilijker dan een avondwandelingetje zijn. Hoe dik hij ook was, Vanin kon elk paard dat ooit geboren was, stelen en berijden. Maar Mart twijfelde eraan of hijzelf wel langer dan een span in het zadel kon blijven.
2585 Maar hier zat hij, vast in Ebo Dar, als Tylins schoothondje. De vrouw had hem niet eens volledig laten herstellen voor ze als een eend in het kroos boven op hem was gesprongen! En de anderen hadden de tijd van hun leven. Nynaeve voerde de scepter over iedereen die binnen haar bereik was.
2586 Hij vertrok zijn gezicht en wreef over zijn voorhoofd toen een vage stroom kleuren in zijn hoofd scheen rond te draaien. Dat gebeurde de laatste tijd wel vaker als hij aan een van hen dacht. Hij wist niet waarom en hij wilde het niet weten ook. Hij wilde alleen maar dat het ophield.
2587 En uiteraard het geheim van het vuurwerk meenemen. Maar hij zou beslist een ontsnapping boven dat geheim verkiezen. Thom en Beslan zaten nog steeds daar waar hij hen had achtergelaten, drinkend met Luca voor diens overdreven versierde wagen, maar hij voegde zich niet direct bij hen.
2588 En hij leek te denken dat elke vrouw het prettig vond om naar hem te kijken. Licht, de man was getrouwd! Luca lag languit in een vergulde stoel die hij uit een of ander paleis had gestolen. Hij lachte en maakte brede, vorstelijke gebaren naar Thom en Beslan, die op bankjes naast hem zaten.
2589 Eén persoon die er had moeten zijn, was er niet, maar een snelle blik in het rond leverde een groepje vrouwen op bij een wagen vlakbij. Ze waren van verschillende leeftijden, van jong tot oud, maar ze stonden allemaal te giechelen om datgene waar ze omheen stonden. Zuchtend liep Mart erheen.
2590 Vrouwen! Toen hij de vrouwen achter zich had gelaten, schold hij de jongen uit, die blij naast hem voorthuppelde. Sinds Mart hem voor het eerst ontmoet had, was Olver wel gegroeid, maar hij was nog steeds klein voor zijn leeftijd. En met zijn brede mond en bijpassende oren zou hij nooit knap worden.
2591 Als Mart zijn krachten weer terugkreeg, was hij van plan de jongen te leren hoe je een vechtstok en de Tweewaterse boog moest gebruiken. Wat de jongen leerde van Chel Vanin of van de Roodarmen wilde Mart niet weten. Toen Mart dichterbij kwam, rees Luca op uit zijn fraaie stoel.
2592 Het was een donkere, slanke jongeman, iets jonger dan Mart, van een onbezorgde liederlijkheid toen Mart hem voor het eerst ontmoette. Hij was altijd in voor een kroegentocht, vooral als het eindigde met vrouwen of een gevecht. Maar na de komst van de Seanchanen was hij ernstiger geworden.
2593 Mart kreunde. Deze keer was het niet zijn been of het feit dat iedere man in Ebo Dar, behalve Mart Cauton, de boezem mocht kiezen waarop hij het hoofd kon laten rusten. Die rottige dobbelstenen waren zojuist opnieuw in zijn hoofd aan het rollen. Er kwam iets slechts zijn kant op.
2594 De wandeling over lage heuvels liet in eerste instantie de pijn uit Marts been verdreven, maar bracht die weer terug voor hij boven op een helling Ebo Dar zag liggen. De stad lag achter buitengewoon dikke, witgepleisterde muren, die geen blijde tijdens een beleg ooit kapot had kunnen slaan.
2595 De witgepleisterde gebouwen, de witte spitsen en torens en de witte paleizen blonken zelfs op een grijze winterdag. Hier en daar was het bovenste stuk van een toren verdwenen en op sommige plaatsen waren gaten te zien, omdat het gebouw dat er ooit had gestaan, was vernietigd.
2596 Maar al met al had de Seanchaanse verovering maar weinig schade veroorzaakt. Ze waren te snel en te sterk geweest, en hadden de stad al in handen voordat er slechts wat verspreid verzet kon worden georganiseerd. De handel had verrassend genoeg maar weinig geleden onder de val van de stad.
2597 Het scheen hem toe dat hij deze middag van Ebo Dar zelf naar de overkant had kunnen lopen, naar de Rahad, een onguur stadsdeel dat hij liever nooit meer wilde bezoeken. In de dagen nadat hij er voor het eerst in geslaagd was om weer te lopen, was hij vaak naar de havens gegaan om uit te kijken.
2598 Hij deed het niet langer meer. Vandaag keek hij nauwelijks naar de haven. De dobbelstenen die in zijn hoofd tolden, donderden als onweer. Wat er ook stond te gebeuren, hij betwijfelde of hij het aangenaam zou vinden. Dat deed hij zelden als de stenen een waarschuwing gaven.
2599 Wagens en karren verlieten in een gestage stroom de stad door de grote, overwelfde toegangspoort, terwijl mensen te voet zich naar binnen probeerden te worstelen en er buiten de muren een grote rij wagens en ossenkarren stond te wachten om binnen te komen. Er zat bijna geen beweging in.
2600 Ze hadden een huid zo donker als die van het Zeevolk of zo licht als die van een Cairhienin. Ze vielen op en niet alleen omdat ze te paard waren. Sommige mannen droegen wijde broeken en vreemd krappe jassen met hoge, nauwe kragen tot aan de kin en rijen blinkende knopen op de borst.
2601 Of ze droegen wapperende, geborduurde jassen die bijna net zo lang waren als een vrouwenrok. Deze laatsten waren van het Bloed, evenals de vrouwen in merkwaardig gesneden rijkleding met wijde mouwen die tot aan de stijgbeugels reikten. Aan hun voeten droegen ze fleurige laarzen.
2602 Zelfs de andere Seanchanen leken zenuwachtig te zijn als de gardisten in de buurt waren, en dat was voor Mart genoeg om met een grote boog om hen heen te lopen. Hoe dan ook, geen van de Seanchanen keek naar de drie mannen en een jongen die langzaam naast de rij wagens en karren naar de stad liepen.
2603 Door Marts been gingen ze niet zo snel, maar hij probeerde voor de anderen te verbergen hoeveel hij op zijn stok moest steunen. De dobbelstenen verkondigden gewoonlijk gebeurtenissen die hij maar ternauwernood zou overleven, zoals veldslagen of een gebouw dat instortte.
2604 Tylin. Hij vreesde wat er zou gaan gebeuren als de stenen deze keer zouden stilliggen. Bijna alle wagens en karren die de stad uitreden, werden vergezeld door Seanchanen, die op de bok zaten of ernaast liepen. Ze waren eenvoudiger gekleed dan de ruiters en zagen er helemaal niet vreemd uit.
2605 Hun wagens en karren werden door ossen getrokken. Hier en daar in de rij bevonden zich uitlanders, kooplieden met een kleine stoet door paarden getrokken wagens. In de winter was er in Ebo Dar meer handel dan verderop in het noorden, waar kooplieden zich over besneeuwde wegen moesten worstelen.
2606 Misschien wist ze nog steeds niet dat haar grijze ruin en de paardenspannen voor haar wagens in beslag zouden worden genomen als ze eenmaal in de stad was. De Seanchanen hadden een op de vijf paarden van de inwoners afgenomen, en, om de handel niet af te schrikken, een op de tien van de uitlanders.
2607 Een dikke Cairhienin in een jas die er net zo gewoon uitzag als de jassen die zijn voerlieden droegen, schreeuwde boos over de vertraging, en zijn fraaie roodbruine merrie danste zenuwachtig rond. De merrie was heel fraai gebouwd en zou waarschijnlijk naar een officier gaan.
2608 Olver sprong achter hen aan, maar toen Mart het daglicht weer instapte, liep hij tegen Thom op voor hij in de gaten kreeg dat iedereen vlak voor de tunneltoegang stil stond. Hij wilde een bitse opmerking maken, toen hij plotseling zag waar iedereen naar stond te staren.
2609 De straten van Ebo Dar waren altijd overvol, maar niet zoals nu. Het leek of een dam was gebroken en een vloed van mensen de stad was ingestroomd. De straat was over de hele breedte volgepakt. Mensen stroomden om kudden levende have heen, diersoorten die hij nog nooit eerder gezien had.
2610 Wagens en karren zochten zich stapvoets een weg door de massa, als ze al bewogen, en het geschreeuw en het gevloek van de voerlieden verdronken bijna in het lawaai van stemmen en dieren. Mart kon geen woorden onderscheiden maar wel tongvallen. Trage, lijzige Seanchaanse tongvallen.
2611 Op een andere wagen stond een groot druk raam, en weer een andere, die er net in was geslaagd de tunnel in te draaien, voerde de geur van hop mee en iets dat op brouwersvaten leek. Op sommige wagens waren kratten gestapeld met vreemd gekleurde kippen, eenden en ganzen – het pluimvee van een boer.
2612 Licht! Hoeveel hadden er sinds de ochtend hun lading kunnen lossen? Hoeveel moesten er nog gelost worden? Hoeveel mensen konden er op dat aantal schepen vervoerd zijn? En waarom waren ze hier naartoe gekomen in plaats van naar Tanchico? Een huivering liep langs zijn rug.
2613 Mart gromde zuur. Waarom wilde men toch altijd dat hij de held uithing? Vroeg of laat zou hij er in blijven, ik hoef nergens over te praten. Ze zijn hier, Beslan. Als je ze er vanmorgen al niet van kon weerhouden om binnen te komen, zul je nu zeker niet in staat zijn om ze eruit te werken.
2614 Suroth zegt dat ik iemand van het Bloed moet huwen en de zijkant van mijn hoofd moet scheren, en moeder luistert. Suroth doet net alsof ze gelijken zijn, maar mijn moeder móét luisteren als Suroth spreekt. Wat Suroth ook zegt, Ebo Dar is niet meer van ons, en de rest ook niet.
2615 Hij beet op zijn tong en weerhield zich ervan om te zeggen dat er meer Seanchaanse soldaten in Ebo Dar waren dan Witmantels in Altara tijdens de Witmantel oorlog. Een straat vol Seanchanen was geen plaats voor loslippigheid, ook al leken de meesten boeren en ambachtslieden te zijn.
2616 Hij drong zich de menigte in en schoof iedereen opzij die hem in de weg stond. Mart zou niet verbaasd hebben opgekeken als er een gevecht was uitgebroken. Hij vermoedde dat Beslan er een zocht. Thom draaide zich om en wilde met Olver achter Beslan aan, maar Mart greep hem bij de mouw.
2617 Nooit. Hij keek even besmuikt naar de magere vrouw en naar de stalknecht met mest aan zijn laarzen. Licht, het hadden Hoorders kunnen zijn. Iedereen kon een Hoorder zijn. Deze gedachte zorgde ervoor dat hij een prikkeling tussen zijn schouderbladen voelde, alsof hij werd gadegeslagen.
2618 De kraampjes op de kanaalbruggen hadden hun luiken gesloten, de venters hadden hun dekens opgepakt, en de potsenmakers en tuimelaars die gewoonlijk op elke straathoek de mensen bezighielden, zouden geen ruimte voor een voorstelling hebben gehad. Er waren zoveel Seanchanen; te veel Seanchanen.
2619 Zoals het leger dat volgens een gerucht de vorige week in het oosten tegen hen had gevochten. Of eentje dat gewapend was met de geheimen van het Vuurwerkersgilde. Wat moest Aludra in Lichtsnaam toch met een klokkengieter? Hij zorgde er terdege voor niet te dicht in de buurt te komen van de haven.
2620 Maar ze had meegedaan toen hij haar had omgepraat om te wedden om zijn vrijlating, maar dat was toen hij het bed had moeten houden. Gelukkig kon je altijd wel aan dobbelstenen komen, en met zijn geluk was het trouwens altijd beter als hij de stenen van de ander gebruikte.
2621 Helaas, toen hij eenmaal ontdekte dat ze haar belofte om hem te laten gaan niet wilde inlossen – de vrouw deed net of ze niet wist waar hij het over had! – had hij de stenen gebruikt om haar een koekje van eigen deeg te geven. Een ernstige misrekening, hoe leuk het toen ook was geweest.
2622 De taveernes en gelagkamers die hij betrad, waren al even vol als de straten. Er was nauwelijks ruimte om een beker op te tillen, laat staan om dobbelstenen te werpen. Overal zag hij lachende en zingende Seanchanen en somber kijkende Ebodaranen, die de Seanchanen in stilte misnoegd bekeken.
2623 Hij had eigenlijk niet anders verwacht. Ook vóór de komst van de nieuwkomers was er niets vrij geweest. En hij begon zich al even somber te voelen als de buitenlandse kooplieden die hij in hun wijnglas zag turen met de vraag hoe ze zonder paarden hun koopwaar de stad uit konden krijgen.
2624 Hij had genoeg goud om Luca te betalen, maar dat zat allemaal in een kist in het Tarasinpaleis, en hij ging niet proberen om in één keer genoeg mee te nemen, niet nadat paleisdienaren hem uit de haven terug hadden gedragen, als een hert dat niet aan de jacht was ontkomen.
2625 Een paar keer gaf hij bijna toe, maar als ze hem eenmaal hadden gehoord, zouden ze hun geld teruggevraagd hebben. Een paar Ebodaranen met lange, kromme messen in hun riemen en vol boosheid die ze niet op de Seanchanen konden botvieren, dachten dat ze die dwaas wel te pakken konden nemen.
2626 Zijn maag was zo leeg als de herbergen vol waren en hij meende dat iedereen naar zijn opzichtige kleren gaapte. De vochtige kou sijpelde zijn botten binnen, en de enige dobbelstenen die hij vond, waren de stenen die nog steeds in zijn hoofd kletterden met een geluid als van paardenhoeven.
2627 Een paar voorbijgangers keken alsof hij inderdaad al een beschilderd gezicht had. Hij negeerde hen. Ze waren zijn aandacht niet waard. Door de manier waarop ze naar hem keken, zouden ze het verdiend hebben om met een stok op het hoofd te worden geslagen, maar hij deed het niet.
2628 Misschien. Zijn maag knorde, bijna luid genoeg om de dobbelstenen te overstemmen. Ze kon ook de keuken opdracht gegeven hebben om hem geen eten te geven als hij te laat was. Tien passen lang deed hij moeite door de menigte heen te komen, tot hij een smal, donker steegje in kon slaan.
2629 Er was geen plaveisel. Het witte pleisterwerk op de vensterloze muren was afgebladderd en op veel plaatsen waren de bakstenen zichtbaar. De lucht was een en al stank van afval, en hij hoopte dat het zuigende geluid onder zijn laarzen modder was, hoewel het een afgrijselijke geur verspreidde.
2630 Hij kon bijna niet wachten op de dag dat hij weer een paar span zonder pijn kon wandelen, zonder te hijgen en zonder te hoeven leunen op een stok. Kronkelsteegjes, waarvan de meeste zo smal waren dat zijn schouders de muren aan beide kanten raakten, liepen kriskras als een doolhof door de stad.
2631 Het was gemakkelijk om de weg kwijt te raken als je die niet kende. Hij sloeg geen enkele keer de verkeerde weg in, zelfs niet als een nauwe kronkelsteeg zich plotseling splitste in drie of vier steegjes die allemaal min of meer in dezelfde richting schenen te kronkelen.
2632 Er waren nogal wat momenten in Ebo Dar geweest waarop hij blikken had moeten ontwijken, en hij kende deze straatjes als zijn eigen broekzak. Toch had hij vreemd genoeg het gevoel dat hij gadegeslagen werd. Maar waarschijnlijk zou hij dat gevoel wel blijven houden zolang hij die stomme kleren droeg.
2633 Hij bereikte het paleis in de tijd die het hem anders gekost zou hebben om drie straten ver te komen. Hij haastte zich door een schemerige doorgang tussen een goedverlichte herberg en een gesloten winkel van lakdoosjes en vroeg zich af wat er nog in de keuken te krijgen zou zijn.
2634 Het steegje was breder dan de meeste en breed genoeg voor drie man naast elkaar. De steeg kwam uit op het Mol Hara Plein, bijna recht voor het Tarasinpaleis. Daar woonde Suroth, en de koks hadden zichzelf overtroffen nadat ze het hele stel na haar eerste maaltijd had laten geselen.
2635 Hij gromde opnieuw toen een stel laarzen op zijn schouder belandde. De kerel gleed vloekend van hem af en gleed door de modder verder de steeg in. Hij zakte door een knie en slaagde er maar net in om zich staande te houden tegen de zijmuur van de taveerne, anders was hij plat voorover gevallen.
2636 Het was genoeg om een magere, moeilijk te beschrijven man te zien. Een man met iets als een groot litteken op de wang. Maar geen man. Een wezen dat hij met de blote hand de keel van zijn vriend had zien openrijten en dat een mes uit zijn eigen borst had getrokken om het terug te werpen.
2637 Naar zijn benen, in de hoop hem te laten struikelen en zo tijd te winnen. Het ding vloeide als water naar de kant en ontweek de stok. Zijn laarzen gleden een stukje in de modder weg, en toen wierp het wezen zich op Mart. Maar het beetje tijd dat hij had gewonnen, was genoeg geweest.
2638 Het zilver, dat koel tegen zijn borst had gelegen, raakte met een gesis als van knapperend spek en de geur van brandend vlees een uitgestrekte hand. Het ding was zo beweeglijk als een tol en probeerde grauwend voorbij het rondzwaaiende zegel te komen om Mart ergens vast te kunnen pakken.
2639 Deze keer zou het wezen geen spelletje met hem spelen, zoals in de Rahad. Hij bleef het zegel rondzwaaien en raakte de andere poot en het gezicht van het wezen. Na elke aanraking klonk er gesis en stonk het naar brand, alsof het wezen met een hete ijzeren staaf werd geraakt.
2640 Mart liet het zegel onophoudelijk rondzwaaien terwijl hij wankel overeind kwam en de gholam in de gaten bleef houden, die leek op een man. Hij wil jou evenzeer dood hebben als hij haar wil hebben, had het wezen hem grijnzend in de Rahad gezegd. Maar nu grijnsde of sprak het niet.
2641 Om nog maar te zwijgen van de schouder waar de gholam bovenop was gesprongen. Hij moest terug naar de drukke straten, terug naar mensen. Het ding zou misschien worden afgeschrikt door een grote hoeveelheid mensen. Hij had niet veel hoop, maar het was de enige die hij had.
2642 Zijn laars gleed uit over iets wat verschrikkelijk stonk en hij gleed tegen de muur van de herberg. Alleen het woeste zwaaien met de zilveren vossenkop hield de gholam tegen. Die stemmen in de straat waren zo verlokkend dichtbij, maar ze hadden net zo goed in Barsine kunnen zijn.
2643 Het gleed een stukje weg in de modder, maar scheen nog steeds weg te vloeien tot het achter de taveerne verdween. Mart rende er achteraan. Hij zou niet hebben kunnen zeggen waarom, behalve dat het hem had proberen te doden en het opnieuw zou proberen. Zijn nekharen stonden recht overeind.
2644 Weer aarzelde het ding even. De achterdeur van de taveerne stond op een kier en Mart kon het geluid van feestvierende mensen horen. Het wezen stak zijn handen in een gat in de achtermuur van het gebouw tegenover de taveerne, waar een steen uit was gevallen. Mart verstijfde.
2645 Het wezen scheen nauwelijks wapens nodig te hebben, maar als het er daar een verstopt had... Hij geloofde niet dat hij het zou overleven als hij zich moest verdedigen tegen dat wezen met een wapen. De armen volgden de handen, en toen dook het hoofd van de gholam in het gat.
2646 Nee, ik zit hier al een poosje. Maar mijn slaapplaats op zolder in De Gouden Eend wordt nu ingenomen door een dikke oliekoopman uit Illian, die deze ochtend uit zijn kamer werd gezet om plaats te maken voor een Seanchaanse officier. Ik dacht dat ik vannacht iets in deze steeg kon vinden.
2647 Hij besefte dat de dobbelstenen nog steeds rondtolden in zijn hoofd. Hij was ze zowaar vergeten toen de gholam hem om zeep probeerde te helpen, maar ze kletterden nog steeds, lagen nog steeds niet stil. Als ze hem waarschuwden voor iets wat nog erger was dan de gholam, wilde hij het niet weten.
2648 Hij keek voortdurend om zich heen terwijl hij zich ondertussen afvroeg hoe klein het gat kon zijn waar dat ding doorheen kon. Hij merkte dat hij ongerust naar de spleten tussen de plavuizen liep te kijken. Hoewel het niet waarschijnlijk leek dat het ding openlijk op hem af zou komen.
2649 Op andere dagen behoorde het Mol Hara Plein op dit uur vol te zijn met slenterende verliefde paartjes, rondhangende venters en hoopvolle bedelaars, zelfs in de winter, maar na de komst van de Seanchanen waren de bedelaars opgepakt en aan het werk gezet, waarna de rest wegbleef, zelfs overdag.
2650 En, misschien nog belangrijker, het verblijf van hoogvrouwe Suroth Sabelle Meldarath, die voor de Seanchaanse keizerin, moge zij eeuwig leven, het bevel voerde over de Voorlopers. Zij bekleedde op dit moment een positie die van veel groter gewicht was dan die van Tylin.
2651 De koningin van Altara verlangde veiligheid en stilte voor haar rust. Dat had Suroth tenminste gezegd, en als Suroth iets had bedacht wat Tylin wenste, besliste de koningin al gauw dat ze dat inderdaad wilde. Mart dacht even na en bracht Noal toen naar de poorten van de stallen.
2652 Bijna de helft van de in grijs geklede vrouwen was donker gekleurd, zonder de sieraden die ze als windvindsters hadden gedragen. Er waren er nog meer in het paleis en elders; de Seanchanen hadden talloze Zeevolkschepen gekaapt die er niet in geslaagd waren weg te komen.
2653 Elk had een in Seanchan geboren damane naast zich, die haar hand vasthield of een arm om haar heen had geslagen, en die glimlachte of haar iets toefluisterde onder de goedkeurende blikken van de vrouwen met de armbanden die met zilverkleurige halsbanden waren verbonden.
2654 Een strenge moeder met een onhandelbaar kind, zoals ze naar de haar toevertrouwde damane keek. Teslyn Baradon was dikker geworden na anderhalve maand Seanchaanse gevangenschap, maar haar leeftijdloze gezicht zag er nog steeds uit alsof ze drie keer per dag doorns als eten kreeg.
2655 Teslyn was een harde, die waarschijnlijk voortdurend ontsnappingsplannen maakte, maar die hardheid kon je slechts tot een bepaald punt opbrengen. De Vrouwe der Schepen en haar Meester der Klingen waren zonder een kik te geven gestorven, maar het had hen niet gered van de brandstapel.
2656 Licht, wat zou het fijn zijn als die stomme dobbelstenen in zijn hoofd er gewoon mee ophielden! Dan had hij dat tenminste gehad. Nee, dat was een leugen. Toen het uiteindelijk tot hem was doorgedrongen wat ze betekenden, had hij gewild dat die dobbelstenen nooit meer zouden ophouden.
2657 Het was een lange, witgepleisterde kamer met een lage zoldering, met te veel bedden voor wie het tot nog toe hadden overleefd. Vanin lag als een kalende vetkwab in zijn hemdsmouwen met een boek op zijn borst te lezen. Mart was ooit verbaasd geweest dat de man kón lezen.
2658 Twee grepen hun jas al terwijl ze nog bezig waren hun hemden in hun broeken te proppen. Metwin, een jongensachtige Cairhienin die tien jaar ouder was dan Mart, greep zijn zwaard dat aan het voeteneind van zijn bed stond en trok een stuk van de kling uit de schede om de scherpte te bevoelen.
2659 Juilin Sandar kwam de hoek om rennen en liep bijna tegen hem aan. Met een gesmoorde vloek sprong de Tyreense dievenvanger achteruit en zijn donkere gezicht werd bleek, tot hij besefte wie hij bijna omvergelopen had. Toen mompelde hij een verontschuldiging en wilde langs hem glippen.
2660 In zijn donkere Tyreense jas die tot over de rand van zijn laarzen viel, zou Juilin tussen de bedienden opvallen als een eend in een kippenren. Suroth was strikt in die dingen, veel strikter dan Tylin. De enige reden die Mart kon bedenken, was die linke zaak waar Thom en Beslan bij betrokken waren.
2661 Thom mocht dan bij de bedienden slapen, hij had meteen beweerd dat het zijn eigen keuze was geweest, een eigenaardige karaktertrek. En niemand vond het vreemd om hem hier te zien, om misschien de kamers van Riselle binnen te glippen, die vroeger aan Mart hadden behoord.
2662 Juilin had behoorlijk zijn best gedaan om een dievenvanger te zijn, nooit en te nimmer een dievenpakker. Hij had al zoveel prikkelbare edelen en hooghartige kooplieden als iemand van gelijke stand uitdagend aangekeken, dat iedereen in het paleis wist wie en wat hij was.
2663 Ze wipte met haar been, waardoor haar groene en witte onderrokken opzwiepten. De uiterst lage halslijn van het lijfje was afgezet met lichtgroen kant en liet haar fraaie borsten half vrij, waartussen het met edelstenen versierde heft van haar trouwdolk bengelde. Ze was niet alleen.
2664 Tegenover haar zat Suroth, die fronsend in haar wijnbeker keek en met lange vingernagels op de armleuning van haar stoel tikte. Ze leek best knap, ondanks haar tot een opstaande kam gekapte haren, maar liet daardoor Tylin op een konijn lijken. Twee vingernagels van elke hand waren blauwgelakt.
2665 Het was vreemd, maar naast haar zat een klein meisje, eveneens in een drukbewerkt gebloemd gewaad dat over witte plooirokken viel. Ze had een sluier over haar hele hoofd – dat geheel geschoren leek – en droeg een fortuin aan robijnen. Al was hij nog zo geschokt, hij kon robijnen en goud herkennen.
2666 Haar opmerkelijke schoonheid plaatste zowel Tylin als Suroth in de schaduw. Al voelde Mart zich alsof hij met een hamer op zijn hoofd was geslagen, hij bleef mooie vrouwen opmerken. Maar het was niet de aanwezigheid van Suroth of die van de vreemdelingen waardoor hij met een ruk stil bleef staan.
2667 Het was een kleine vrouw van wie het goudkleurige haar voor de helft was afgeschoren, en met een boezem die die van Riselle zou kunnen overtreffen, maar haar gewaad van rode en gele vlakken was te hoogsluitend om daar zeker van te zijn. Niet dat hij ernaar verlangde erachter te komen.
2668 Sinds hij zijn bed weer had kunnen verlaten, was er geen dienstmeisje jonger dan zijn grootmoeder in haar vertrekken geweest. Suroth keek naar de jongeman alsof ze zich afvroeg wat hij was, schudde toen haar hoofd en richtte haar aandacht weer op Tuon, die de man wegwuifde.
2669 Nou ja, misschien was dat ook wel zo, maar slechts een heel klein beetje. Toch vond hij het niet leuk daaraan herinnerd te worden. Hij leunde op zijn stok en probeerde een gemakkelijke houding aan te nemen. Ze hadden een man per slot van rekening kunnen vragen om te gaan zitten.
2670 Tuons rokken ritselden toen ze over het tapijt naar hem toeliep. Het donkere gezicht achter die dunne sluier had mooi kunnen zijn als er niet die uitdrukking op had gelegen van een rechter die op het punt staat een doodvonnis uit te spreken. En met gewoon haar in plaats van die kale schedel.
2671 Al haar lange vingernagels waren felrood gelakt, merkte hij op. Hij vroeg zich af of dat iets betekende. Licht, een man kon voor de prijs van die robijnen jaren in weelde leven. Ze reikte met een hand naar zijn gezicht en legde haar vingertoppen onder zijn kin en hij wilde terugwijken.
2672 Ze liep langzaam om hem heen en bleef hem onderzoekend aankijken. Ze voelde met haar vingers aan het kant om zijn pols, raakte de zwartzijden halsdoek om zijn nek aan en lichtte de rand van zijn mantel op om het borduurwerk te bekijken. Hij verdroeg het en weigerde van houding te veranderen.
2673 Het was een meesterstuk van een gezel, om de kunde van de ambachtsman te tonen, en stelde een rennende vos en twee raven in de vlucht voor, alles omgeven door wassende manen. Hij had de ring toevallig gekocht maar hij was eraan gehecht geraakt. Hij vroeg zich af of ze de ring wilde hebben.
2674 Maar ik wil Tylin laten zien welke landen er voor haar in het verschiet liggen, zodat ze het zal weten en ze zich op haar gemak zal voelen. Er zijn kaarten in mijn vertrekken, Tylin. Wil je me de eer aandoen mij te vergezellen? Ik heb buitengewoon goede vrouwen om je te verzorgen.
2675 Hij zonk in een bamboestoel neer en liet zijn hoofd in zijn handen rusten. Elke andere tijd zouden die roze linten hem de gordijnen in hebben gejaagd. Hij had nooit moeten proberen om haar met gelijke munt terug te betalen. Zelfs de gholam was even uit zijn gedachten verdwenen.
2676 De grijze lucht bleef grijs en het bleef regenen. Op straat werd gepraat over een man met een opengereten keel die niet ver van de stad door een wolf gedood was. Niemand maakte zich echt zorgen; men was gewoon nieuwsgierig. In geen jaren waren zo dicht bij Ebo Dar wolven gezien.
2677 Harnan en de andere Roodarmen weigerden koppig om te vertrekken en beweerden dat ze hem voor aanvallen van achteren konden bewaken. Vanin weigerde zonder een reden op te geven, tenzij je zijn gemompelde bewering dat Mart een goed oog voor snelle paarden had, een reden noemde.
2678 Mart dacht dat Olver zelfs bereid leek te zijn het spelletje slangen en vossen, dat ze speelden voor het naar bed gaan, op te geven voor Riselle en de boeken. En als het joch de kamer uitrende die ooit aan Mart had toebehoord, glipte vaak Thom naar binnen, met zijn harp onder de arm.
2679 Als ze al verschil maakten tussen die mensen en de meubels. Het leek onwaarschijnlijk dat zo iemand twee keer keek naar een man uit de bediendenvleugel, maar het Licht wist dat vrouwen een rare smaak hadden als het om mannen ging. Hij was gedwongen Juilin met rust te laten.
2680 Dagenlang kwam er een stroom van mensen, dieren en goederen uit de nieuw aangekomen schepen. Als iedereen gebleven was, hadden de dikke stadsmuren onder de druk open kunnen barsten, maar velen trokken met hun gezin, werktuigen en vee door de stad naar het platteland om zich ergens te vestigen.
2681 Ze trokken noordwaarts in hun fel gekleurde wapenrustingen, en naar het oosten, over de rivier heen. Mart telde ze niet eens meer. Soms zag hij vreemde beesten, hoewel de meeste buiten de haven werden uitgeladen. Hij zag torms, die leken op drie ogige katten met bronzen schubben.
2682 Seanchan was een keizerrijk dat groter was dan alle landen tezamen tussen de Arythische Oceaan en de Rug van de Wereld, en dat alles onder een enkele keizerin, maar met een geschiedenis van voortdurende opstootjes en opstanden, die ervoor zorgden dat de soldaten scherp, geoefend en oplettend bleven.
2683 Uiteraard vertrokken niet alle soldaten. Er bleef een sterk garnizoen achter, dat niet alleen uit Seanchanen bestond, maar ook uit Taraboonse lansiers met hun metalen sluiers en Amadiciaanse piekeniers met beschilderde borstkurassen, zodat die op de Seanchaanse wapenrusting leken.
2684 En naast de wapenknechten van Tylins Huis ook Altaranen. Volgens de Seanchanen behoorden de Altaranen van het platteland, met de kriskras lopende rode strepen op hun kurassen, Tylin net zo goed toe als de schildwachten van het Tarasinpaleis. Dat leek haar gek genoeg niet al te best te bevallen.
2685 Het beviel de kerels uit de binnenlanden evenmin. De plattelanders en de groenwitte mannen van Mitsobar bekeken elkaar als vreemde katers in een klein hok. Er was genoeg onderlinge achterdocht. Tussen Taraboners en Amadicianen, tussen Amadicianen en Altaranen, enzovoorts.
2686 Alleen een dwaas verzette zich tegen de Doodswachtgarde, en nooit meer dan één keer. Een andere groep van de garde had zich ook in de stad gevestigd. Het waren Ogier, een honderdtal, in groen en zwart. Soms hielden ze de wacht met de anderen, soms liepen ze rond met grote bijlen op de schouders.
2687 Ze leken helemaal niet op Marts vriend Loial. Ze hadden uiteraard dezelfde brede neuzen, pluimoren, tot op hun wangen hangende wenkbrauwen en ogen zo groot als theekopjes, maar de Gardeniers bekeken een man alsof ze zich afvroegen welke ledematen gesnoeid moesten worden.
2688 Terwijl talloze Seanchanen Ebo Dar uitstroomden, stroomde het nieuws naar binnen. Zelfs terwijl ze op zolders moesten slapen, belaagden kooplieden de gelagkamers van herbergen, rookten er hun pijpen en vertelden wat ze wisten en wat niemand anders wist. Zolang het hun winst maar niet verkleinde.
2689 De wachters van de kooplieden gaven weinig om de winst, waar ze toch niet in meedeelden, en vertelden alles, en een deel ervan was nog waar ook. Zeelieden verspreidden verhalen aan iedereen die een kroes mede of, nog beter, een beker warme kruidenwijn voor hen betaalde.
2690 Maar het nieuws dat de meeste opschudding veroorzaakte was dat over Rhand. Mart probeerde zijn best te doen om niet aan hem en aan Perijn te denken, maar het was moeilijk om die vreemde kleurenwentelingen in zijn hoofd te vermijden als de Herrezen Draak op ieders lip lag.
2691 Nee, hij was zelf naar de Witte Toren getrokken en had gehoorzaamheid gezworen aan de Amyrlin Zetel. Dat laatste won veel aan geloofwaardigheid omdat een aantal lieden beweerde dat ze een proclamatie hadden gezien, die door Elaida zelf was ondertekend, waarin dit met zoveel woorden was aangekondigd.
2692 En wat dat andere betrof, hij geloofde nooit dat Rhand uit eigen beweging in de buurt van de Witte Toren zou komen. Herrezen Draak of niet, daar was hij verstandig genoeg voor. Dat nieuws – en al zijn verschillende versies – wond de Seanchanen op, zoals een stok een mierennest.
2693 De hele bos. Hij verbrandde ook een roze jas die ze voor hem had laten maken, twee paar roze broeken en een roze mantel. De kamers vulden zich met de stank van brandende wol en zijde, en hij opende een paar ramen om de stank te laten ontsnappen, maar hij gaf er eigenlijk niets om.
2694 Hij wilde nooit meer iets in die kleur zién! Hij zette zijn hoed op zijn hoofd en hobbelde het Tarasinpaleis uit, opnieuw vastbesloten een plekje te vinden voor zijn eigendommen die hij nodig had om te ontsnappen, al moest hij elke taveerne en elke zeemanskelder in de stad tien keer bezoeken.
2695 Zelfs die in de Rahad. Honderd keer desnoods! Grijze zeemeeuwen en schaarbekken met zwarte vleugels wervelden rond in een loodgrijze lucht met nog meer regen. Een ijzige wind die de scherpe geur van zout met zich meedroeg, geselde het Mol Hara Plein en liet mantels opwapperen.
2696 Hij stampte op de kasseien alsof hij elke steen wilde laten barsten. Licht, als het niet anders kon, vertrok hij met Luca in de kleren die hij nu droeg. Misschien liet Luca hem als paljas werken! Die vent zou er waarschijnlijk op staan. Het zou hem tenminste vlak bij Aludra en haar geheimen houden.
2697 Hij stampte het hele plein over voor hij besefte dat hij voor een bekend wit gebouw stond. Het uithangbord boven de deur gaf aan dat het De Zwerfster was. Er kwam een lange man naar buiten in een roodzwarte wapenrusting. Op de helm onder zijn arm zaten drie dunne zwarte veren.
2698 Hij stond te wachten tot men zijn paard gebracht had. De man had een bolrond gezicht en grijs haar aan de slapen. Hij keek niet naar Mart en Mart vermeed het om hem aan te kijken. Ook al zag de man er aardig uit, hij was en bleef een Doodswacht gardist, en ook nog eens een baniergeneraal.
2699 Bovendien hadden de mannen en vrouwen die bij een dienster meer drank bestelden, ook dat neerbuigende gedrag van officieren. Het betekende dat hun bazen een rang hadden die moeilijkheden kon veroorzaken. Enkelen merkten hem fronsend op en hij stond op het punt weer te vertrekken.
2700 Ze wist dat hij geacht werd een edelman te zijn, maar hij wist niet zeker of ze dat nog geloofde, of dat het hem van nut kon zijn als ze die onzin nog steeds slikte. Hoe dan ook, ze zag hem meteen en glimlachte vriendelijk en verwelkomend, wat haar gezicht nog veel aardiger maakte.
2701 Haar gespierde echtgenoot was de kapitein van een vissersboot met meer littekens van tweegevechten dan Mart lief was. Ze wilde onmiddellijk horen over Elayne en Nynaeve en tot zijn verbazing ook of hij iets van de Kinne wist. Hij had nooit geweten dat zij ooit van hen gehoord had.
2702 Haar donkergroene rok, die aan de linkerkant was opgenomen, toonde rode onderrokken. Ebodaranen volgden volgens hem ketellappers op de voet bij hun keus van kleuren. Her geroezemoes van de Seanchanen overstemde bijna de harde klanken van de muziek en ze zat hem streng aan te kijken.
2703 Ze leek op een kat die grinnikte! Een Seanchaanse in een roodblauwe wapenrusting en het gezicht van een buizerd genoot zozeer van de vertoning dat ze hem een zware zilveren munt met vreemde tekens toewierp: aan de ene kant een streng vrouwengezicht en aan de andere kant een soort van zware stoel.
2704 En zijn ronde buik schudde altijd van het lachen. Een tijdlang leek het erop dat hij na Naleseans dood met Nerim wilde wedijveren als het ging om het slaken van verzuchtingen, want dat deden ze bij het minste of geringste, maar de laatste weken was hij weer in zijn oude doen.
2705 Hij kon altijd nog een nieuwe boog maken, maar hij was niet van plan om de ashandarei achter te laten. Ik heb een te hoge prijs voor dat vervloekte ding betaald om hem achter te laten, dacht hij, en voelde aan het litteken onder de halsdoek. Een van de eerste, tussen te veel andere littekens.
2706 Of een vrouw die hij niet wilde of zelfs niet kende. Er moest meer zijn. Maar eerst moest hij heelhuids uit Ebo Dar zien te komen. Dat was het voornaamste. Lopin en Nerim verdwenen al buigend, met de inhoud van twee dikke geldbeurzen gelijkmatig verspreid over hun kleren, zodat er niets uitpuilde.
2707 Tylin maakte ernst van haar bezigheden en een tijdje vergat hij vuurwerk, Aludra en ontsnappen. Een tijdje... Na enig zoeken vond hij uiteindelijk een klokkengieter. Er waren een aantal gongenmakers in Ebo Dar, maar slechts één klokkenmaker, met een gieterij buiten de westermuur.
2708 Takelkettingen hingen aan de zolderbalken en uit de oven sloegen opeens vlammen die flakkerende schaduwen wierpen en Mart bijna verblind achterlieten. Hij had het beeld van een laaiend vuur nog niet weggeknipperd of een volgende uitbarsting deed hem opnieuw zijn ogen dichtknijpen.
2709 Mart probeerde Aludra te vermurwen, maar ze had net zo goed zelf uit gegoten brons kunnen bestaan. Ze was gelukkig aanzienlijk zachter dan brons toen ze hem eindelijk toestond zijn arm om haar heen te slaan, maar zijn kussen, die haar lieten beven, deden niets af aan haar standvastigheid.
2710 Ze trok haar haren strak naar achteren en bestudeerde zichzelf in de vergulde spiegel in haar slaapkamer; maar ze wilde eerst aan het idee wennen. Ze schikte zich in het leven met de Seanchanen en dat kon hij haar niet kwalijk nemen, hoeveel duistere blikken Beslan zijn moeder ook toewierp.
2711 Hij vond het ook niet erg dat hij zich een muis voelde die het speeltje van een kat was. Er waren echter maar weinig uren daglicht beschikbaar, al waren het er meer dan hij thuis in de winter gewend was, en een tijdlang vroeg hij zich of ze die allemaal wilde gebruiken.
2712 Niemand was bevriend met Suroth. Tylin leek Tuon als een soort aangenomen dochter te beschouwen, al leek het omgekeerde evenzeer het geval. Tylin vertelde hem weinig over de dingen die ze met hen besprak, soms zei ze iets vaags en algemeens, maar meestal vertelde ze helemaal niets.
2713 De drie Seanchaanse vrouwen – vier, met inbegrip van Selucia, maar hij dacht niet dat zij dat zo zagen – stonden vlak om de hoek bij elkaar. Terwijl hij de gang angstvallig afspeurde naar glimlachende dienstmeisjes, wachtte hij ongeduldig tot het viertal verder zou lopen.
2714 Nou ja, hij was er toch niet echt op gebrand geweest om onmiddellijk te vertrekken. Tuon maakte hem bezorgd. Als hij haar in de gangen zag, maakte hij zijn fraaiste buiging, terwijl zij hem volkomen negeerde, net als Suroth en Anath, maar hij kreeg de indruk dat ze elkaar iets te vaak tegenkwamen.
2715 Hij bevroor bij de aanblik van haar vingers die over de woorden gleden die in de Oude Spraak in de zwarte schacht waren gesneden. Aan het begin en eind van de regel stond een raaf in een nog donkerder stukje metaal, terwijl er ook nog twee op de ietwat gebogen kling waren gegraveerd.
2716 Voor de Seanchanen waren raven een keizerlijk zegel. Hij hield zijn adem in en probeerde geluidloos achteruit te lopen. Het gesluierde gezicht draaide zich naar hem toe. Het was een lief gezicht, dat zelfs knap genoemd kon worden als ze niet een gezicht trok alsof ze op een bundel doorntakken beet.
2717 Hij vond niet langer dat ze er als een jongen uitzag – haar ingesnoerde, brede gordels zorgden ervoor dat je haar ronde vormen zag – maar het scheelde niet veel. Hij zag zelden een volwassen vrouw zonder even te denken hoe het zou zijn om haar te kussen of met haar te dansen.
2718 Natuurlijk werd ze niet altijd gevolgd door Anath, Selucia of lijfwachten, maar hij kreeg de indruk dat ze veel te vaak opdoemde en naar hem keek als hij zich opeens omdraaide. Het gebeurde ook vaak dat als hij een kamer verliet, zij aan de andere kant van de deur stond.
2719 Meer dan eens keek hij bij het verlaten van het paleis over zijn schouder en zag hij haar gesluierde gezicht achter een venster. En ze staarde echt niet. Ze keek hem aan en liep dan weer verder, alsof hij niet meer bestond. Ze keek uit een raam en draaide zich om zodra hij haar opgemerkt had.
2720 Zijn vossenzegel werkte goed, maar een grote mensenmassa was beter. Bovendien wist hij zeker dat Aludra zich de laatste keer bijna iets had laten ontvallen, voor ze zich beheerste en hem haastig haar wagen uitwerkte. Een vrouw zou je alles vertellen als je haar maar vaak genoeg kuste.
2721 Maar hij begon zich zorgen te maken over die ruimte. Het was goed genoeg voor een kist. Een man zou zijn beitels moeten breken om erin te komen. En hij had toen in de herberg zelf gewoond. Nu kieperde Setalle het goud gewoon in het gat nadat ze iedereen had weggestuurd.
2722 Aan een tafel zaten drie mannen en een vrouw in hun lange geborduurde kleren te kaarten en pijp te roken. Ze hadden allemaal hun hoofd geschoren op de manier van de lagere edellieden. Marts aandacht werd getrokken door de gouden munten op hun tafel; ze speelden om een hoge inzet.
2723 De grootste stapel munten lag voor een kleine man met zwart haar die even donker was als Anath. Met in zijn mond een in zilver gevatte pijpensteel zat hij als een roofdier naar zijn tegenstanders te grijnzen. Maar Mart had zijn eigen goud en hij had evenveel geluk met kaarten als met dobbelstenen.
2724 Tijdens zijn verblijf in de herberg waren er twee man door zijn hand gestorven. Het waren weliswaar dieven geweest die geprobeerd hadden om zijn schedel te splijten, maar zulke dingen gebeurden niet in De Zwerfster. Ze had hem duidelijk gemaakt dat ze blij was zijn rug te zien toen hij opstapte.
2725 Hij kon niet begrijpen waarom het onthullen van wat meer onderrok zo schandalig was, terwijl iedere vrouw zo in Ebo Dar rondliep en haar halve boezem liet zien, maar als Marah zich een beetje losbandig voelde, zouden een paar vleierijtjes het hem misschien gemakkelijker maken.
2726 Niemand wilde graag in de gelagkamer wachten. Elke stoel was door een Seanchaan bezet, en nog meer mannen en vrouwen stonden. Het waren er zoveel dat de meiden gedwongen waren heel behoedzaam tussen iedereen door te lopen, terwijl ze bladen met eten en drinken omhooghielden.
2727 Caira vulde de beker van de donkere kleine man en bood hem de zwoele glimlach die ze Mart ooit eens had geschonken. Hij wist niet waarom ze nu iets tegen hem had, maar hij had op dit moment al genoeg met vrouwen te stellen. Wat was trouwens een luchtkapitein? Daar moest hij achter zien te komen.
2728 Alle meisjes leken bezig, dus keek Marah hem voor de laatste keer lelijk aan. Toen stoof ze weg en probeerde ze een vriendelijke glimlach op haar gezicht te toveren. Wat haar niet zo best afging. Mart hield zijn wandelstok van zich af en maakte een zwierige buiging naar haar verdwijnende rug.
2729 Zes zwetende vrouwen en drie keukenjongens renden rond onder de bevelen van de meester kokkin. Enid droeg een sneeuwwitte schort als was die de tabberd van een hoog ambt, en regeerde met een houten pollepel over haar gebied. Ze was de dikste vrouw die Mart ooit had gezien.
2730 Bloed en as! Iedereen wist het echt! Ik moet deze vervloekte stad uit, dacht hij, of ik hoor ze de rest van mijn leven lachen. Plotseling leek zijn angst over het goud dwaasheid. De grijze vloertegel voor de bakstoven lag stevig op zijn plaats en verschilde niet van de andere in de keuken.
2731 Lopin en Nerim zouden het hem gezegd hebben als er ook maar een enkele gouden munt tussen hun bezoeken verdwenen was. Vrouw Anan zou waarschijnlijk de schuldige hebben opgespoord en gevild als er iemand zou proberen iets in haar herberg te jatten. Hij kon beter vertrekken.
2732 Misschien zou ze hem eten geven. Hij was het paleis uit geglipt zonder te eten. Om dus geen nieuwsgierigheid over zijn bezoek te wekken, vertelde hij Enid hoezeer hij genoten had van haar visschotel en hoeveel beter die was dan die in het Tarasinpaleis. Hij hoefde geen haartje te overdrijven.
2733 Voor hem. Iemand in de gelagkamer kon wel even wachten, zei ze, en plaatste het bord aan het hoofd van de lange keukentafel. Ze wuifde met haar lepel en een stevige keukenhulp bracht hem een kruk. Hij keek naar de knapperige gouden platvis en voelde het water in zijn mond lopen.
2734 Ze sloot haastig de deur achter zich en hield haar vochtige mantel aan en de kap diep over haar gezicht getrokken. Hij kwam overeind, ving een glimp van het gezicht in de kap op en schopte bijna zijn kruk omver. Hij maakte een buiging voor de vrouw maar zijn hoofd spon.
2735 Ondanks hun klagende gemompel over de regen en kreten over verbrand eten was het duidelijk dat ze dit evenzeer gewend waren als Enid. Zijzelf keek niet eens naar vrouw Anan en haar gezellin voor ze zich door de deur naar de gelagkamer haastte, waarbij ze haar pollepel als een zwaard omhooghield.
2736 Plus een leeftijdloos gezicht, dat uitschreeuwde dat ze een Aes Sedai was. Met tientallen Seanchanen aan de andere kant van een deur die bewaakt werd door een kokkin met een pollepel. Joline trok haar mantel uit en hing hem aan een haak, en vrouw Anan maakte een geërgerd geluid in haar keel.
2737 Mart negeerde het protest van zijn been en bewoog sneller dan hij ooit in zijn hele leven had gedaan. Hij greep Joline om haar middel en schoof op de bank naast de deur naar het erf met de Aes Sedai op zijn schoot. Hij hield haar dicht tegen zich aan en deed net of hij haar kuste.
2738 Het was een dwaze manier om haar gezicht te verbergen, maar het was het enige dat hij kon bedenken, of hij moest een mantel over haar hoofd gooien. Ze zuchtte verontwaardigd, maar de angst vergrootte haar ogen toen ze de Seanchaanse stem hoorde, en in een flits sloeg ze haar armen om hem heen.
2739 Een lange vrouw met scherpe blauwe ogen in een bleek en streng gezicht kwam achter hem aan. Ze sloeg een geborduurde, blauwe mantel terug die bij haar keel werd vastgehouden door een lange zilveren speld in de vorm van een zwaard. Onder haar mantel waren plooien van een lichter blauw zichtbaar.
2740 Een klein beetje beter. Enid besefte dat de strijd was verloren en trok zich terug, maar aan de manier waarop ze haar pollepel vastgreep en woest naar de man staarde, was te zien dat ze gereed was om er in een oogwenk weer op los te slaan als vrouw Anan daartoe bevel zou geven.
2741 Toen de deur achter het stel dichtsloeg, probeerde hij Joline van zijn schoot te schuiven, maar ze klampte zich aan hem vast en begroef haar gezicht tegen zijn schouder en huilde zachtjes. Enid slaakte een diepe zucht en zakte tegen de werktafel aan alsof haar botten zacht geworden waren.
2742 Ze blies zorgvuldig de houtsplinter uit voor ze de hoge glaskap liet zakken en legde toen de rokende splinter op een klein tinnen bordje. Zonder enige haast haalde ze een grote sleutel uit haar beurs, maakte het ijzeren slot open en gebaarde hem ten slotte om voor te gaan.
2743 De trap erachter was breed genoeg voor de vaten, maar ook steil en hij verdween in de duisternis. Mart gehoorzaamde maar wachtte op de tweede trede, terwijl vrouw Anan de deur dichttrok en weer op slot deed. Ze ging hem weer voor en tilde de lamp hoog op. Hij kon nu helemaal geen valpartij hebben.
2744 Dat wilde hij ook wel, maar hij kon de woorden niet over zijn lippen krijgen. Hij zou als dat kon iedereen helpen om aan de Seanchanen te ontsnappen en hij was Joline Maza iets verschuldigd. De Zwerfster was een herberg met een goede voorraad en de donkere kelder was groot.
2745 Er strekten zich doorgangen uit tussen liggende wijn en biervaten, hoge bakken met aardappelen en koolrapen die op verhogingen boven de stenen vloer stonden, rijen met lange planken waarop zakken gedroogde bonen, erwten en pepers lagen, en stapels houten kratten met het Licht mocht weten wat.
2746 Er scheen weinig stof te zijn, maar de lucht had die droge geur die eigen is aan een goede voorraadkamer. Hij herkende zijn kleren, die netjes opgevouwen op een lege plank lagen – tenzij iemand anders hier beneden kleren bewaarde – maar hij kreeg niet de kans ernaar te kijken.
2747 Hij stond op en ging tussen de twee vrouwen in staan, want hij zag vrouw Anan er best voor aan om Joline een klap te geven, Aes Sedai of geen Aes Sedai. En Joline leek niet in de stemming om de mogelijkheid te overwegen dat er een damane boven zat die kon voelen wat ze zou doen als ze terugsloeg.
2748 Het bericht was in de zak van zijn jas gestopt en had helemaal niet op zijn kussen gelegen. En dat betekende dat hij zich vergist had over bij wie hij in het krijt stond. Hij vertrok zonder Joline of vrouw Anan op de leugen te wijzen. Ook al zei hij er niets van, het bleef een leugen.
2749 Toen hij terug was in het Tarasinpaleis, ging hij rechtstreeks naar Tylins vertrekken en legde zijn mantel over een stoel om te drogen. De regen sloeg tegen de ruiten. Hij legde zijn hoed op een vergulde klerenkast, droogde zijn gezicht en handen af en overwoog een andere jas aan te trekken.
2750 Vochtig. Licht! Hij gromde van afkeer, verfrommelde de gestreepte handdoek en wierp hem op bed. Hij treuzelde en hoopte zelfs – een klein beetje dat Tylin naar binnen zou komen en het mes in de bedstijl zou steken, zodat hij kon uitstellen wat hij moest doen. Joline had hem geen keus gelaten.
2751 Het paleis was vrij eenvoudig gebouwd, als je er op een bepaalde manier naar keek. Bedienden woonden op de laagste verdieping naast de keukens, en een paar in de kelders. De verdieping daarboven bevatte de ruime, voor iedereen toegankelijke zalen en de krappe hokjes van de schrijvers.
2752 Op de verdieping daar weer boven lagen de vertrekken voor de minder belangrijke gasten, die voor het merendeel nu bezet waren door Seanchanen. Op de bovenste verdieping bevonden zich Tylins vertrekken en de kamers voor belangrijke gasten, zoals Suroth, Tuon en een paar anderen.
2753 Wat er gestaan had voor de komst van de Seanchanen, was weggehaald en de ruimte was volgebouwd met kleine houten kamertjes, elk met zijn eigen deur. Eenvoudige staande lampen verlichtten de smalle gangetjes tussen de kamertjes. De regen die op het dak vlak boven zijn hoofd roffelde, was luid.
2754 Ze zouden er wel achter komen dat hij hier geweest was, maar pas nadat hij gevonden had wat hij nodig had, als hij tenminste snel was. De moeilijkheid was dat hij niet wist waar haar kamer was. Hij liep naar het eerste kamertje en hield de deur lang genoeg open om naar binnen te gluren.
2755 De meeste ruimte in de kamer werd ingenomen door het bed, een wastafel met een lampetstel en een kleine spiegel. Aan haken in de muur hingen een paar grijze kleren. De zilveren leiband liep in een boog van de zilveren halsband om haar nek naar de zilveren armband aan een haak in de muur.
2756 De gaatjes op de plaats waar haar oorringen en neusring hadden gezeten, hadden nog niet de tijd gehad om te helen. Ze zagen eruit als wonden. Toen de deur openging, kwam haar hoofd omhoog. De bange blik in haar ogen ging over in een vragende, misschien vermengd met iets van hoop.
2757 Hij sloot die deur zachtjes alsof hij probeerde een koek van vrouw Alveren onder haar neus weg te kapen. Misschien was de blonde vrouw geen Seanchaanse, maar hij wilde het risico niet lopen. Een dozijn deuren verder haalde hij opgelucht adem, gleed naar binnen en trok de deur achter zich dicht.
2758 Mart zuchtte en leunde naast haar aan haken hangende kleren tegen de muur. Ze wist wat er in het briefje had gestaan, een waarschuwing voor Elayne en Nynaeve. Licht, hij had gehoopt dat zij het niet geweest was, dat iemand anders dat stomme papier in zijn zak had gestopt.
2759 Het had trouwens niets geholpen. Ze wisten allebei dat Elaida achter hen aan zat. Het briefje had niets veranderd! Teslyn had trouwens niet eens echt geprobeerd om hen te helpen. Ze had alleen maar Elaida de voet dwars willen zetten. Hij kon weglopen met een zuiver geweten.
2760 Door en door een Aes Sedai. Bied haar aan om te helpen en voor je het weet laat ze je midden in de nacht een enorme rots beklimmen om vijftig mensen uit een kerker te helpen. Dat was een andere man geweest, iemand die al heel lang dood was, maar hij herinnerde het zich, en het klopte precies.
2761 Hij wist zeker dat Teslyn Edesina zo snel mogelijk zou inlichten. Drie vrouwen die weleens ongeduldig zouden kunnen worden als het hem niet snel lukte hen in veiligheid te brengen. Vrouwen hielden van praten, en als ze genoeg praatten, verklapten ze zaken die beter onbesproken konden blijven.
2762 En het uur kon weleens slaan door de bijl van een beul. Veldslagen kon hij met gemak in zijn hoofd terughalen, maar die oude herinneringen schenen hier niet veel hulp te bieden. Hij had iemand nodig die gewend was aan plannen maken en die op een kromme manier kon denken.
2763 Ze zorgde er altijd voor dat ze toonbaar was, alsof ze elk moment geroepen kon worden om voor iemand van het Hoge Bloed te verschijnen. Ze zei niets tegen Renna, die vandaag samen met haar de ronde moest doen. Ze werden geacht een toegewezen taak uit te voeren, niet om wat te kletsen.
2764 De regen was eindelijk opgehouden en veroorzaakte diepe stilte rond de hokken boven op zolder. Vandaag mochten de damane gelukkig wat oefenen – de meesten begonnen te mokken als ze te lang in de hokken moesten blijven – maar helaas was ze vandaag niet aangewezen om met ze rond te lopen.
2765 Hetzelfde gold voor Seta, die na Falme in Suroths persoonlijke dienst was opgenomen. Bethamin vond het net als iedereen heerlijk om boven een beker wijn te roddelen over het Bloed en wie hen dienden, maar als het gesprek op Renna en Seta kwam, hield ze haar mond. Ze dacht echter wel vaak aan hen.
2766 Ze tekende hun boosheid niet aan voor straf zoals sommigen gedaan zouden hebben. Deze damane dachten nog steeds dat zij verzet boden, maar de ongepaste eisen voor de teruggave van hun opzichtige sieraden waren al iets uit het verleden, en ze knielden en spraken op de juiste manier.
2767 Maar haar gezicht was gezwollen van het huilen, en ze was amper neergeknield of een nieuwe huilbui deed haar schokken terwijl de tranen over haar wangen stroomden. Het grijze gewaad dat met zorg voor haar gemaakt was, hing nu los om haar heen, en ze was hiervoor al niet stevig geweest.
2768 Ze doopte de pen met de stalen punt in het inktpotje en schreef op dat Zushi ergens buiten het paleis moesten worden ondergebracht in een dubbel hok met een damane van het keizerrijk, bij voorkeur iemand die er goed in was om de boezemvriendin van pas beteugelde damane te worden.
2769 Suroth had deze damane uiteraard voor de keizerin opgeëist – iedereen die maar een tiende hiervan persoonlijk bezat, zou verdacht worden van het beramen van een opstand of daar zelfs rechtstreeks van beschuldigd worden – maar ze gedroeg zich alsof de damane haar persoonlijk eigendom waren.
2770 Als Suroth dit niet toestond, moest ze iets anders bedenken. Bethamin weigerde om een damane aan wanhoop te verliezen. Ze weigerde een damane om welke reden dan ook te verliezen! De tweede die een bijzondere aantekening kreeg, was Tessi, en bij haar verwachtte ze geen bezwaren.
2771 Zodra Bethamin de deur opende, knielde de Illiaanse met gevouwen handen neer. Haar bed was opgemaakt, haar andere grijze kleren hingen netjes aan de haken, haar borstel en kam lagen netjes naast elkaar op de wastafel en de vloer was geveegd. Bethamin had niet anders verwacht.
2772 Ze werd ook wat dikker nu ze geleerd had om haar bord leeg te eten. Behalve nu en dan wat snoepgoed werd aan het eten streng de hand gehouden; een ongezonde damane was verspilling. Maar Tessi zou nooit met linten getooid worden en meedingen naar de plaats van mooiste damane.
2773 Met een vinger tegen haar kin nam Bethamin bedachtzaam de knielende damane op. Ze wantrouwde iedere damane die zichzelf Aes Sedai had genoemd. Geschiedenis boezemde haar grote belangstelling in, en ze had zelfs vertalingen gelezen uit de enorme hoeveelheid talen van vóór de Bestendiging.
2774 Ze hadden met veel genoegen vastgelegd hoe ze aan de macht waren gekomen, buurlanden hadden vermorzeld en andere heersers hadden verslagen. De meesten waren omgekomen bij aanslagen, vaak door de handen van hun eigen erfgenamen of volgelingen. Ze wist heel goed wat Aes Sedai waren.
2775 Ze zou er niet blijven, maar alleen wat geld uit haar afgesloten kist pakken. De ronde was vandaag haar enige taak geweest en de rest van de dag was voor haarzelf. In plaats van nog wat taken te zoeken, wat ze normaal gesproken altijd deed, zou ze wat tijd nemen om aandenkens te kopen.
2776 Ze had wat ontspanning nodig. De stenen van het Mol Hara Plein glinsterden nog steeds van de regen van vanmorgen en de lucht rook prettig naar zout en herinnerde haar aan haar geboortedorp bij de Zee van Leye. De kou dwong haar om haar mantel stevig om zich heen te slaan.
2777 Maar de gedachten aan thuis boden haar nu geen troost. Terwijl ze haar weg zocht door de drukke straten, bleef ze piekeren over Renna en Seta. Ze was zo verstrooid dat ze tegen mensen aanbotste en eenmaal zelfs pal voor een rij wagens belandde van een koopman die de stad verliet.
2778 Maar het gezicht van die wanhopige twee vrouwen bracht ongewilde vragen aan het oppervlak. Vragen die een ander en beangstigend licht wierpen op alles wat altijd werd aanvaard. Zag ze bijna de wevingen of zag ze die nou echt? Soms meende ze dat ze het geleiden ook kon voelen.
2779 In plaats daarvan had ze zich in alle verwarring van een paard voorzien en was zo snel en zo ver mogelijk weggevlucht. Ze besefte dat ze voor een ruit stilstond en naar de uitstalling van een kleermaakster staarde, zonder te zien wat er binnen getoond werd. Niet dat ze iets van binnen wilde.
2780 De blauwe kleding met het rode vlak en de bliksems was de enige die ze al die jaren gedacht had te zullen dragen. En ze wilde zeker niet iets dragen wat haar onfatsoenlijk onthulde. Haar rok zwaaide om haar enkels toen ze doorliep, maar ze kon Renna en Seta niet uit haar gedachten bannen.
2781 Alwhin had haar plicht gedaan en was geëerd door Suroths Stem te worden. Ook Suroth had ondanks haar grote afkeer haar plicht vervuld. Er zou geen nieuwe proef bedacht worden. Haar eigen vlucht was dus overbodig geweest en dan, tja, dan zou ze niet in Tanchico terecht zijn gekomen.
2782 Er zou vreugde heersen in de stad en in het land als Tuon eindelijk zou onthullen wie ze was. En er zouden feesten zijn alsof ze net was aangekomen. Ze voelde een schuldig soort plezier als ze aan de Dochter van de Negen M